HOOFDSTUK VIII.

BEVATTENDE EEN TOONEEL VAN ELLENDE, DAT DE MEESTE LEZERS ZEER VREEMD

ZAL TOESCHIJNEN.

Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem

eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan

wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen,

hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige

verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester

strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene

maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was,

niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van

de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te

bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had

aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere

verklaring voor kunnen vinden.

Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de

milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot

tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel

besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen

van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die

christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt),

dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat,

geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.

De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten

gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de

twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur

wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om

eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende

berigt gaf:

„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb

laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op

uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die

nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen”

(met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te

gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O,

Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe

arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar

lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder

gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het

vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene

keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder;

want zij hebben geen tweede in huis. Die arme kleine Tommy! Ik vrees,

Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard

ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly

een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer

Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet

gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend

is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor

hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich

in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”

Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te

gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet

mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:

„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend

goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst,

en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den

wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare

inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder

verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig

wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben

geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is,

zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te

zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet

zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo

mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader,

dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet

laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde

in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen;

want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke

ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man!

Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit

als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel

toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de

kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had

niets aan dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid,

om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden

opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden,

mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien

hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen

stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij

rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt,

dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij

vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat

hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo

noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de

kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten

overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij

geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had

om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed

niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een

huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars

trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven

een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde,

tenzij om elkaar te kwellen?”

„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo

heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”

„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu

staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere

deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne

ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in

vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat

hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het

jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te

gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld

genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”

„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed was bij hen in

huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld

hebt.”

„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om

alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig

geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend.

De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en

ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd

hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt

van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje

niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet

voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”

Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten

einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en

haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden,

verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten

behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te

beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze

woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep:

„Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde

bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik

zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”

„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met

dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer

noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”

Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was,

waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken

zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er

bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme

lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”

Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel

deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die

hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller

ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te

maken voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder,

en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het

ongelukkige huisgezin.

„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer

Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen

proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”

Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder

fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon

als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden

was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was

het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn

duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het

geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de

anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn

geld op zak hield.

In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere

gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te

deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de

milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij

schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard

beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men

ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer

verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen

evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat

wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der

armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te

zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij,

zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke

alles verzuimen.

Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te

verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het

eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder

uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.

Tom Jones · 第 229 / 340 题