EEN AVONTUUR DAT DE HEER JONES BELEEFDE IN ZIJNE WONING, MET HET EEN EN
ANDER OMTRENT EEN JONGEN HEER, DIE OOK DAAR IN HUIS WAS, EN OOK OMTRENT
DE VROUW DES HUIZES EN HARE BEIDE DOCHTERS.
Den volgenden morgen, zoodra de welvoegelijkheid het toeliet, klopte
Jones weder bij mevrouw Fitzpatrick aan, en kreeg tot antwoord, dat die
dame niet te huis was, wat hem te meer verwonderde, daar hij sedert het
aanbreken van den dag op straat heen en weer geloopen was, en hij haar
had moeten zien als zij uitgegaan ware. Hij moest zich echter met dit
antwoord tevreden stellen, niet slechts nu, maar bij vijf andere
bezoeken, welke hij haar dien dag bragt.
Om den lezer in te lichten, diene dat de edele Lord, om de eene of
andere reden,—misschien om den goeden naam der dame,—er op gestaan had,
dat zij den heer Jones niet meer ontvangen zou, dien hij een „gemeenen
schooijer” noemde en de dame had hem zijn zin gegeven en de belofte
afgelegd, welke wij haar thans zoo standvastig zien houden.
Daar echter de lezer welligt een betere meening heeft omtrent den
jongen heer dan deze dame, en zelfs eenige vrees kan koesteren dat hij
gedurende zijne ongelukkige scheiding van Sophia genoodzaakt was in
eene herberg, of op straat te vertoeven, zullen wij nu het een en ander
mededeelen omtrent zijne woning, welke in een zeer fatsoenlijk huis
was, in eene zeer aanzienlijke buurt.
De heer Jones had namelijk den heer Allworthy dikwerf hooren spreken
van de dame in wier huis hij zijn intrek nam, als hij naar de stad
moest. Deze dame, die, zooals Jones gehoord had, in Bond-street woonde,
was de weduwe van een predikant, en werd bij den dood van haar man in
het bezit gelaten van twee dochters en van een bundel geschreven
preken.
Van deze twee dochters had thans Nancy, de oudste, den leeftijd van
zeventien jaren bereikt, terwijl Betsy, de jongste, tien jaar oud was.
Bij haar had Jones Partridge gevonden, en in dit huis kreeg hij eene
kamer voor zich zelven op de tweede en eene voor Partridge op de vierde
verdieping.
De eerste verdieping werd bewoond door een van die jonge heeren, die
den naam hadden van „voor hun pleizier” te leven;—en niet zonder regt;
want daar men de menschen gewoonlijk rangschikt naar hunne bezigheden,
of beroep, kan men ook verklaren, dat pleizier maken de eenige
bezigheid of beroep was van die heeren, welke door hun vermogen
verheven waren boven alle wettige werkzaamheden. Schouwburgen, koffij-
en wijnhuizen waren de plaatsen waar zij zich vereenigden. Geestigheid
en scherts vermaakten hen in uren van uitspanning, en de liefde was de
bezigheid van meer ernstige oogenblikken. De wijn en de Muzen werkten
zamen om de schitterendste vlammen in hun hart te doen ontbranden:—zij
beperkten zich ook niet slechts tot het bewonderen; maar sommigen waren
zelfs in staat om de schoonheid, welke zij bewonderden, te bezingen, en
allen waren bevoegd om dergelijke uitboezemingen te beoordeelen.
Zoodanig waren dan vroeger de heeren die „voor hun pleizier” leefden;
maar ik twijfel zeer of men even gepast dezelfde benaming zou kunnen
geven aan die jonge heeren uit onze dagen, die dezelfde eerzucht
koesteren van zich te onderscheiden. Van de geestigheid weten zij zeker
niets af. Om hun regt te doen, vliegen zij iets hooger dan hunne
voorgangers, en men zou hen „liefhebbers van wijsheid en kunst” kunnen
noemen.
Dus, op een leeftijd waarop bovengenoemde heeren bezig waren met op
eene schoone vrouw een feestdronk in te stellen, of om sonetten op haar
te maken,—met, in den schouwburg hun oordeel te vellen over een
tooneelstuk,—of bij Will’s of Button een gedicht te
bespreken,—overleggen deze heeren thans hoe zij eene kiezersvereeniging
zullen omkoopen,—bedenken eene redevoering voor het parlement, of
liever eene verhandeling voor de tijdschriften, terwijl de wetenschap
van het spel vooral hunne gedachten bezig houdt. Dit zijn de studiën
van hunne ernstige uren, terwijl zij voor hun vermaak het uitgestrekte
gebied hebben van den kunstliefhebber: schilderijen, muzijk,
beeldhouwkunst, en de natuurlijke, of liever de onnatuurlijke
wijsbegeerte, welke het wonderbaarlijke opdischt, en van de natuur
niets anders kent dan hare monsters en onvolmaaktheden.
Nadat Jones den heelen dag in vergeefsche pogingen had aangewend om
mevrouw Fitzpatrick te zien, keerde hij eindelijk troosteloos naar
zijne kamers terug. Hier, terwijl hij in stilte zijn lot beklaagde,
hoorde hij een hevig geraas beneden aan de trap, en eene vrouwenstem,
die hem om hulp riep en hem smeekte om een moord te komen beletten.
Jones, die nooit eenige gelegenheid verzuimde om de ongelukkigen bij te
staan, vloog dadelijk naar beneden, trad in de voorkamer en zag
voormelden wijzen en kunstminnenden jongen heer, door zijn eigen knecht
vast tegen den muur geklemd, terwijl eene jonge dame die er bij stond,
de handen wrong en uitriep: „Moord! Moord! Hij zal hem vermoorden!” en
inderdaad de arme man scheen gevaar te loopen van gewurgd te worden,
toen Jones tot zijne hulp opdaagde en hem redde juist op het oogenblik
dat hij gereed scheen den adem uit te blazen onder de onbarmhartige
handen van zijn vijand.
Hoewel deze verscheidene trappen en stompen ontvangen had van den
kleinen heer, die meer moed dan kracht bezat, beschouwde de knecht het
toch als eene soort van gewetenszaak om zijn meester te slaan, en zou
zich te vreden gesteld hebben met hem te wurgen; maar koesterde minder
eerbied voor Jones. Zoodra hij zich dan wat ruw aangevallen zag door
dezen nieuwen tegenstander, gaf hij hem een van die stompen in de
ingewanden, welke, ofschoon, zij op het kampvechters-tooneel van den
heer Broughton den toeschouwers oneindig veel genot verschaffen,
slechts weinig genoegen doen aan diegenen, welke ze ontvangen.
De krachtige jongeling had naauwelijks dezen slag ontvangen, of hij gaf
hem met woeker terug, en thans volgde er een strijd tusschen Jones en
den knecht, die woedend maar zeer kort was; want deze kerel was evenmin
bestand tegen Jones, als zijn meester tegen hem bestand was geweest.
En nu had Fortuna, volgens hare gewoonte, de zaken omgekeerd. De vorige
overwinnaar lag ademloos op den grond uitgestrekt, en de overwonnene
heer had adem genoeg gekregen, om den heer Jones voor zijne tijdige
hulp te danken, terwijl hij mede hartelijk bedankt werd door de jonge
dame die aanwezig was, en die niemand anders bleek te zijn dan jufvrouw
Nancy, de oudste dochter des huizes.
De knecht, nu weer opgestaan zijnde, schudde het hoofd tegen Jones en
zeide met een sluwen blik: „Neen verd—! Tegen jou zal ik het niet meer
opnemen! Gij hebt eene goede school doorgemaakt,—of de drommel zal mij
halen!”
En inderdaad, wij mogen hem dit vermoeden te goed houden; want onze
held was zoo vlug en sterk dat hij welligt bestand zou zijn geweest
tegen een boxer van beroep en gemakkelijk al de met den handschoen
gepromoveerden van den heer Broughton zou beschaamd hebben. [16]
De meester nu, schuimbekkende van woede, beval den knecht om dadelijk
de liverei uit te trekken, waartoe deze terstond gereed was, mits hij
zijn loon kreeg. Die voorwaarde werd dadelijk vervuld en daarmede werd
hij ontslagen.
Daarop drong de jonge heer, die Nightingale heette, er sterk op aan dat
zijn bevrijder een glas wijn met hem gebruiken zoude, waarin Jones, na
zich lang te hebben laten smeeken, toestemde; ofschoon eerder uit
beleefdheid dan uit neiging; want zijne ongerustheid maakte hem op dat
oogenblik weinig voor de gezelligheid geschikt.
Mejufvrouw Nancy, het eenige vrouwelijke wezen in huis daar hare moeder
en hare zuster beiden naar de komedie waren gegaan, verwaardigde zich
insgelijks hen met haar gezelschap te vereeren.
Zoodra de flesch en de glazen op tafel stonden, begon de heer
Nightingale de aanleiding tot de pas ontstane rustverstoring uit te
leggen.
„Ik hoop, mijnheer,” zeide hij tot Jones, „dat gij uit hetgeen gebeurd
is, niet besluiten zult dat het mijne gewoonte is om mijne dienstboden
te slaan; want ik kan u verzekeren dat, zoolang ik me herinneren kan,
dit de eerste keer is dat ik me aan zoo iets schuldig heb gemaakt, en
juist dezen kerel had ik vele lastige gebreken vergeven, eer hij mij
zoo ver bragt;—maar, als gij verneemt wat er heden avond gebeurd is,
zult gij denkelijk gelooven dat ik wel te vergeven ben. Bij toeval kwam
ik een uur of wat vroeger dan gewoonlijk te huis, en vond vier heeren
in liverei bezig met whist te spelen bij mijn vuur,—en mijn „Hoyle’s
Whistspeler,” mijnheer,—mijn nieuwen Hoyle, die me een guinje gekost
had, open op tafel, met een glas bier gestort op een der gewigtigste
bladzijden van het boek. Gij zult bekennen dat dit eigenlijk al genoeg
was; maar ik zei niets, tot het lieve gezelschap zich verwijderd had,
toen ik den kerel een zacht verwijt deed, die, in plaats van eenig
leedwezen te betoonen, mij het onbeschofte antwoord gaf, „dat
dienstboden, even goed als andere menschen, hunne genoegens moeten
hebben; dat het hem speet, dat er iets aan het boek gekomen was; maar
dat vele zijner kennissen zoo’n boek voor een shilling gekocht hadden,
en dat ik hem die som van zijn loon korten mogt, als ik dat verkoos.”
Ik verweet hem nu zijn gedrag strenger dan te voren, en de schelm had
toen de onbeschaamdheid om,—met één woord, hij zeide dat ik alleen
vroeger naar huis was gekomen om,—om,—hij drukte zich met de meeste
onbeschaamdheid uit;—hm,—hij zeide iets, met één woord, ten nadeele
dezer jonge dame, dat mij bovenmate vertoornde en mijn geduld uitputte,
en in mijne drift gaf ik hem een slag.”
Jones hernam, „dat hij geloofde dat geen mensch ter wereld hem zoo iets
kwalijk kon nemen; en wat mij betreft,” zeide hij, „zou ik hem, als hij
mij zoo getergd had, ook op dezelfde wijze behandeld hebben.”
Ons gezelschap was nog niet lang bijeen geweest toen het vermeerderd
werd door de moeder en dochter, die van den schouwburg te huis kwamen.
Zij sleten nu allen een zeer aangenamen avond; want allen, behalve
Jones, waren zeer opgeruimd, en zelfs hij deed zijn best om zoo vrolijk
mogelijk te schijnen. Inderdaad, de helft van zijn natuurlijken
levenslust, gevoegd bij zijne groote goedaardigheid, was genoeg om hem
zeer beminnelijk in den omgang te maken, en in weerwil van zijne
droefgeestigheid, maakte hij zich nu zoo aangenaam dat, toen zij
scheidden, de jonge heer ernstig smeekte om nader kennis met hem te
mogen maken. Jufvrouw Nancy was ook zeer met hem ingenomen, en de
weduwe, geheel bekoord door den nieuwen huisgenoot, noodigde hem, met
den andere, den volgenden morgen op het ontbijt.
Jones was, van zijn kant, niet minder voldaan. Wat jufvrouw Nancy
betreft, hoewel een heel klein ding, was zij zeer mooi, en de weduwe
prijkte met al de bekoorlijkheden, welke eene vrouw van bijna
vijftigjarigen leeftijd versieren kunnen. Zij was ook tevens een der
onschuldigste en meest opgeruimde wezens ter wereld. Zij dacht, noch
sprak, noch begeerde iets kwaads, en was bezield met dien gestadigen
wensch om te behagen,—die in zoo ver de gelukkigste aller wenschen is,
dat hij zelden,—zoo hij niet door gemaaktheid, verijdeld wordt,—zijn
doel mist. Met één woord hoewel, er slechts weinig in hare magt was,
bleef zij in haar hart steeds eene zeer getrouwe vriendin. Zij was eene
uiterst liefderijke echtgenoote geweest, en was thans ook eene zorgzame
en teedere moeder.
Daar onze geschiedenis geene courant is, die luide den roem verkondigt
van menschen van welke men vroeger nooit iets gehoord heeft en van wie
men nooit verder iets vernemen zal, moet de lezer inzien dat deze
uitstekende vrouw later blijken zal eene belangrijke rol te spelen in
ons verhaal.
Jones was ook niet weinig ingenomen met den jongen heer, die hem op een
glas wijn verzocht had. Hij dacht dat hij veel gezond verstand bij hem
ontdekt had, hoewel het een weinig bedorven was door de kwasterigheid
der hoofdstad; maar hetgeen hem het meest aan Jones aanbeval, waren
eenige zeer edelmoedige en menschlievende gevoelens, die hij zich
tusschenbeide liet ontvallen, en vooral vele uitdrukkingen omtrent het
in acht nemen der grootste onbaatzuchtigheid in alle liefdezaken. Over
dit onderwerp drukte zich de jonge heer uit in eene taal die een
Arkadischen herder uit den ouden tijd zich niet zou hebben behoeven te
schamen, en welke zeer verwonderlijk scheen als men ze hoorde vloeijen
van de lippen van een hedendaagschen man van de wereld;—maar dit
laatste was hij alleen uit navolgingszucht;—de natuur had hem tot iets
veel beters bestemd.