HOOFDSTUK IV.

WAARUIT BLIJKT HOE GEVAARLIJK EENE DAME WORDT, ALS ZIJ HARE

WELSPREKENDHEID GEBRUIKT OM EENE SLECHTE ZAAK TE BEPLEITEN.

Zoodra Lady Bellaston de bezwaren van den jongen edelman vernam,

behandelde zij ze met dezelfde minachting, waarmede een van die wijze

regtsgeleerden, die zijne praktijk zoekt in het verdedigen der

spitsboeven tegenover het geregt, de gewetensbezwaren van een jeugdigen

getuige behandelt.

„Mijn waarde Lord,” zeide zij, „gij hebt zeker eene hartversterking

noodig. Ik moet bij Lady Edgely zenden om een harer sterkste middelen!

Foei! vat moed! Schrikt gij voor het woord: „geweld gebruiken?” Of

vreest gij—? Nu als het verhaal van Helena iets nieuws ware, zou ik het

voor onnatuurlijk houden;—namelijk, het gedrag van Paris,—niet de

liefde van de dame;—want alle vrouwen houden van een moedigen man. Er

is ook nog een ander verhaal van de Sabijnsche dames,—en ik dank den

hemel dat het eveneens heel oud is. Gij zult welligt verbaasd staan

over mijne belezenheid, Milord; maar, als ik mij niet bedrieg, is het

de heer Hooke, die ons vertelt, dat die dames later redelijk goede

echtgenooten werden. Ik verbeeld me dan, dat weinige mijner vriendinnen

door hare mannen geroofd zijn!

„Kom, kom, waardste Lady Bellaston,” riep hij, „drijf toch niet den

spot met mij op die wijze!”

„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw

in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook

verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene

wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen

geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne

bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te

dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede

man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen

overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te

voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij

een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen

dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”

Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als

deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze

eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is

het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes

of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.

Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord

opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van

andere hartstogten daarbij in te roepen.

„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren,

dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde

volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht

opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan,

ook zonder advokaat.”

„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de

aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er

nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”

„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den spiegel, „o toch

wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de

helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden

minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en

binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar

zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk

overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”

„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook

moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij,

Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de

mijne zijn!”

„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn

kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week

als mijn neef te begroeten!”

Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen,

verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt

voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend

zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan

het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen,

waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.

Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele

geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.

Tom Jones · 第 261 / 340 题