EENE NADERE UITLEGGING VAN HET BERAAMDE PLAN.

Hoewel de lezer reeds lang opgemerkt zal hebben dat Lady Bellaston lid

was (en geen onbeduidend lid) van de groote wereld,—was zij tevens een

zeer gezien lid van „de kleine wereld,” onder welke benaming zeker zeer

waardig en aanzienlijk gezelschap slechts kort geleden in Engeland

bloeide.

Onder de zeer prijzenswaardige grondbeginselen, welke dit gezelschap

voorstond, was er één dat zeer opmerkelijk was; want, even als het

regel was onder zekere club van helden, die bij het einde van den

vorigen oorlog bijeen kwamen, dat elk lid ten minste éénmaal daags

vechten zou, zoo was het bij dit gezelschap aangenomen, dat elk lid

binnen het etmaal ten minste één aardigen leugen vertellen zou, die

door alle broederen en zusteren verspreid moest worden.

Vele dwaze verhalen kwamen in omloop over dit gezelschap, van welke een

zeker aantal, welligt niet zonder grond, als bedenkselen der leden

zelve beschouwd mogen worden. Bij voorbeeld, dat de duivel voorzitter

van het gezelschap was, en dat hij in persoon plaats nam aan het hoofd

van de tafel in een leuningstoel; maar, na naauwkeurig onderzoek gedaan

te hebben, kan ik niet ontdekken, dat er eenige waarheid is in een

enkele van al deze sprookjes, maar wel dat de leden werkelijk uit een

heel goed slag van menschen bestonden, die slechts op de meest

onschuldige wijze jokten, en alleen streefden om vrolijkheid en pret te

verspreiden.

De heer Edwards was ook lid van dit grappige gezelschap. Lady Bellaston

wendde zich dus tot hem, als een geschikt werktuig voor haar doel, en

voorzag hem van een verdichtseltje, dat hij opdisschen moest zoodra de

dame hem een wenk gaf, en dat zou niet geschieden vòòr den avond, als

alle overige gasten, behalve Lord Fellamar, weg waren, en terwijl zij

aan de whisttafel zaten.

Wij zullen ons dan nu verbeelden, dat het oogenblik gekomen

was,—tusschen zeven en acht uur ’s avonds,—toen Lady Bellaston, Lord

Fellamar, mejufvrouw Western en Tom Edwards aan het whisten waren, en

deze den wenk kreeg van Lady Bellaston, onder de laatste partij van de

robber, in deze woorden:

„Wel, Tom, gij zijt werkelijk in den laatsten tijd onverdragelijk

geworden! Vroeger, plagt gij ons al het nieuws uit de stad te

vertellen, en nu schijnt gij niets meer van de wereld te weten dan

iemand, die er niet in leeft.”

Hierop begon de heer Edwards: „De schuld ligt niet aan mij, mevrouw;

maar aan dezen vervelenden tijd, die niets oplevert, waarover het de

moeite waard zou zijn te spreken.—Maar, o ja nu ik er om denk—die arme

kolonel Wilcox,—die arme jongen!—hem is een droevig ongeluk

overkomen!—Gij kent hem zeker, Milord? Iedereen kent hem! Wezenlijk,—ik

beklaag hem van ganscher harte!”

„Maar wat is hem dan overkomen?” vroeg Lady Bellaston.

„O, hij heeft heden morgen iemand in een tweegevecht doodgeschoten:

anders niets!”

Milord, die niet in het geheim was, vroeg ernstig, „wien hij gedood

had?”

Hierop hernam Edwards: „Een jong mensch, dien wij geen van allen

kennen:—een jongen, die pas uit Somerset naar de stad gekomen

was,—zekere Jones,—een bloedverwant van zekeren mijnheer Allworthy,

dien gij, Milord, wel eens hebt hooren noemen.—Ik zag den jongen dood

liggen in een koffijhuis,—op mijn woord, een der schoonste lijken, die

ik ooit gezien heb?”

Sophia, die pas begonnen was met te geven, toen Tom vertelde van het

tweegevecht, hield een oogenblik op, en luisterde oplettend,—want alle

dergelijke verhalen deden haar aan,—maar zoodra hij het einde van zijn

verhaal genaderd was, begon zij weêr te geven,—en na den één drie, den

tweeden zeven en den derden tien kaarten gegeven te hebben, liet zij

eindelijk de overige kaarten vallen en zeeg achterover op haar stoel.

Het gezelschap gedroeg zich zoo als men meestal doet bij dergelijke

gelegenheden. De gewone verwarring volgde, de gewone hulp werd

ingeroepen, en eindelijk kwam Sophia op de gewone wijze bij, en werd

weldra, op haar ernstig smeeken, naar hare kamer gebragt, waar, op

verzoek van Milord, Lady Bellaston haar de waarheid vertelde, en haar

de zaak als eene grap voorstelde welke zij zelve bedacht had, terwijl

zij haar troostte met herhaalde verzekeringen, dat noch Milord noch

Tom, die het verhaal gedaan had, het fijne van de zaak begrepen.

Lord Fellamar had geene verdere bewijzen noodig, om overtuigd te zijn,

dat Lady Bellaston hem niets dan de zuivere waarheid verteld had, en

bij haar terugkeer in de zaal, werd er een plan beraamd tusschen deze

twee adellijke persoonaadjes, dat, hoewel het Milord zoo heel

schandelijk niet scheen (daar hij plegtig beloofde, en zich ook plegtig

voornam, om door een huwelijk der jonge dame alles te vergoeden, in zoo

ver hij dat kon), zeker weinige lezers zonder billijken afschuw zullen

vernemen.

De volgende avond, om zeven uur, werd bepaald voor het noodlottige

doel, en Lady Bellaston nam op zich, dat Sophia alleen zou zijn, als

Milord bij haar toegelaten werd. Het heele huisgezin zou daarnaar

bezorgd worden; de meeste dienstboden zouden uitgezonden worden, en wat

jufvrouw Honour betrof,—die, om alle vermoedens te voorkomen, tot de

komst van Lord Fellamar bij hare meesteresse zou blijven,—Lady

Bellaston zelve zoude haar bezig houden op eene kamer, zoo ver mogelijk

verwijderd van het tooneel van het voorgenomen kwaad, en geheel en al

buiten het bereik van Sophia’s stem.

Alles op deze wijze afgesproken zijnde, nam Milord afscheid, en Milady

begaf zich ter rust, zeer ingenomen zijnde met een plan, aan welks

welslagen zij volstrekt niet twijfelde en dat volkomen beletten zou dat

Sophia in het vervolg eenig beletsel ware voor hare intrigue met

Jones,—vooral daar zij zelve nooit eenige schuld zou dragen; al werd

zelfs de zaak wereldkundig,—wat zij echter hoopte te voorkomen door het

overhaaste huwelijk waartoe, zij zich verbeeldde dat de onteerde Sophia

gemakkelijk over te halen zou zijn,—en waarover alle leden harer

familie zich verheugen zouden.

Maar de andere zamenzweerder was niet zoo gerust in zijn hart;—hij

wankelde steeds in die kwellende onrust, zoo heerlijk door Shakespeare

beschreven:

„Tusschen het bedenken en de uitvoering

Eener wreede misdaad, is de tusschentijd

Als koortsig ijlen, of een nare droom.

De geest des menschen en zijn ligchaamskrachten

Raadplegen zâam;—zijn geheel bestaan is

Gelijk aan een koningrijkje, zwaar geschokt

Door bruischend oproer.—”

Hoewel de hevigheid van zijn hartstogt hem, op het eerste gezigt, het

plan vurig had doen omhelzen, vooral daar het van eene bloedverwante

van de dame kwam,—begon evenwel toen die vriend van het overleg,—het

hoofdkussen,—hem de voorgenomene daad in al hare zwarte kleuren

afgeschilderd had, met al de omstandigheden die haar moesten

vergezellen,—en de gevolgen, welke ze waarschijnlijk zou hebben,—toen,

zeg ik, begon zijn besluit te wankelen, of inderdaad, naar de

tegenovergestelde rigting over te hellen, en na een langen strijd, (die

den geheelen nacht duurde), tusschen eergevoel en hartstogt zegevierde

eindelijk het eerste en hij besloot zijne opwachting bij Lady Bellaston

te maken en van het voornemen af te zien.

Hoewel het heel laat ’s morgens was, lag Lady Bellaston nog te bed en

Sophia zat naast haar, toen de kamenier Lord Fellamar aanmeldde, die

beneden wachtte om haar te spreken. Milady liet hem zeggen, dat als hij

een oogenblik vertoeven wilde, zij hem dadelijk zou spreken; maar

zoodra zij weder alleen waren, begon de arme Sophia hare nicht te

smeeken om de bezoeken van dien „naren Lord,”—zooals zij hem eenigzins

onbillijk noemde,—om harentwil niet aan te moedigen.

„Ik begrijp best wat hij wil,” zeide zij; „want hij maakte mij gisteren

morgen bepaaldelijk het hof; maar, daar ik vast besloten heb nooit zoo

iets van hem te dulden, smeek ik u ons nooit meer alleen te laten en

aan uwe bedienden te bevelen, dat zij steeds niet te huis geven, als

hij naar mij vraagt.”

„Wel, kind!” riep Lady Bellaston, „gij meisjes van het platte land

denkt aan niets anders dan vrijers! Gij verbeeldt u dat ieder man, die

een beleefd woord tegen u spreekt, u het hof maakt! Hij is echter een

der aardigste jonge lieden in de geheele stad en ik ben overtuigd, dat

hij niets anders bedoelde dan een beetje hoffelijkheid. U het hof

maken? Ik wenschte maar van ganscher harte, dat hij het doen wilde, en

gij zoudt dan bepaald waanzinnig moeten wezen om hem te weigeren!”

„Daar ik nu echter zeker zoo waanzinnig zou zijn,” hernam Sophia, „hoop

ik dat zijne bezoeken mij niet opgedrongen zullen worden.”

„Kom kind!” riep Lady Bellaston, „ge behoeft u daaromtrent niet te

verontrusten. Als gij besloten hebt u te laten schaken door dien Jones,

dan weet ik niet wie u dat beletten zoude.”

„Op mijn woord, Milady,” riep Sophia, „gij doet me groot ongelijk aan!

Ik zal me nooit door wien ook laten schaken, en ik zal nooit zonder

toestemming van mijn vader in het huwelijk treden.”

„Nu dan, mejufvrouw Western,” hernam de dame, „als gij heden morgen

geen lust hebt om bezoeken te ontvangen, moet ik u verzoeken naar uwe

eigene kamer te gaan; want ik ben niet bang voor Lord Fellamar en moet

hem op mijne kleedkamer ontvangen.”

Sophia bedankte Lady Bellaston en verwijderde zich, terwijl Lord

Fellamar naar boven gebragt werd.

Tom Jones · 第 260 / 340 题