BEVATTENDE GEHEEL ANDERE ZAKEN DAN WAARVAN SPRAKE IS GEWEEST IN HET
VORIGE HOOFDSTUK.
’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene
langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone
gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven
achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om
aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens
aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van
hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven.
Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke
beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen
sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans
opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven
heeft, onder den naam van vertalingen.
Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten,
en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij
geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want,
integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met
verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te
zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne
beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk
dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij
bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde
hen op dat punt uit te hooren.
Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien
waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren,
welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne
vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady
Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich
willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te
gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen, hetwelk zijne beminde
zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen.
Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader
onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging
zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde
koesteren van ooit te verkrijgen.
Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady
Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen,
hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best
gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef
van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld
hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te
voren.
Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten
kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te
eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er
evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker,
naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te
vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was,
ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke
hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet
voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op
eene geëvenredigde wijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen
beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans
ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding
en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar
nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen,
even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde,
hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de
tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien
zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog,
uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam
is voor den adem der liefde.
Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag, gevoelde hij
van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem
oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt,
waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als
hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor
een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven
ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende
voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den
nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem
verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe
ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te
wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens
hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders
aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn
schuldeischer maken.
Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje
van zijne dame:
„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste
ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om
u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo
mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels,
vaarwel!”
De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot
was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later
werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:
„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig
zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb
thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de
gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga
uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind
dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik
me verbeeld had.
„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me
dan zoolang in de zaal.”
Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met
het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek
van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was
geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne
vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk,
dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene
groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den
schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons
leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen
zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn
eergevoel behield de zege over zijne neigingen.
Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame,
achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te
verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de
onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis
zelf waar hare mededingster verborgen was.
Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot
dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot
de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare
opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare
vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen
geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.
De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed
haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te
vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot
bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te
voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te
stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen
werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te
vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op
dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den
heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of
drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst van het diné
bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de
plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging
aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de
gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.