HOOFDSTUK XI.

DE ONGELUKKEN WELKE DEN HEER JONES TROFFEN OP ZIJNE REIS NAAR COVENTRY,

MET DE OPMERKINGEN VAN PARTRIDGE.

Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas

verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge,

noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk

voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke

aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.

Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide

kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na

een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij

de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar

geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.

Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids hield vol dat

dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd

wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer

waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds

gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf

plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste

van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede

een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even

gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te

verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het

geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van

het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg

waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige,

huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.

Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd

heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen

van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des

nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben

op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te

geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een

zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal

voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de

verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt

zullen wezen mede te deelen.

Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald

waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van

den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk

was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander

gevoelen.

Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene

of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien,

in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan

Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid

gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel berouwen kon dat

niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen

en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige

menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare

magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het

dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien

heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en

als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene

kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens

dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen

gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen

sparen.”

Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu

waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te

glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw

ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders

dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel

ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.

Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val

als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones,

bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks

van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid,

voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening.

Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar

verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten,

na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”

„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in

hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik

herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen,

wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had

gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen

verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna

verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in

den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder

vol laten loopen, den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een

pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets

meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij

aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje

verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”

De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit

verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan

voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder

lagen te spartelen.

Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne.

Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en

smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te

verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er

bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker

dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en

als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt

zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”

In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones

bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er

echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook

niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke

ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den

zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn

paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets

kwaads met hem gebeurd was.

Tom Jones · 第 208 / 340 题