HOOFDSTUK V.

EEN AVONTUUR DAT DE HEER JONES BELEEFDE IN ZIJNE WONING, MET HET EEN EN

ANDER OMTRENT EEN JONGEN HEER, DIE OOK DAAR IN HUIS WAS, EN OOK OMTRENT

DE VROUW DES HUIZES EN HARE BEIDE DOCHTERS.

Den volgenden morgen, zoodra de welvoegelijkheid het toeliet, klopte

Jones weder bij mevrouw Fitzpatrick aan, en kreeg tot antwoord, dat die

dame niet te huis was, wat hem te meer verwonderde, daar hij sedert het

aanbreken van den dag op straat heen en weer geloopen was, en hij haar

had moeten zien als zij uitgegaan ware. Hij moest zich echter met dit

antwoord tevreden stellen, niet slechts nu, maar bij vijf andere

bezoeken, welke hij haar dien dag bragt.

Om den lezer in te lichten, diene dat de edele Lord, om de eene of

andere reden,—misschien om den goeden naam der dame,—er op gestaan had,

dat zij den heer Jones niet meer ontvangen zou, dien hij een „gemeenen

schooijer” noemde en de dame had hem zijn zin gegeven en de belofte

afgelegd, welke wij haar thans zoo standvastig zien houden.

Daar echter de lezer welligt een betere meening heeft omtrent den

jongen heer dan deze dame, en zelfs eenige vrees kan koesteren dat hij

gedurende zijne ongelukkige scheiding van Sophia genoodzaakt was in

eene herberg, of op straat te vertoeven, zullen wij nu het een en ander

mededeelen omtrent zijne woning, welke in een zeer fatsoenlijk huis

was, in eene zeer aanzienlijke buurt.

De heer Jones had namelijk den heer Allworthy dikwerf hooren spreken

van de dame in wier huis hij zijn intrek nam, als hij naar de stad

moest. Deze dame, die, zooals Jones gehoord had, in Bond-street woonde,

was de weduwe van een predikant, en werd bij den dood van haar man in

het bezit gelaten van twee dochters en van een bundel geschreven

preken.

Van deze twee dochters had thans Nancy, de oudste, den leeftijd van

zeventien jaren bereikt, terwijl Betsy, de jongste, tien jaar oud was.

Bij haar had Jones Partridge gevonden, en in dit huis kreeg hij eene

kamer voor zich zelven op de tweede en eene voor Partridge op de vierde

verdieping.

De eerste verdieping werd bewoond door een van die jonge heeren, die

den naam hadden van „voor hun pleizier” te leven;—en niet zonder regt;

want daar men de menschen gewoonlijk rangschikt naar hunne bezigheden,

of beroep, kan men ook verklaren, dat pleizier maken de eenige

bezigheid of beroep was van die heeren, welke door hun vermogen

verheven waren boven alle wettige werkzaamheden. Schouwburgen, koffij-

en wijnhuizen waren de plaatsen waar zij zich vereenigden. Geestigheid

en scherts vermaakten hen in uren van uitspanning, en de liefde was de

bezigheid van meer ernstige oogenblikken. De wijn en de Muzen werkten

zamen om de schitterendste vlammen in hun hart te doen ontbranden:—zij

beperkten zich ook niet slechts tot het bewonderen; maar sommigen waren

zelfs in staat om de schoonheid, welke zij bewonderden, te bezingen, en

allen waren bevoegd om dergelijke uitboezemingen te beoordeelen.

Zoodanig waren dan vroeger de heeren die „voor hun pleizier” leefden;

maar ik twijfel zeer of men even gepast dezelfde benaming zou kunnen

geven aan die jonge heeren uit onze dagen, die dezelfde eerzucht

koesteren van zich te onderscheiden. Van de geestigheid weten zij zeker

niets af. Om hun regt te doen, vliegen zij iets hooger dan hunne

voorgangers, en men zou hen „liefhebbers van wijsheid en kunst” kunnen

noemen.

Dus, op een leeftijd waarop bovengenoemde heeren bezig waren met op

eene schoone vrouw een feestdronk in te stellen, of om sonetten op haar

te maken,—met, in den schouwburg hun oordeel te vellen over een

tooneelstuk,—of bij Will’s of Button een gedicht te

bespreken,—overleggen deze heeren thans hoe zij eene kiezersvereeniging

zullen omkoopen,—bedenken eene redevoering voor het parlement, of

liever eene verhandeling voor de tijdschriften, terwijl de wetenschap

van het spel vooral hunne gedachten bezig houdt. Dit zijn de studiën

van hunne ernstige uren, terwijl zij voor hun vermaak het uitgestrekte

gebied hebben van den kunstliefhebber: schilderijen, muzijk,

beeldhouwkunst, en de natuurlijke, of liever de onnatuurlijke

wijsbegeerte, welke het wonderbaarlijke opdischt, en van de natuur

niets anders kent dan hare monsters en onvolmaaktheden.

Nadat Jones den heelen dag in vergeefsche pogingen had aangewend om

mevrouw Fitzpatrick te zien, keerde hij eindelijk troosteloos naar

zijne kamers terug. Hier, terwijl hij in stilte zijn lot beklaagde,

hoorde hij een hevig geraas beneden aan de trap, en eene vrouwenstem,

die hem om hulp riep en hem smeekte om een moord te komen beletten.

Jones, die nooit eenige gelegenheid verzuimde om de ongelukkigen bij te

staan, vloog dadelijk naar beneden, trad in de voorkamer en zag

voormelden wijzen en kunstminnenden jongen heer, door zijn eigen knecht

vast tegen den muur geklemd, terwijl eene jonge dame die er bij stond,

de handen wrong en uitriep: „Moord! Moord! Hij zal hem vermoorden!” en

inderdaad de arme man scheen gevaar te loopen van gewurgd te worden,

toen Jones tot zijne hulp opdaagde en hem redde juist op het oogenblik

dat hij gereed scheen den adem uit te blazen onder de onbarmhartige

handen van zijn vijand.

Hoewel deze verscheidene trappen en stompen ontvangen had van den

kleinen heer, die meer moed dan kracht bezat, beschouwde de knecht het

toch als eene soort van gewetenszaak om zijn meester te slaan, en zou

zich te vreden gesteld hebben met hem te wurgen; maar koesterde minder

eerbied voor Jones. Zoodra hij zich dan wat ruw aangevallen zag door

dezen nieuwen tegenstander, gaf hij hem een van die stompen in de

ingewanden, welke, ofschoon, zij op het kampvechters-tooneel van den

heer Broughton den toeschouwers oneindig veel genot verschaffen,

slechts weinig genoegen doen aan diegenen, welke ze ontvangen.

De krachtige jongeling had naauwelijks dezen slag ontvangen, of hij gaf

hem met woeker terug, en thans volgde er een strijd tusschen Jones en

den knecht, die woedend maar zeer kort was; want deze kerel was evenmin

bestand tegen Jones, als zijn meester tegen hem bestand was geweest.

En nu had Fortuna, volgens hare gewoonte, de zaken omgekeerd. De vorige

overwinnaar lag ademloos op den grond uitgestrekt, en de overwonnene

heer had adem genoeg gekregen, om den heer Jones voor zijne tijdige

hulp te danken, terwijl hij mede hartelijk bedankt werd door de jonge

dame die aanwezig was, en die niemand anders bleek te zijn dan jufvrouw

Nancy, de oudste dochter des huizes.

De knecht, nu weer opgestaan zijnde, schudde het hoofd tegen Jones en

zeide met een sluwen blik: „Neen verd—! Tegen jou zal ik het niet meer

opnemen! Gij hebt eene goede school doorgemaakt,—of de drommel zal mij

halen!”

En inderdaad, wij mogen hem dit vermoeden te goed houden; want onze

held was zoo vlug en sterk dat hij welligt bestand zou zijn geweest

tegen een boxer van beroep en gemakkelijk al de met den handschoen

gepromoveerden van den heer Broughton zou beschaamd hebben. [16]

De meester nu, schuimbekkende van woede, beval den knecht om dadelijk

de liverei uit te trekken, waartoe deze terstond gereed was, mits hij

zijn loon kreeg. Die voorwaarde werd dadelijk vervuld en daarmede werd

hij ontslagen.

Daarop drong de jonge heer, die Nightingale heette, er sterk op aan dat

zijn bevrijder een glas wijn met hem gebruiken zoude, waarin Jones, na

zich lang te hebben laten smeeken, toestemde; ofschoon eerder uit

beleefdheid dan uit neiging; want zijne ongerustheid maakte hem op dat

oogenblik weinig voor de gezelligheid geschikt.

Mejufvrouw Nancy, het eenige vrouwelijke wezen in huis daar hare moeder

en hare zuster beiden naar de komedie waren gegaan, verwaardigde zich

insgelijks hen met haar gezelschap te vereeren.

Zoodra de flesch en de glazen op tafel stonden, begon de heer

Nightingale de aanleiding tot de pas ontstane rustverstoring uit te

leggen.

„Ik hoop, mijnheer,” zeide hij tot Jones, „dat gij uit hetgeen gebeurd

is, niet besluiten zult dat het mijne gewoonte is om mijne dienstboden

te slaan; want ik kan u verzekeren dat, zoolang ik me herinneren kan,

dit de eerste keer is dat ik me aan zoo iets schuldig heb gemaakt, en

juist dezen kerel had ik vele lastige gebreken vergeven, eer hij mij

zoo ver bragt;—maar, als gij verneemt wat er heden avond gebeurd is,

zult gij denkelijk gelooven dat ik wel te vergeven ben. Bij toeval kwam

ik een uur of wat vroeger dan gewoonlijk te huis, en vond vier heeren

in liverei bezig met whist te spelen bij mijn vuur,—en mijn „Hoyle’s

Whistspeler,” mijnheer,—mijn nieuwen Hoyle, die me een guinje gekost

had, open op tafel, met een glas bier gestort op een der gewigtigste

bladzijden van het boek. Gij zult bekennen dat dit eigenlijk al genoeg

was; maar ik zei niets, tot het lieve gezelschap zich verwijderd had,

toen ik den kerel een zacht verwijt deed, die, in plaats van eenig

leedwezen te betoonen, mij het onbeschofte antwoord gaf, „dat

dienstboden, even goed als andere menschen, hunne genoegens moeten

hebben; dat het hem speet, dat er iets aan het boek gekomen was; maar

dat vele zijner kennissen zoo’n boek voor een shilling gekocht hadden,

en dat ik hem die som van zijn loon korten mogt, als ik dat verkoos.”

Ik verweet hem nu zijn gedrag strenger dan te voren, en de schelm had

toen de onbeschaamdheid om,—met één woord, hij zeide dat ik alleen

vroeger naar huis was gekomen om,—om,—hij drukte zich met de meeste

onbeschaamdheid uit;—hm,—hij zeide iets, met één woord, ten nadeele

dezer jonge dame, dat mij bovenmate vertoornde en mijn geduld uitputte,

en in mijne drift gaf ik hem een slag.”

Jones hernam, „dat hij geloofde dat geen mensch ter wereld hem zoo iets

kwalijk kon nemen; en wat mij betreft,” zeide hij, „zou ik hem, als hij

mij zoo getergd had, ook op dezelfde wijze behandeld hebben.”

Ons gezelschap was nog niet lang bijeen geweest toen het vermeerderd

werd door de moeder en dochter, die van den schouwburg te huis kwamen.

Zij sleten nu allen een zeer aangenamen avond; want allen, behalve

Jones, waren zeer opgeruimd, en zelfs hij deed zijn best om zoo vrolijk

mogelijk te schijnen. Inderdaad, de helft van zijn natuurlijken

levenslust, gevoegd bij zijne groote goedaardigheid, was genoeg om hem

zeer beminnelijk in den omgang te maken, en in weerwil van zijne

droefgeestigheid, maakte hij zich nu zoo aangenaam dat, toen zij

scheidden, de jonge heer ernstig smeekte om nader kennis met hem te

mogen maken. Jufvrouw Nancy was ook zeer met hem ingenomen, en de

weduwe, geheel bekoord door den nieuwen huisgenoot, noodigde hem, met

den andere, den volgenden morgen op het ontbijt.

Jones was, van zijn kant, niet minder voldaan. Wat jufvrouw Nancy

betreft, hoewel een heel klein ding, was zij zeer mooi, en de weduwe

prijkte met al de bekoorlijkheden, welke eene vrouw van bijna

vijftigjarigen leeftijd versieren kunnen. Zij was ook tevens een der

onschuldigste en meest opgeruimde wezens ter wereld. Zij dacht, noch

sprak, noch begeerde iets kwaads, en was bezield met dien gestadigen

wensch om te behagen,—die in zoo ver de gelukkigste aller wenschen is,

dat hij zelden,—zoo hij niet door gemaaktheid, verijdeld wordt,—zijn

doel mist. Met één woord hoewel, er slechts weinig in hare magt was,

bleef zij in haar hart steeds eene zeer getrouwe vriendin. Zij was eene

uiterst liefderijke echtgenoote geweest, en was thans ook eene zorgzame

en teedere moeder.

Daar onze geschiedenis geene courant is, die luide den roem verkondigt

van menschen van welke men vroeger nooit iets gehoord heeft en van wie

men nooit verder iets vernemen zal, moet de lezer inzien dat deze

uitstekende vrouw later blijken zal eene belangrijke rol te spelen in

ons verhaal.

Jones was ook niet weinig ingenomen met den jongen heer, die hem op een

glas wijn verzocht had. Hij dacht dat hij veel gezond verstand bij hem

ontdekt had, hoewel het een weinig bedorven was door de kwasterigheid

der hoofdstad; maar hetgeen hem het meest aan Jones aanbeval, waren

eenige zeer edelmoedige en menschlievende gevoelens, die hij zich

tusschenbeide liet ontvallen, en vooral vele uitdrukkingen omtrent het

in acht nemen der grootste onbaatzuchtigheid in alle liefdezaken. Over

dit onderwerp drukte zich de jonge heer uit in eene taal die een

Arkadischen herder uit den ouden tijd zich niet zou hebben behoeven te

schamen, en welke zeer verwonderlijk scheen als men ze hoorde vloeijen

van de lippen van een hedendaagschen man van de wereld;—maar dit

laatste was hij alleen uit navolgingszucht;—de natuur had hem tot iets

veel beters bestemd.

Tom Jones · 第 225 / 340 题