Uwe ongelukkige

J. Waters.

„P.S. Houd maar zoo veel mogelijk moed, want de heer Fitzpatrick

verkeert in hoegenaamd geen gevaar; zoodat, door welke schandelijke

misdaden ook uw geweten bezwaard zij, gij den moord niet daaronder

behoeft te rekenen.”

Jones liet den brief vallen zoodra hij hem gelezen had, want hij was

inderdaad naauwelijks meer bij zijne zinnen.

Partridge raapte hem op en eene stilzwijgende toestemming verkregen

hebbende, las hij ook het schrijven dat op hem naauwelijks minder hevig

werkte. Men moest het penseel en niet de pen gebruiken om de ellende af

te schilderen, die thans op hunne gelaatstrekken zigtbaar was. Terwijl

beiden nog sprakeloos stonden, trad de cipier binnen, en zonder acht te

slaan op hetgeen duidelijk genoeg sprak uit beider gezigten, meldde hij

aan Jones, dat er iemand was, die hem wenschte te spreken. Deze persoon

werd dan ook dadelijk binnen gebragt en bleek niemand anders te zijn

dan de Zwarte George.

Daar deze niet zoo gewoon was aan tooneelen van ellende als de cipier,

merkte hij dadelijk de ontroering van Jones op. Dit schreef hij toe aan

het tweegevecht, dat in het huis van den heer Western in het

allerergste licht was voorgesteld;—hij maakte dus uit alles op dat

mijnheer Fitzpatrick overleden was en dat de heer Jones zelf gevaar

liep van een schandelijken dood te sterven. Bij deze gedachte gevoelde

hij zich ook zeer ongelukkig; want George was medelijdend van aard en

niettegenstaande het ééne kleine verraad, waartoe hij zich had laten

verleiden, bleef hij, over het algemeen, volstrekt niet ongevoelig voor

al de weldaden, welke de heer Jones hem bewezen had.

De arme kerel had dus moeite om zijne tranen te bedwingen bij het

droevige tooneel dat hij thans zag. Hij verzekerde Jones dat hij diens

rampen zeer betreurde en smeekte hem zich te bedenken, of hij hem

eenige dienst zou kunnen bewijzen.

„Misschien, mijnheer,” zeide hij, „zult gij wat geld bij deze

gelegenheid noodig hebben en in dat geval, is het weinige waarover ik

beschikken kan, geheel tot uwe dienst.”

Jones drukte hem zeer hartelijk de hand, en bedankte hem herhaaldelijk

voor zijn vriendelijk aanbod; maar antwoordde: „Dat hij hoegenaamd geen

gebrek aan geld had.”

Hierop begon George nog ijveriger dan te voren hem zijne diensten op te

dringen.

Jones bedankte hem nogmaals, en verzekerde hem dat hij aan niets

behoefte had wat eenig mensch ter wereld hem verschaffen kon.

„Kom, kom, beste heer,” zei George; „gij moet u de zaak niet zoo

aantrekken! Alles kan beter afloopen dan gij verwacht Gij zijt zeker

niet de eerste mijnheer, die een ander gedood heeft en het er toch best

afgebragt heeft!”

„Gij hebt het heel en al mis,” zei Partridge; „die mijnheer is niet

dood en loopt geen gevaar van te sterven. Plaag nu mijnheer Jones niet;

want hij tobt over iets, waarbij gij hem onmogelijk helpen kunt.”

„Gij weet volstrekt niet waartoe ik in staat ben, baas Partridge,”

hernam George. „Als mijnheer over de jonge dame tobt, heb ik hem wat

nieuws mede te deelen.”

„Hoe! Wat zegt gij, George?” riep Jones. „Is er in den laatsten tijd

iets met mijne Sophia gebeurd? Mijne Sophia! Hoe durft een ellendeling

als ik, haar zoo nog te noemen?”

„Ik hoop toch dat zij nog de uwe zal worden,” hernam George. „Want, ja,

mijnheer, ik heb u wel iets dat haar aangaat, te melden. Jufvrouw

Western heeft pas jufvrouw Sophia weer naar huis gebragt en er is een

geweldig spektakel geweest. Waarover het precies was, heb ik niet

kunnen vernemen; maar mijnheer was vreesselijk driftig en jufvrouw

Western ook en ik hoorde haar zeggen, toen zij de deur uitging, en in

den draagstoel klom, dat zij nooit van haar leven weer bij mijnheer in

huis zou komen. Ik weet niet wat het is,—natuurlijk,—maar alles was

weer heel stil toen ik de deur uitging;—en Robert, die aan tafel

bediende, zeide dat hij in langen tijd mijnheer niet zoo vriendelijk

had gezien voor de jonge jufvrouw;—dat hij haar herhaaldelijk kuste en

zwoer dat zij meesteresse over zich zelve zou zijn, en dat hij er nooit

aan denken zou haar weder op te sluiten. Ik dacht dat het u goed zou

doen deze tijding te vernemen, en hoewel het zoo laat was, liep ik

eventjes uit, om het u mede te deelen.”

De heer Jones verzekerde George dat hij inderdaad zeer daarmede

ingenomen was; want hoewel hij het nooit wagen mogt om de oogen op te

heffen tot de onvergelijkelijke Sophia, kon hem niets in zijne ellende

meer troost opleveren, dan de voldoening van te weten dat het haar wel

ging.

Het overige van hun gesprek was te onbelangrijk om hier herhaald te

worden. De lezer zal het ons dus te goed houden als wij het afbreken,

om hem te vertellen hoe deze verzoening tusschen den vader en zijne

dochter bewerkt werd.

Zoodra mejufvrouw Western bij haar broeder verscheen, was zij begonnen

met de groote eer en het voordeel af te schilderen, welke de familie

overkomen zou bij een huwelijk van Lord Fellamar met Sophia, dat de

jonge dame echter bepaaldelijk van de hand gewezen had.

Toen nu de landjonker in deze zaak partij trok voor zijne dochter,

geraakte zijne zuster onmiddellijk in eene vlaag van woede, en sarde en

tergde haren broeder zoo erg, dat noch zijn geduld, noch zijne

voorzigtigheid verder daartegen bestand waren, waarop tusschen hen zulk

eene hevige twist voorviel, dat men welligt onder de vischwijven nooit

iets gehoord heeft, hetwelk daarmede te vergelijken was. In het vuur

van hare drift vertrok mejufvrouw Western, en had dus geene gelegenheid

gevonden om den landjonker bekend te maken dat zijne dochter zekeren

brief ontvangen had,—wat anders welligt treurige gevolgen zou gehad

hebben;—maar, om de waarheid te zeggen, ik geloof dat de tante geen

oogenblik daaraan gedacht had.

Zoodra jufvrouw Western weg was, begon Sophia, die tot dusver zoowel

uit nood als uit neiging gezwegen had, met het compliment, hetwelk haar

vader haar gemaakt had,—door partij te trekken voor haar tegen hare

tante,—te vergelden, door insgelijks hem tegenover die dame gelijk te

geven. Dit was de eerste keer, dat zij zoo iets deed en het was den

landjonker dus zeer aangenaam. Daarenboven herinnerde hij zich dat de

heer Allworthy er op gestaan had, dat geene dwangmaatregelen gebezigd

zouden worden, en daar hij er ook volstrekt niet aan twijfelde, dat

Jones aan de galg zou komen, hoopte hij ook met zachte middelen zijn

doel bij zijne dochter te bereiken. Om deze redenen bedwong hij thans

zijne natuurlijke liefde tot Sophia niet meer, en dit werkte zoo sterk

op het kinderlijke, dankbare, teedere en liefderijke hart van zijne

dochter, dat als haar woord niet aan Jones ware gegeven geweest, en als

iets anders, wat hem betrof, ook uit den weg geruimd geweest ware, ik

haast gelooven zou dat zij zich zou opgeofferd hebben aan een man, van

wien zij niet hield, ten einde haren vader te verpligten. Zij beloofde

hem echter thans dat het hoofddoel van haar leven zou wezen om hem te

behagen, en dat zij nooit, zonder zijne toestemming, in het huwelijk

zou treden, wat den ouden heer zoo zeer verheugde, dat hij besloot

zijne vreugde ten toppunt te voeren, en stom dronken naar bed ging.

Tom Jones · 第 317 / 340 题