De heer Jones was in het gezigt van zekere deur op en neer blijven
wandelen, den heelen dag,—die hoewel een der kortste van het jaar, hem
een der langste toescheen. Eindelijk sloeg echter de klok vijf uur en
hij begaf zich bij mevrouw Fitzpatrick, die, ofschoon het een goed uur
te vroeg was voor een fatsoenlijk bezoek, hem uiterst vriendelijk
ontving, maar steeds volhield dat zij niets van Sophia wist.
Jones, steeds vragende naar zijn engel, had zich het woord „uwe nicht”
laten ontvallen, waarop mevrouw Fitzpatrick zeide: „Ge weet dus,
mijnheer, dat wij verwanten zijn, en in dat geval zult gij mij het regt
toekennen van te vragen, welke bijzondere zaken gij met mijne nicht
hebt?”
Jones aarzelde een tijdlang en antwoordde eindelijk, „dat hij eene
aanzienlijke som gelds had, welke haar toebehoorde, en die hij
verlangde haar in handen te geven.”
Daarop haalde hij het zakboekje te voorschijn, maakte mevrouw
Fitzpatrick met den inhoud er van bekend, en hoe het in zijn bezit was
gekomen. Hij had naauwelijks zijn verhaal geëindigd toen het geheele
huis dreunde van een geweldig rumoer. Het zou onnoodig wezen dit geraas
te beschrijven voor diegenen die het eens gehoord hebben, en het zou te
vergeefs zijn er een begrip van te willen geven aan iemand, die het
nooit vernomen heeft; want men kan met waarheid zeggen:
„———Non acuta
Sicgeminant Corybantes aera.”
„Niet aldus rammelen de priesters van Cybele met het weergalmende
koper.”
Met één woord,—een knecht klopte, of liever, donderde aan de huisdeur.
Jones, die nooit dat geluid vroeger gehoord had, schrikte een weinig;
maar mevrouw Fitzpatrick zeide heel bedaard, dat het zeker bezoek was,
dat zij hem dus nu niets meer zeggen kon; maar dat als hij de goedheid
wilde hebben te wachten tot de menschen weêr weg waren, zij hem welligt
iets mede te deelen zou hebben.
De kamerdeur vloog nu open, en den hoepelrok zijwaarts vóór zich uit
schuivende, trad Lady Bellaston binnen, die eerst eene diepe neiging
maakte voor mevrouw Fitzpatrick,—even diep boog voor den heer Jones en
daarop naar het boveneinde van het vertrek geleid werd.
Wij vermelden deze kleine bijzonderheden om den wille van eenige
buiten-dames die wij kennen, en die van meening zijn dat de
welvoegelijkheid verbiedt dat zij de knie buigen voor eenig man.
Het gezelschap had echter naauwelijks plaats genomen, toen de aankomst
van den reeds vroeger vermelden Pair eene nieuwe stoornis veroorzaakte
en eene herhaling van alle pligtplegingen.
Zoodra dit eindelijk afgeloopen was, begon het gesprek (zoo als men het
heet), zeer schitterend te worden. Daar er echter niets in voorkwam,
dat òf op zich zelf, òf voor deze geschiedenis eenigzins belangrijk
was, zal ik het niet opteekenen; te meer, daar ik heel vele deftige
gesprekken ken, die verbazend vervelend zijn als men ze in boeken
overschrijft, of op het tooneel herhaalt. Inderdaad, is dit feest van
het vernuft eene lekkernij, welke even vreemd moet blijven aan diegenen
welke uitgesloten zijn van de groote wereld, als de talrijke
lekkernijen der Fransche keukens, welke alleen op de tafels der groote
lui gevonden worden. En, om de waarheid te zeggen, daar ze geen van
allen met ieders smaak overeenkomen, zouden ze dikwerf aan het gemeen
slechts verspild zijn.
De arme Jones was eerder een toeschouwer dan een deelgenoot van dit
sierlijk tooneel; want ofschoon in den korten tusschentijd vóór het
verschijnen van den Pair, eerst Lady Bellaston en later mevrouw
Fitzpatrick eenige woorden tot hem gerigt hadden, was naauwelijks de
edele Lord binnen gekomen, of hij boeide de geheele oplettendheid der
beide dames, en daar hij niet meer notitie van Jones nam, dan alsof zoo
iemand niet bestond,—tenzij door hem tusschenbeide aan te
gapen,—volgden de dames ook zijn voorbeeld.
De bezoekers bleven zoo lang dat mevrouw Fitzpatrick duidelijk inzag,
dat zij het er op toelegden wie het langste zou blijven. Zij besloot
dus zich van Jones te verlossen, daar hij de bezoeker was, jegens wien
zij de minste pligtplegingen meende te moeten maken. Dus, eene
oogenblikkelijke stilte in het gebabbel waarnemende, wendde zij zich
zeer deftig tot hem en zeide:
„Mijnheer, het is me onmogelijk u omtrent uwe zaken heden avond
antwoord te geven; maar als gij zoo goed wilt wezen te laten weten waar
gij woont, zal ik u morgen welligt eene boodschap doen geworden.”
Jones was van nature, maar niet kunstmatig beleefd;—in plaats dus van
het geheim van zijn verblijf aan een knecht toe te vertrouwen, maakte
hij de dame zelve heel naauwkeurig daarmede bekend en vertrok spoedig
daarop na de behoorlijke pligtplegingen.
Naauwelijks was hij weg, of de groote man, die geen acht op hem
geslagen had zoo lang hij aanwezig was, schonk hem zijne bijzondere
aandacht in zijne afwezigheid; maar als de lezer het ons vergeven heeft
dat wij het meer schitterende gedeelte van het gesprek verzwegen
hebben, zal hij het ons zeker te goed houden als wij de herhaling van
hetgeen men gemeene scheldwoorden noemen kan, verzuimen;—hoewel het
misschien van belang is voor ons verhaal te melden, dat Lady Bellaston,
weinige minuten nadat Jones wegging, bij haar vertrek, tot mevrouw
Fitzpatrick zeide: „Ik ben geheel gerust gesteld omtrent mijne arme
nicht;—met zoo’n mensch zal zij geen gevaar loopen!”
Onze geschiedenis zal het voorbeeld van Lady Bellaston volgen en
afscheid nemen van het overige gezelschap, dat thans tot op twee
personen verminderd was, tusschen wie er niets gebeurde, dat in het
minst den lezer aangaat,—zoodat wij ons daardoor niet zullen laten
afleiden van andere zaken, die van meerder gewigt moeten schijnen aan
al diegenen die eenige belangstelling gevoelen in onzen held.