HETGEEN ER GEBEURDE TERWIJL HET GEZELSCHAP BIJ HET ONTBIJT ZAT, MET
EENIGE WENKEN OMTRENT DE OPVOEDING VAN DOCHTERS.
Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk
gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones
was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat
mevrouw Fitzpatrick plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte
te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn
gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne
pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige
ontroering.
Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer
Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en
onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde
mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen
gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo
als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar
als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts
ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken
had, juist het diepste gevoelde.”
Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten
zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf
haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een
zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een
dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen
avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.
„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat
opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat
scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al
uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde
haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen
tien woorden gesproken!”
Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene
dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een
kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de
man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.
Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er
eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid
volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden
de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy
gedaan werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de
inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene
maskerade.
Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje
bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte
eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van
denken moest.”
Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich
in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak,
mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester
hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene
of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal
te ontmoeten.”
Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te
streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den
heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino
op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:
„Aan den heer Jones.
„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,
Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”
Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den
heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om
dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de
eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn,
begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat
hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar
weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in
weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien,
zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij
(van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze
wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene
meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er
uit zulk eene verrassende en vreemde gebeurtenis niets zekers op te
maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest
hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard
zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding
en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting
met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.
Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door
u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en
gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo
vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te
stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate,
buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen,
gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke
wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die
welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk
zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de
voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg
brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld
worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus
niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich
verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de
jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden,
gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al
de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.
De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan,
en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd
bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare
moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.
Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in
een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden
alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor
jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best
hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”
„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering
schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”
„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het
arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit
het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een
fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat
zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan
dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes
zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar
eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens
hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene
rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal
trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik
verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik,
is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel
herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het
haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij
bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”
Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring
van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet
openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare
teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de
veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe
dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan
werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond
had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.
De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen
werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een
wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te
maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne
kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”
Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin
zich soms jonge heeren bevinden van veel betere positie dan hij. Met
één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude
wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die
in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White
bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen
zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij
aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.
Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd
leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas
vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet
minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de
mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook
sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er
velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in
dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling
in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in
staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te
streelen, of de violine om den neus te vergasten.
In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet
had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en
waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne
weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de
avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.
Partridge ontdekte dit door intuïtie, en nam de gelegenheid waar om
eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze
met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te
spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.
„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger
voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te
gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet
weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij
naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten
heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten en
moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u
niets anders aanbieden kan.”
Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die
onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid
telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood
verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis
terugkeeren zou.
„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe
is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet,
mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven.
Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen
staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat
gij weer naar huis moet gaan!”
„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te
huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop
koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan,
ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen
ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om
hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven
gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me
nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som
gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was
het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af,
om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””
Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van
verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn
spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde
volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde
met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het
toch gebleven was?
Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig
met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene
boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem
op de kamer te komen.
Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer
Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene
verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner
lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke
lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij
het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of
twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen
zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond.
Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat
hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als
hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou
uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten
tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de
banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis
zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.