HOOFDSTUK VI.

HETGEEN ER GEBEURDE TERWIJL HET GEZELSCHAP BIJ HET ONTBIJT ZAT, MET

EENIGE WENKEN OMTRENT DE OPVOEDING VAN DOCHTERS.

Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk

gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones

was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat

mevrouw Fitzpatrick plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte

te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn

gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne

pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige

ontroering.

Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer

Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en

onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde

mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen

gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo

als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar

als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts

ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken

had, juist het diepste gevoelde.”

Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten

zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf

haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een

zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een

dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen

avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.

„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat

opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat

scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al

uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde

haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen

tien woorden gesproken!”

Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene

dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een

kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de

man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.

Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er

eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid

volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden

de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy

gedaan werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de

inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene

maskerade.

Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje

bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte

eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van

denken moest.”

Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich

in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak,

mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester

hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene

of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal

te ontmoeten.”

Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te

streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den

heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino

op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:

„Aan den heer Jones.

„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt,

Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”

Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den

heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om

dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de

eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn,

begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat

hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar

weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in

weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien,

zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij

(van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze

wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene

meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er

uit zulk eene verrassende en vreemde gebeurtenis niets zekers op te

maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest

hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard

zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding

en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting

met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.

Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door

u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en

gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo

vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te

stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate,

buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen,

gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke

wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die

welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk

zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de

voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg

brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld

worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus

niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich

verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de

jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden,

gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al

de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.

De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan,

en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd

bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare

moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.

Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in

een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden

alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor

jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best

hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”

„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering

schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”

„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het

arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit

het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een

fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat

zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan

dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes

zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar

eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens

hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene

rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal

trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik

verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik,

is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel

herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het

haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij

bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”

Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring

van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet

openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare

teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de

veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe

dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan

werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond

had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.

De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen

werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een

wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te

maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne

kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”

Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin

zich soms jonge heeren bevinden van veel betere positie dan hij. Met

één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude

wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die

in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White

bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen

zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij

aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.

Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd

leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas

vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet

minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de

mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook

sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er

velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in

dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling

in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in

staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te

streelen, of de violine om den neus te vergasten.

In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet

had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en

waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne

weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de

avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.

Partridge ontdekte dit door intuïtie, en nam de gelegenheid waar om

eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze

met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te

spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.

„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger

voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te

gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet

weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij

naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten

heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten en

moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u

niets anders aanbieden kan.”

Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die

onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid

telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood

verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis

terugkeeren zou.

„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe

is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet,

mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven.

Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen

staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat

gij weer naar huis moet gaan!”

„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te

huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop

koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan,

ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen

ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om

hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven

gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me

nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som

gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was

het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af,

om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””

Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van

verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn

spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde

volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde

met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het

toch gebleven was?

Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig

met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene

boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem

op de kamer te komen.

Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer

Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene

verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner

lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke

lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij

het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of

twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen

zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond.

Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat

hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als

hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou

uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten

tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de

banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis

zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.

Tom Jones · 第 226 / 340 题