DE ONGELUKKEN WELKE DEN HEER JONES TROFFEN OP ZIJNE REIS NAAR COVENTRY,
MET DE OPMERKINGEN VAN PARTRIDGE.
Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas
verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge,
noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk
voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke
aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.
Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide
kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na
een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij
de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar
geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.
Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids hield vol dat
dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd
wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer
waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds
gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf
plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste
van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede
een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even
gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te
verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het
geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van
het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg
waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige,
huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.
Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd
heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen
van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des
nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben
op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te
geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een
zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal
voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de
verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt
zullen wezen mede te deelen.
Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald
waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van
den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk
was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander
gevoelen.
Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene
of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien,
in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan
Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid
gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel berouwen kon dat
niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen
en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige
menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare
magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het
dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien
heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en
als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene
kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens
dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen
gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen
sparen.”
Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu
waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te
glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw
ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders
dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel
ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.
Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val
als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones,
bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks
van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid,
voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening.
Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar
verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten,
na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”
„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in
hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik
herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen,
wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had
gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen
verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna
verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in
den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder
vol laten loopen, den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een
pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets
meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij
aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje
verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”
De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit
verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan
voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder
lagen te spartelen.
Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne.
Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en
smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te
verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er
bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker
dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en
als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt
zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”
In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones
bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er
echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook
niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke
ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den
zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn
paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets
kwaads met hem gebeurd was.