AL DE PRET VAN EENE MASKERADE.

Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de groote arbiter

deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en

even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door

de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene

godheid aanwezig is.

De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder

gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg,

terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij

verder voor u zelven zorgen.”

Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig

was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk

en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen

zijn tegen de droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij

zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met

zijne beminde.

Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord

uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het

onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met

zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre

na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer.

Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen

antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil

niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo

vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij

de geliefde stem vernam.

Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed

was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder

tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat

vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”

Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en

wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te

brengen, als zij zich in de zaal bevond.

De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer

zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij

zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast

haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel

antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige

minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde

te ontdekken.”

„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de

dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u

vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier

is.”

Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de

meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en

toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij

haar zacht te verwijten dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld

had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin der

feeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop

gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het

is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”

De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal

ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend

te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne

nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke

haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker

u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang

te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van

haar verlangt.”

„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij

voor een vijand van Sophia houden kunt!”

„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het

wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men

daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat

niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht,

mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus

slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader

en uwe eigene positie.”

Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van

Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan

hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe

hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten

had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere

vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te

zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen.

Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijne liefde is niet van dien

verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van

haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen

om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”

Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd

der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat

haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat

deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de

genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held

opgevat had.

Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:

„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs

zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij,

„kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig

is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken.

Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in

vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij

niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om

een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten

opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”

Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet

beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de

gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat

ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door

haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als de Feeën-koningin

geen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u

bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”

Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te

knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames

behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde

het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene

tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte

het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven,

daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere

te brengen.

Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen

een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was

eene dier dames, die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden

luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen,

en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”

Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in

druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende,

besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door

hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit

hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar

vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot

de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en

de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.

Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en

zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame

verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij

niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te

uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al

die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”

De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen

dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen,

elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en

geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij

niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen

eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan,

zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de

waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave

bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan

mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik

naar huis ging!”

„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep

Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te

brengen.”

„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld

van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat ik, die u zoo weinig ken, u op

zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder

twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene

andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt

onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaald

rendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke

plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo

plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij

mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam

het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook

heen gaat.”

Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede

overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben,

en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat

zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar

niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij

voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt

niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik

verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”

Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar

streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder

in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om

een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout

achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der

dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen

af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de

dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk

op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op

straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding,

welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.

De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de

huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl

de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.

Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt

verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem

sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak

scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote

verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor

Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als

men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?

Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige

vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe

hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady

Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.

Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets

bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van

twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van

hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de

dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat

te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou

zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens

eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden

zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.

Tom Jones · 第 228 / 340 题