DE HEER JONES ZET DE REIS VOORT, TEGEN DEN RAAD VAN PARTRIDGE IN, EN
HETGEEN ER BIJ DEZE GELEGENHEID GEBEURDE.
Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van
Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat
hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van
nog gevaarlijker aard.
Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit
licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een
verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende,
schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere
instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon
heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel
heksen-muzijk had kunnen noemen.
Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen
werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon,
die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde
zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren;
verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas
verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij
gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.
Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen,
hoezeer hij zich er over ergerde.
„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons;
want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een
troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”
„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op
zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het
zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of
anderen aard,—dat is zeker!”
„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan
en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge,
zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet
hebben.”
„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te
weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel
beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen
ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een
goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke
verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo
vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of
waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde
geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”
Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones
zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich
genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder
te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.
Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen
te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote
menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich
schijnbaar zeer goed vermaakten.
Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die
wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!”
riep.
Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar
Coventry.
„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur,
„stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu
heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is
plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”
„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor
eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee
bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”
Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd; want Partridge
zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen
dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor
spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees
bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te
volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen
en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.
Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware,
zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in
spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den
Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen
thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers
vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om
de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken
sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in
den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke
alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats,
welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.
Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige
groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere
vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet
wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene
reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze
geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig
geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest
om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne
lotgevallen.
Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo
nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die
verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn,
zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de
wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt,
den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven
eenigzins verrast had.
De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren niemand anders dan
eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit
hun volk vierden.
Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan
die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar
op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle
orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan
men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen
hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan
één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.
Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te
vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid
aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust
der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en
iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste
Fransche kok verschaffen kan.
Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze
schuur:
Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,
terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig
persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins
te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de
Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer
weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geene regalia om zijne
waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in
zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en
eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en
het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden
ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.
Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones,
dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt
een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit
werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij
den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend
was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was,
daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te
vinden.
De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur
hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand,
begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende
wijze aan te spreken:
„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij
detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal
heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot
volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer
verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed
bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk
ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen
gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in
hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen,
dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik
me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van
die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het
beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat
ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene
andere reden is mij bekend.
„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een
jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor
onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk,
die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde
hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert
dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het
niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk
strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om
Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht
slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn
besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand
ter dood brengen, zijn toch onze straffen zeer streng. Wij maken dat
een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene
zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die
zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”
De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande,
als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem
echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover
men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande
eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.
„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor
veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf
gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer
belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”
Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een
plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende
wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had
langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en
hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne
levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al
wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte
voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.
Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid
uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het
voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen
bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt
werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone
vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin
zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den
jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene
zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar
het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden
en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van
haren bewonderaar.
Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning
gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van
den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel
was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke
aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.
Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:
„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu
welke straf uw dienaar verdiend heeft?”
Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat
Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt
was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij
zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een
guinje aan.
Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken
zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”
Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de
volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende,
wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug
houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij
de schuldigen ontdekt had?”
Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op
zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling
sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad
bedreven was.”
Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den
loer geweest was?”
Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde
zich toen tot den man en sprak als volgt:
„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag
genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw
bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet
getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te
betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf
en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner
beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar
horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal
als zoodanig met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een
onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”
De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en
lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.
Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning
zich tot hem wendende, zeide:
„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker
een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk
allen voor dieven?”
„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger
licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”
„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de
Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich
onderling.”
Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk,
dat onder zulk een bestuurder leefde.
Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang
zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het
geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote
voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.
En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons
gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot
die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de
maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig
geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld
onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde
voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten. [14] Dit
was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan
heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de
menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.
En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het
onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in deze heerlijke instelling,
schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel
geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt
bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis
blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten
eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit
van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen
geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van
anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar
ook tevens bevorderlijk aan het zijne.
Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze
groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de
menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook
bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van
iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te
weeg brengen.
Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist
denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de
onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en
van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen;
want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan
die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher
van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat
aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk
der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens
de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende
tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet
het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der
duisternis, en deze ondergeschikte magten moeten onmiddellijk afstammen
van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.
Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de
menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te
doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden,
zou het uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo
lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee
of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op
te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan
eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid
der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden
tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.
Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen,
hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig
gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer
belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan
zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat
ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de
grootste straf ter wereld.