Terwijl Jones zich nog kwelde met de treurige overdenkingen, waarin wij
hem verdiept lieten, strompelde Partridge in de kamer, bleek als de
dood, met starende blikken, met te berge gerezene haren, en bevende van
top tot teen. Met één woord, hij zag er uit alsof hij een spook had
gezien, of zelf een spook ware.
Jones, hoewel niet zeer vreesachtig, kon niet nalaten, getroffen te
zijn door deze plotselinge verschijning. Hij verbleekte inderdaad zelf
en zijne stem begaf hem haast, toen hij hem vroeg wat er te doen was?
„Ik hoop, mijnheer,” zeide Partridge, „dat gij het mij niet kwalijk
zult nemen;—ik heb ook niet geluisterd;—maar was genoodzaakt in de
kamer hiernaast te blijven. Ik zou wel willen dat ik honderd mijlen ver
was geweest, liever dan vernomen te hebben wat mij nu ter oore is
gekomen!”
„Wel! Wat is er toch?” vroeg Jones.
„Wat er te doen is, mijnheer?” herhaalde Partridge. „Goede hemel! Die
vrouw, die u pas verlaten heeft,—was dat de vrouw, die te Upton bij u
was?”
„Ja, Partridge, dezelfde,” hernam Jones.
„En hebt gij wezenlijk bij die vrouw geslapen?” vroeg hij, met eene
bevende stem.
„Ik vrees, dat hetgeen er tusschen ons gebeurde, geen geheim meer is,”
antwoordde Jones.
„Maar ik smeek u toch, in ’s hemels naam, mijnheer,” hernam Partridge,
„zeg mij toch de waarheid!”
„Gij weet wel dat ik bij haar geslapen heb,” zei Jones.
„Dan zij u de Heere genadig en hebbe Hij barmhartigheid met u,” riep
Partridge; „want, zoo waar ik hier sta, gij hebt bij uwe eigene moeder
geslapen!”
Bij deze woorden ontstelde Jones nog veel meer dan Partridge zelf. Hij
stond dan inderdaad een tijdlang als versteend, terwijl beiden elkaar
sprakeloos aangaapten. Eindelijk echter werd hij weder zijne sprake
meester en vroeg, verward en sidderend: „Hoe!—Wat! Wat zegt gij!?”
„O, mijnheer,” riep Partridge, „ik ben nu te ontsteld om u alles te
vertellen,—maar—hetgeen ik u gezegd heb, is zeker waar.—Die vrouw—die
pas heengegaan is,—zij is zeker uwe moeder! Het was wel ongelukkig voor
u, dat ik haar vroeger,—dien keer,—niet gezien had;—ik had dan alles
kunnen voorkomen! Het moet de Satan zelf geweest zijn, die zulk een
wanbedrijf beraamde!”
„Zal dan het noodlot mij vervolgen tot ik waanzinnig word?” riep Jones.
„Maar, waarom het noodlot aan te klagen? Ik zelf draag de schuld van al
mijne rampen. Al de verschrikkelijke ongelukken, welke mij overkomen,
zijn alleen de gevolgen van mijne eigene dwaasheid en slechtheid!
Hetgeen gij mij vertelt, Partridge, brengt mij tot wanhoop! En is dus
die mevrouw Waters dan—Maar waarom vraag ik dat? Gij kent haar
zeker!—Als gij nog eenige liefde tot mij over hebt,—ja, als gij nog een
zweem van medelijden gevoelt, laat mij u dan smeeken, die ongelukkige
vrouw te gaan halen. O genadige hemel! Bloedschennis!—Mijne eigene
moeder! Waartoe ben ik veroordeeld!”
Hier geraakte hij in eene hevige en woeste vlaag van wanhoop en smart,
waarin Partridge verklaarde hem niet te willen verlaten;—maar
eindelijk, nadat de eerste hevigheid zijner woede uitgeput was,
bedaarde hij een weinig en Partridge onderrigt hebbende, dat hij de
ongelukkige vrouw zou vinden in hetzelfde huis waar zijn gekwetste
tegenstander woonde, zond hij hem weg, om haar te zoeken.
Als de lezer de goedheid wil hebben zich het geheugen op te frisschen
door het tooneel te Upton in het negende boek na te slaan, zal hij
eenigzins verwonderd staan over de vreemde aaneenschakeling van
omstandigheden, welke ongelukkig beletten, dat Partridge en mevrouw
Waters elkaar ontmoetten toen zij den geheelen dag met Jones doorbragt.
Wij mogen opmerken, dat er vele voorbeelden van dezen aard in het
werkelijke leven te vinden zijn, waar de grootste gebeurtenissen door
de schijnbaar nietigste omstandigheden veroorzaakt worden, en in deze
onze geschiedenis zal men meer dan één voorbeeld van dezen aard vinden.
Na een vruchteloos zoeken van eenige uren, keerde Partridge terug,
zonder mevrouw Waters te hebben kunnen aantreffen. Jones, die wanhopig
was over dit uitstel, werd bijna razend toen hij hem dit berigt bragt.
Hij was echter niet lang in dezen toestand geweest toen hij het
volgende schrijven ontving:
„Mijnheer,
Sedert ik u verliet, heb ik een heer gezien, die mij iets omtrent u
medegedeeld heeft, waardoor ik zeer verrast en getroffen ben. Daar
ik echter thans de gelegenheid niet heb om u eene zaak van zoo veel
gewigt uit te leggen, moet gij geduld nemen tot onze volgende
ontmoeting, die plaats zal hebben zoodra ik in de mogelijkheid ben
om bij u te komen. O, mijnheer Jones, weinig dacht ik dien
gelukkigen dag te Upton, welks herinnering waarschijnlijk mijne
geheele toekomst verbitteren zal, aan wien ik zóó veel geluk te
danken had!
„Geloof me steeds met de meeste opregtheid,