HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE GEHEEL ANDERE ZAKEN DAN WAARVAN SPRAKE IS GEWEEST IN HET

VORIGE HOOFDSTUK.

’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene

langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone

gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven

achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om

aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens

aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van

hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven.

Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke

beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen

sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans

opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven

heeft, onder den naam van vertalingen.

Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten,

en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij

geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want,

integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met

verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te

zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne

beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk

dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij

bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde

hen op dat punt uit te hooren.

Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien

waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren,

welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne

vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady

Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich

willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te

gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen, hetwelk zijne beminde

zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen.

Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader

onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging

zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde

koesteren van ooit te verkrijgen.

Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady

Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen,

hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best

gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef

van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld

hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te

voren.

Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten

kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te

eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er

evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker,

naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te

vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was,

ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke

hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet

voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op

eene geëvenredigde wijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen

beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans

ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding

en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar

nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen,

even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde,

hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de

tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien

zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog,

uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam

is voor den adem der liefde.

Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag, gevoelde hij

van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem

oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt,

waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als

hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor

een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven

ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende

voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den

nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem

verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe

ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te

wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens

hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders

aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn

schuldeischer maken.

Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje

van zijne dame:

„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste

ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om

u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo

mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels,

vaarwel!”

De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot

was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later

werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:

„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig

zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb

thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de

gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga

uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind

dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik

me verbeeld had.

„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me

dan zoolang in de zaal.”

Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met

het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek

van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was

geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne

vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk,

dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene

groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den

schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons

leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen

zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn

eergevoel behield de zege over zijne neigingen.

Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame,

achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te

verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de

onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis

zelf waar hare mededingster verborgen was.

Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot

dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot

de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare

opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare

vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen

geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.

De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed

haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te

vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot

bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te

voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te

stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen

werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te

vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op

dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den

heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of

drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst van het diné

bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de

plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging

aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de

gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.

Tom Jones · 第 230 / 340 题