HOOFDSTUK X.

EEN HOOFDSTUK DAT, HOE KORT OOK, WELLIGT TRANEN ONTLOKKEN ZAL AAN MENIG

OOG.

De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij

Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij

binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen

beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.

Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de

woorden:

„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe

goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”

De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo

goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende

tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De

stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van

zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder,

met den uitroep:

„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”

„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet

dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een

borreltje?”

„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene

versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd

over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen,

jufvrouw Miller.”

„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”

„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor wien ik veel

hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet

vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den

onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen

als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”

„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja,

ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet

zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen

volhouden.”

„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel

uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik

u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne

mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen

verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de

braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan

dien heer—”

„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen

woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij,

denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de

voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij

gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een

goedkooper genoegen ter wereld geweest!”

„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn

huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot

zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt

mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu

grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een

bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het

u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten

gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken,

mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk

mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten

u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe

weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien

zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd zijn, en dat zij leven om ze te

kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke

gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”

Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te

gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen

vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank

uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en

eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke

goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”

Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij

gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer

gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men

zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon

aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van

zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen

zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te

maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te

genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere

belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik

komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”

Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de

noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn

vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig

mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de

beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij

klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich

bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft

had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke

gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge

regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar

Londen aangevallen werd.

Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te

verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo lang hij bleef, zoo vurig

instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden

van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij

zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des

te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer

streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al

goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo

dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en

zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te

verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.

Tom Jones · 第 231 / 340 题