ALLWORTHY BEZOEKT DEN OUDEN NIGHTINGALE,—EN DOET BIJ DIE GELEGENHEID
EENE WONDERBAARLIJKE ONTDEKKING.
Den morgen na al deze gebeurtenissen, ging de heer Allworthy, volgens
belofte, den ouden Nightingale bezoeken, op wien hij zoo veel invloed
bezat, dat hij hem na een onderhoud, hetwelk drie uren duurde,
eindelijk overhaalde om zijn zoon bij zich toe te laten.
En thans had er eene vreemde gebeurtenis plaats,—een van die
wonderbaarlijke toevalligheden, waaruit beste, brave menschen opgemaakt
hebben, dat de Voorzienigheid zich dikwerf mengt in de ontdekking van
de meest voorzigtig geheim gehoudene schurkenstreken, ten einde den
mensch te waarschuwen, dat hij nooit het pad der deugd veilig kan
verlaten, hoe voorzigtig hij ook zij op den weg der ondeugd.
Toen de heer Allworthy bij mijnheer Nightingale kwam zag hij er den
Zwarten George, zonder evenwel eenige acht op hem te slaan, waaruit
George opmaakte, dat hij niet opgemerkt was geworden.
Evenwel, na afloop van het gesprek over de meer gewigtige zaak, vroeg
Allworthy aan Nightingale, of hij zekeren George Seagrim kende, en wat
deze bij hem te doen had?
„O, ik ken hem heel goed,” hernam Nightingale. „Hij is een mensch
zooals er weinigen zijn heden ten dage;—iemand, die eene hoeve in huur
heeft voor dertig pond ’s jaars, en wien het toch gelukt is een
vijfhonderd pond over te leggen.”
„Zoo! heeft hij u dat wijs gemaakt?” vroeg Allworthy.
„Neen,—het is volkomen waar, dat verzeker ik u,” zei Nightingale, „want
ik heb het geld nu in handen,—vijf banknoten, die ik op hypotheek moet
uitzetten, of ergens in het noorden van het rijk, land daarvoor
koopen.”
Zoodra, op Allworthy’s verzoek, hem de banknoten getoond werden, kon
hij niet genoeg zeggen van die wonderbaarlijke ontdekking. Hij vertelde
den ouden Nightingale dadelijk dat die banknoten in zijn eigen bezit
waren geweest en maakte hem met de heele zaak bekend.
Even als er niemand is die bitterder over oneerlijkheid in handelszaken
klaagt dan straatroovers, spelers en andere dieven van dien aard, zoo
is er niemand die zich heviger uitlaat over de schanddaden der
straatroovers, spelers enz. dan woekeraars, geldmakelaars en andere
dieven van dien aard,—hetzij dan dat de eene wijze van stelen eene
schande, of smet werpt op de andere,—of dat het geld, de afgod van alle
schurken, hen elkaar als mededingers doet beschouwen;—althans zoodra
Nightingale het verhaal gehoord had, uitte hij zich in veel heviger
taal over den schelm, dan zelfs de regtvaardige en eerlijke Allworthy
tegen hem gebezigd had.
Allworthy verzocht Nightingale het geld en het geheim te bewaren tot
hij nader van hem hoorde, en inmiddels, als hij George weder sprak, hem
in het geheel niet te laten merken dat hij ontdekt was.
Daarop keerde hij naar het huis van jufvrouw Miller terug, die hij zeer
bedroefd vond over de treurige berigten, welke zij van haar schoonzoon
verkregen had.
Mijnheer Allworthy vertelde haar met de meeste opgeruimdheid, dat hij
beste tijding medebragt, en zonder veel inleiding, meldde hij haar, dat
hij den ouden heer Nightingale overgehaald had om zijn zoon weder te
zien, en dat hij er niet aan twijfelde, dat hij eene volmaakte
verzoening tusschen beiden tot stand zou weten te brengen, hoewel de
vader nog meer verbitterd was door eene tweede gebeurtenis van
denzelfden aard, die in zijne familie plaats gevonden had. Hij vertelde
haar toen, hoe zich de dochter van den broeder van den ouden heer
Nightingale had laten schaken, wat nog onbekend was aan jufvrouw Miller
en haren schoonzoon.
De lezer zal wel begrijpen dat jufvrouw Miller het goede berigt met
groote dankbaarheid en met niet minder genoegen vernam; maar zoo opregt
was hare vriendschap voor Jones, dat ik haast betwijfelen moet, of de
onrust, waaronder zij om zijnentwil leed, niet meer dan opwoog tegen de
tijding, welke zoo veel bijdragen moest tot haar eigen huisselijk
geluk,—en zelfs of juist deze berigten, die haar aan hare verpligtingen
jegens Jones herinnerden, haar niet evenveel kwelden als behaagden,
terwijl zij in hare dankbaarheid dacht: „Hoe ongelukkig is thans niet
die rampzalige, terwijl wij, die eigenlijk al ons geluk aan hem te
danken hebben, zoo voorspoedig zijn!”
Nadat Allworthy haar een oogenblik den tijd had gelaten om dit alles te
herkaauwen (men vergeve mij het woord), zeide hij haar, dat hij nog
iets mede te deelen had, dat haar denkelijk ook veel genoegen zou doen.
„Ik meen,” zeide hij, „een tamelijk grooten schat ontdekt te hebben,
die toebehoort aan zekeren jongen heer, uw vriend;—hoewel die hem in
zijn tegenwoordigen toestand waarschijnlijk weinig baten zal.”
Deze laatste woorden deden jufvrouw Miller begrijpen wien hij bedoelde,
en zij hernam met een zucht: „Ik hoop toch, mijnheer, dat het zóó
slecht niet met hem staat.”
„Dat hoop ik ook, van ganscher harte,” riep Allworthy; „maar mijn neef
vertelde mij heden morgen dat hij zeer bedroevende berigten vernomen
had.”
„Goede hemel!—mijnheer!” riep zij. „Maar neen! Ik moet zwijgen, hoewel
het zeker zeer zwaar valt, dat te doen als men verneemt—”
„Gij kunt mij alles zeggen wat u goeddunkt, jufvrouw,” hernam
Allworthy. „Gij kent me genoeg, om te weten dat ik tegen niemand
onbillijk wensch te zijn,—en wat dezen jongen betreft, ik verzeker u
dat ik van harte blijde zou zijn te vernemen dat hij zich van alles kon
vrij pleiten,—vooral wat deze zaak aangaat.—Gij zijt zelve getuige
geweest van de liefde, welke ik hem vroeger toedroeg. Ik weet ook wel
dat de menschen het mij kwalijk namen dat ik zooveel van hem hield,—en
ik schonk hem toch mijne genegenheid, tot ik mij verbeeldde gegronde
reden te hebben om hem op te geven. Geloof mij, jufvrouw Miller, ik zou
maar al te blijde zijn als ik kon inzien dat ik mij vergist had.”
Jufvrouw Miller wilde juist met de meeste geestdrift hierop antwoorden,
toen de meid haar kwam zeggen, dat er een mijnheer was, die haar
dadelijk verlangde te spreken. Allworthy vroeg nu naar zijn neef, en
vernam, dat hij al een tijdlang op zijne kamer was, met een heer, die
nog al dikwerf bij hem kwam, en Allworthy, gissende dat het niemand
anders kon zijn dan Dowling, verlangde hem dadelijk te zien.
Zoodra Dowling verscheen, legde hem Allworthy de zaak met de banknoten
uit, zonder echter eenige namen te noemen, en vroeg op welke wijze men
zoo iemand kon doen straffen?
Dowling hernam, dat hij zich verbeeldde dat men hem ten minste wegens
verduistering van gelden zou kunnen vervolgen; „maar,” zeide hij, „daar
het nog al eene ingewikkelde zaak schijnt, zou het beste wezen om
vooraf een advokaat te raadplegen.” Hij vertelde dat hij straks een
advokaat moest spreken over de zaken van den heer Western, en dat, als
mijnheer Allworthy goedvond, hij hem de kwestie zou voorleggen. Dit
werd afgesproken, juist toen jufvrouw Miller in de deur verscheen en
uitriep:
„O, ik vraag verschooning, mijnheer! Ik wist niet dat er iemand bij u
was.”
Waarop Allworthy haar verzocht binnen te komen, daar hij zijne zaken
afgedaan had.
De heer Dowling verwijderde zich weder en jufvrouw Miller bragt thans
den jongen Nightingale binnen, om Allworthy te bedanken voor al zijne
goedheid; maar zij had naauwelijks geduld genoeg om hem te laten
uitspreken, eer zij uitriep:
„O, mijnheer, mijn schoonzoon brengt ons gewigtige tijding van mijnheer
Jones. Hij is bij den gewonden man geweest, die thans buiten gevaar
verkeert en die, wat nog meer is, verklaart dat hij zelf mijnheer Jones
aanviel en hem een slag gaf. Ik weet zeker, mijnheer, dat gij niet
wenschen zoudt dat mijnheer Jones zich als een lafaard gedroeg! Als ik
zelve een man ware, en een ander mij een slag toebragt, weet ik zeker
dat ik van leêr zou trekken! Kom, mijn waarde schoonzoon, vertel alles
zelf aan mijnheer Allworthy!”
Nightingale bevestigde nu al wat jufvrouw Miller verteld had, en
besloot met veel goeds van Jones te zeggen, dien hij hield voor een der
goedaardigste menschen ter wereld, die ook volstrekt niet twistziek
was. Nightingale wilde verder zwijgen, maar jufvrouw Miller smeekte hem
al de liefderijke uitdrukkingen te herhalen, die Jones omtrent mijnheer
Allworthy zoo dikwerf gebezigd had.
„Het zou niet meer dan regtvaardig zijn, als men al wat goed is van
mijnheer Allworthy zeide,” hernam Nightingale, „dus daarin zou weinig
verdienstelijks liggen; maar ik kan betuigen dat geen mensch
dankbaarder kan wezen voor de ontvangene weldaden dan de arme Jones.
Inderdaad, mijnheer, ik ben overtuigd dat de last van uw ongenoegen hem
thans het zwaarste drukt van al zijne rampen. Hij heeft dikwerf jegens
mij daarover geklaagd, en even dikwerf op de plegtigste wijze
verzekerd, dat hij nooit willens en wetens iets tegen u misdaan had.
Ja, hij heeft zelfs gezworen, dat hij liever duizendmaal sterven wilde,
dan dat zijn geweten met ééne oneerbiedige, ondankbare of oproerige
gedachte ten uwen opzigte bezwaard zou zijn. Maar ik vraag vergiffenis,
mijnheer! Ik vrees dat het onbescheiden van mij zou wezen mij met zulk
eene kiesche zaak te bemoeijen.”
„Gij hebt alleen zoo gesproken als een christen-mensch betaamt,” riep
jufvrouw Miller.
„Wezenlijk, mijnheer Nightingale,” hernam Allworthy, „ik moet uwe
edelmoedige vriendschap toejuichen, en ik hoop dat hij ze waardig moge
zijn. Ik beken dat uw berigt van dien ongelukkigen jongen mij genoegen
doet, en als het blijkt dat de zaak zich zoo toegedragen heeft als gij
ze voorstelt (en ik trek uwe woorden volstrekt niet in twijfel), zal ik
welligt op den duur er toe komen om gunstiger over dezen jongeling te
denken dan ik in den laatsten tijd gedaan heb; want deze goede dame en
allen, die mij kennen, kunnen getuigen dat ik hem als een zoon lief
had. Inderdaad, ik beschouwde hem als mijn eigen kind,—door het lot aan
mijne zorgen toevertrouwd. Ik herinner mij nog den onschuldigen
hulpeloozen toestand, waarin ik hem vond. Ik gevoel nog hoe zijne
kleine handen, de mijne omklemden.—Hij was mijn lieveling,—dat was hij,
inderdaad!”
En hier brak hij af met de tranen in de oogen.
Daar het antwoord van jufvrouw Miller welligt tot nieuwe gebeurtenissen
aanleiding zal geven, breken wij hier af, om de merkbare verandering in
de zienswijze van den heer Allworthy en de vermindering zijner
verontwaardiging jegens Jones te verklaren. Ommekeeren van dezen aard,
dat is waar, komen dikwerf voor in geschiedenissen en dramas, om geene
andere reden, dan dat het verhaal of het tooneelstuk ten einde loopt,
en worden dus door het gezag van vele dichters gewettigd;—maar hoewel
wij aanspraak mogen maken op even veel gezag als eenig ander schrijver,
zullen wij zeer weinig gebruik van ons voorregt maken,—zelfs nooit
anders dan door den nood gedwongen, wat, naar wij voorzien, in dit werk
volstrekt niet het geval zal wezen.
De verandering dan in de zienswijze van mijnheer Allworthy was te weeg
gebragt door een brief, dien hij pas van mijnheer Square had ontvangen,
en welken wij den lezer aan het begin van het volgende hoofdstuk zullen
mededeelen.