HOOFDSTUK III.

ALLWORTHY BEZOEKT DEN OUDEN NIGHTINGALE,—EN DOET BIJ DIE GELEGENHEID

EENE WONDERBAARLIJKE ONTDEKKING.

Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens

belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed

bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde,

eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.

En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die

wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt

hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van

de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den

mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan

verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.

Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den

Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit

George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.

Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg

Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat

deze bij hem te doen had?

„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch

zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur

heeft voor dertig pond ’s jaars, en wien het toch gelukt is een

vijfhonderd pond over te leggen.”

„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.

„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want

ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet

uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor

koopen.”

Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon

hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde

den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit

waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.

Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken

klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo

is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der

straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere

dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene

schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle

schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra

Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger

taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy

tegen hem gebezigd had.

Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot

hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem

in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.

Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer

bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon

verkregen had.

Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij

beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat

hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te

zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte

verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de

vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van

denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde

haar toen, hoe zich de dochter van den broeder van den ouden heer

Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller

en haren schoonzoon.

De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met

groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt

was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de

onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de

tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk

geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen

jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden,

terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet

die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te

danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”

Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te

herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog

iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen.

„Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben,

die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in

zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”

Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde,

en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó

slecht niet met hem staat.”

„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef

vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen

had.”

„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel

het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”

„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam

Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand

onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u

dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon

vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige

geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel

dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en

ik schonk hem toch mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde

reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou

maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”

Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden,

toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar

dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en

vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die

nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand

anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.

Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten

uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men

zoo iemand kon doen straffen?

Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens

verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar

het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om

vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een

advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als

mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit

werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en

uitriep:

„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u

was.”

Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken

afgedaan had.

De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans

den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne

goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten

uitspreken, eer zij uitriep:

„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer

Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar

verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones

aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet

wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als ik

zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker

dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles

zelf aan mijnheer Allworthy!”

Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en

besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der

goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek

was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem

al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer

Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.

„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van

mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig

verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch

dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones.

Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem

thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens

mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze

verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had.

Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde,

dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige

gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis,

mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk

eene kiesche zaak te bemoeijen.”

„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep

jufvrouw Miller.

„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe

edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge

zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen

doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij

ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik

welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te

denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en

allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief

had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan

mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner mij nog den onschuldigen

hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne

kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij,

inderdaad!”

En hier brak hij af met de tranen in de oogen.

Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen

aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in

de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner

verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard,

dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene

andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt,

en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel

wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver,

zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit

anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk

volstrekt niet het geval zal wezen.

De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg

gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen,

en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen

mededeelen.

Tom Jones · 第 318 / 340 题