BEVATTENDE SOMMIGE DINGEN WELKE DEN LEZER AANDOEN EN ANDERE WELKE HEM
WELLIGT VERRASSEN ZULLEN.
De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en
zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het
Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk
gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen
moet.
Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen.
Zij was naauwelijks één minuut in dezen toestand geweest, toen de deur
openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op
toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe
buiging:
„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”
„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins
verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”
„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne
oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer
had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er
niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een
bezoek te wachten van den eigenaar er van.”
Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij
voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik,
waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden
aard hield.
Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk
verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat
geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”
„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep
Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u
zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig
beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne
handelingen.”
„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn
me beide even onverklaarbaar!”
„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door
mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in
den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste
der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart
uitdrukken?”
„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal
aan te hooren!” riep Sophia.
„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten!
Kendet gij slechts de helft mijner martelingen, dan zou uw gevoelig
hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”
Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige
minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot
wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als
hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten
te leggen.”
Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel
moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem
die ze me aanbood, verachten zoude!”
Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand
weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden
neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me,
als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen,
welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken
worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste
wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den
hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet
alleen de mijne wezen!”
„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven,
want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren.
Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de
kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”
„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en
kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.
„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin
bijeen roepen!”
„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb
besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij
ingeeft!”
Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde,
dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston
niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.
Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia
plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten
bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:
„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare
kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is,
en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer,
zeg ik!”
Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde
naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen
vergezeld.
Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn,
dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk!
Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld
had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk
verloren had.
Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders
stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der
rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn
schandelijk voornemen uit te voeren.
De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het
was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne
dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader
riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek
losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt
te hebben.
Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in
staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te
beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia
wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en
verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en
toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.
Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het
hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer
dan gewoonlijk van de borst van zijn overhemd te zien was. Overigens
was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.
Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door
een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit
rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was
letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene
hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op
zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne
vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk
aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en
hem gezegd had:
„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van
eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij
moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter
weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik
zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester
de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw
zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven
op het pad, door den pligt afgebakend.”
De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan
al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij
uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:
„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt,
Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem
hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks
gezien!”
„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij
jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt
om één woord te zeggen!”
„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook
partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor
een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie
bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”
„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant; „ik verzeker u,
mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”
Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den
landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster
besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar
maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden
onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:
„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele
rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet
tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der
grootste partijen in het land is!”
„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat
gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar
verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij
overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”
Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady
Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel
zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen
overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.
„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele
familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe
wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”
„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij
niet lang daarop behoeven te wachten.”
„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve
best!” riep de landjonker.
„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,”
zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit
huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk
een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”
„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik
bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan
sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe
toestemming in het bijzijn uwer nicht!”
„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is
nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”
„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later
geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen
elkaar best als man en vrouw het hof maken!”
Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston
bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van
Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader
partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:
„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch
zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden,
waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik
niet meer bij haar aan te dringen.”
„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt
gij?”
„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige,
wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden
schoonzoon aan te nemen.”
„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou
gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”
„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de
Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben
zulke taal ongewroken te laten.”
„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat
ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit
overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou
leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij
schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”
„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het
bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan
genoeg. Mijnheer, uw onderdanige dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer
van u te groeten!”
Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer
Western toetrad en zeide:
„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij
beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot
vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een
aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen
aannemen zult.”
„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en
nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te
maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik
heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me
maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt
heeft.”
Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts,
waarop de landjonker hernam:
„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t
Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u
goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen,
of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”
Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een
draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om
in eene koets te rijden.
„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer
tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs
wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd
zijt,—dat beloof ik je!”
Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het
hart te breken.
„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als
een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven
duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”
Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals
tusschenbeide kwam, hem smeekende zich tot zachtere maatregelen te
bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den
predikant te zwijgen, met de woorden:
„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt
ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke
beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik
wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed
houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult
hem nemen!”
Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor
den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western
stiet haar op zijde, en zeide:
„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”
„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.
„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te
vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere
dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat
durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je
niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”
Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom
zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij
Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les
te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover
zijne meerderen.
Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter
zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die
goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar
werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe
Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar
mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen
gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen
minnaar.