WAARUIT BLIJKT HOE GEVAARLIJK EENE DAME WORDT, ALS ZIJ HARE
WELSPREKENDHEID GEBRUIKT OM EENE SLECHTE ZAAK TE BEPLEITEN.
Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam,
behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze
regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der
spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen
getuige behandelt.
„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking
noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen!
Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of
vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het
voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de
liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er
is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den
hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan
over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het
de heer Hooke, die ons vertelt, dat die dames later redelijk goede
echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen
door hare mannen geroofd zijn!
„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den
spot met mij op die wijze!”
„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw
in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook
verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene
wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen
geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne
bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te
dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede
man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen
overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te
voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij
een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen
dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”
Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als
deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze
eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is
het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes
of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.
Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord
opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van
andere hartstogten daarbij in te roepen.
„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren,
dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde
volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht
opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan,
ook zonder advokaat.”
„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de
aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er
nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”
„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den spiegel, „o toch
wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de
helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden
minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en
binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar
zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk
overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”
„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook
moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij,
Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de
mijne zijn!”
„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn
kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week
als mijn neef te begroeten!”
Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen,
verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt
voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend
zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan
het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen,
waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.
Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele
geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.