EEN HOOFDSTUK DAT, HOE KORT OOK, WELLIGT TRANEN ONTLOKKEN ZAL AAN MENIG
OOG.
De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij
Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij
binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen
beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.
Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de
woorden:
„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe
goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”
De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo
goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende
tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De
stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van
zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder,
met den uitroep:
„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”
„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet
dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een
borreltje?”
„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene
versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd
over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen,
jufvrouw Miller.”
„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”
„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor wien ik veel
hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet
vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den
onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen
als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”
„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja,
ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet
zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen
volhouden.”
„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel
uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik
u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne
mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen
verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de
braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan
dien heer—”
„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen
woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij,
denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de
voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij
gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een
goedkooper genoegen ter wereld geweest!”
„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn
huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot
zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt
mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu
grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een
bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het
u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten
gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken,
mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk
mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten
u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe
weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien
zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd zijn, en dat zij leven om ze te
kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke
gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”
Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te
gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen
vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank
uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en
eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke
goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”
Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij
gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer
gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men
zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon
aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van
zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen
zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te
maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te
genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere
belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik
komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”
Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de
noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn
vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig
mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de
beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij
klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich
bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft
had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke
gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge
regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar
Londen aangevallen werd.
Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te
verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo lang hij bleef, zoo vurig
instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden
van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij
zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des
te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer
streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al
goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo
dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en
zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te
verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.