BEVATTENDE EEN TOONEEL VAN ELLENDE, DAT DE MEESTE LEZERS ZEER VREEMD
ZAL TOESCHIJNEN.
Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem
eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan
wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen,
hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige
verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester
strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene
maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was,
niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van
de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te
bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had
aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere
verklaring voor kunnen vinden.
Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de
milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot
tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel
besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen
van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die
christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt),
dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat,
geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.
De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten
gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de
twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur
wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om
eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende
berigt gaf:
„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb
laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op
uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die
nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen”
(met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te
gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O,
Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe
arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar
lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder
gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het
vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene
keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder;
want zij hebben geen tweede in huis. Die arme kleine Tommy! Ik vrees,
Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard
ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly
een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer
Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet
gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend
is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor
hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich
in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”
Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te
gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet
mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:
„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend
goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst,
en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den
wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare
inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder
verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig
wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben
geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is,
zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te
zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet
zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo
mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader,
dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet
laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde
in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen;
want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke
ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man!
Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit
als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel
toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de
kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had
niets aan dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid,
om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden
opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden,
mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien
hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen
stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij
rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt,
dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij
vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat
hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo
noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de
kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten
overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij
geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had
om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed
niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een
huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars
trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven
een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde,
tenzij om elkaar te kwellen?”
„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo
heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”
„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu
staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere
deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne
ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in
vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat
hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het
jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te
gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld
genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”
„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed was bij hen in
huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld
hebt.”
„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om
alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig
geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend.
De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en
ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd
hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt
van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje
niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet
voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”
Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten
einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en
haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden,
verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten
behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te
beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze
woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep:
„Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde
bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik
zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”
„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met
dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer
noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”
Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was,
waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken
zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er
bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme
lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”
Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel
deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die
hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller
ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te
maken voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder,
en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het
ongelukkige huisgezin.
„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer
Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen
proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”
Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder
fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon
als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden
was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was
het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn
duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het
geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de
anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn
geld op zak hield.
In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere
gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te
deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de
milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij
schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard
beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men
ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer
verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen
evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat
wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der
armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te
zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij,
zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke
alles verzuimen.
Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te
verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het
eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder
uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.