HOOFDSTUK XII.

DE HEER JONES ZET DE REIS VOORT, TEGEN DEN RAAD VAN PARTRIDGE IN, EN

HETGEEN ER BIJ DEZE GELEGENHEID GEBEURDE.

Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van

Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat

hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van

nog gevaarlijker aard.

Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit

licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een

verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende,

schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere

instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon

heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel

heksen-muzijk had kunnen noemen.

Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen

werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon,

die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde

zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren;

verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas

verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij

gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.

Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen,

hoezeer hij zich er over ergerde.

„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons;

want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een

troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”

„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op

zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het

zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of

anderen aard,—dat is zeker!”

„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan

en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge,

zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet

hebben.”

„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te

weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel

beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen

ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een

goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke

verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo

vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of

waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde

geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”

Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones

zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich

genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder

te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.

Eindelijk bereikten zij de plek vanwaar het licht en het leven scheen

te komen. Jones ontdekte dat het eene schuur was, waarin eene groote

menigte menschen, mannen en vrouwen, bijeen gekomen waren en zich

schijnbaar zeer goed vermaakten.

Naauwelijks verscheen Jones voor de groote deuren van de schuur, die

wijd open stonden, toen eene zeer ruwe mannenstem van binnen, „Werda!”

riep.

Jones antwoordde zachtjes „Goedvriend!” en vroeg dadelijk den weg naar

Coventry.

„Als ge goedvriend zijt,” riep eene tweede mannenstem uit de schuur,

„stijg dan maar hier af tot het onweder over getrokken is (dat nu

heviger dan te voren woedde), ge kunt best uw paard bergen;—er is

plaats genoeg voor het dier aan het andere einde van de schuur.”

„Dat is zeer vriendelijk van u,” hernam Jones, „en ik wil wel voor

eenige oogenblikken gebruik maken van uwe goedheid;—en er zijn nog twee

bij me, die gaarne ook op dezelfde wijze begunstigd zouden worden.”

Dit werd gereeder toegestaan dan het aangenomen werd; want Partridge

zou zich liever onderworpen hebben aan de grootste woede der elementen

dan zich toe te vertrouwen aan de genade van diegenen welke hij voor

spoken hield, en de arme postiljon was ook nu door dezelfde vrees

bevangen;—maar beide waren toch genoodzaakt het voorbeeld van Jones te

volgen;—de een omdat hij zijn paard niet uit de oogen durfde verliezen

en de andere omdat hij niets zóó zeer vreesde als alleen te blijven.

Als deze geschiedenis in de eeuwen van het bijgeloof geschreven ware,

zou ik te veel medelijden met den lezer hebben gehad om hem zoo lang in

spanning te laten omtrent de verschijning van Beelzebub of van den

Satan zelven met zijn helsch gevolg; daar echter die leerstellingen

thans zeer uit de mode zijn en ter naauwernood eenige aanhangers

vinden, geloof ik niet veel angst van dien aard opgewekt te hebben. Om

de waarheid te zeggen, is de geheele bevolking der onderaardsche rijken

sedert lang het eigendom geworden van de tooneel-directeuren, die ze in

den laatsten tijd onder de prullen schijnen geborgen te hebben, welke

alleen geschikt zijn om opgang te maken in den engelenbak, eene plaats,

welke zeker zeer weinige onzer lezers bezoeken.

Hoewel we nu niet veronderstellen, dat wij bij deze gelegenheid eenige

groote vrees opgewekt hebben, denken wij echter dat er andere

vermoedens bij den lezer ontstaan zijn, welke wij volstrekt niet

wenschten te doen ontstaan. Ik bedoel het vermoeden dat wij hem eene

reis wilden laten maken in het tooverland, en dus wezens in onze

geschiedenis doen optreden, waaraan haast niemand zoo kinderachtig

geweest is te gelooven, hoewel menigeen welligt dwaas genoeg is geweest

om veel tijd te verkwisten met het schrijven of het lezen van hunne

lotgevallen.

Ten einde dus alle dergelijke verdenkingen weg te ruimen die zoo

nadeelig zijn voor den goeden naam van een geschiedschrijver, die

verklaart dat zijne bouwstoffen alleen door de natuur geleverd zijn,

zullen wij er nu toe overgaan om den lezer bekend te maken met de

wezens, welker plotselinge verschijning Partridge zoodanig verschrikt,

den postiljon meer dan half bang gemaakt, en den heer Jones zelven

eenigzins verrast had.

De menschen dan in deze schuur bijeen gekomen, waren niemand anders dan

eene bende Zigeuners, of Heidenen, die nu de bruiloft van een paar uit

hun volk vierden.

Het is onmogelijk zich een gelukkiger troep menschen te verbeelden dan

die hier bijeen waren gekomen. De grootste opgeruimdheid was zigtbaar

op ieders gelaat, en hunne danspartij was ook niet ontbloot van alle

orde en welvoegelijkheid. Misschien heerschten er meer van beide dan

men soms vindt in eene landelijke bijeenkomst; want deze menschen

hebben een geregeld bestuur en eigene wetten en gehoorzamen allen aan

één hoogsten magistraat, dien zij hun Koning noemen.

Grooter overvloed dan men in deze schuur zag, zou er ook nergens te

vinden zijn geweest. Wel is waar, er ontbrak keurigheid en sierlijkheid

aan het maal, maar deze waren ook onnoodig bij den krachtigen eetlust

der gasten. Men vond er spek, kippen en schapenvleesch in overvloed, en

iedereen bragt een betere sous mede dan de beste en kostbaarste

Fransche kok verschaffen kan.

Aeneas ontstelde niet meer in den tempel van Juno dan onze held in deze

schuur:

Dum stupet obtutuque haeret defixus in uno,

terwijl hij overal verbaasd rondkeek, naderde hem een eerbiedwaardig

persoonaadje, met vele vriendschappelijke begroetingen, welke eenigzins

te hartelijk waren om hoofsch te heeten. Dit was niemand anders dan de

Koning der Heidenen. Hij onderscheidde zich in zijne kleeding zeer

weinig van zijne onderdanen, en hij droeg geene regalia om zijne

waardigheid te handhaven; en toch (zeide de heer Jones), was er iets in

zijn uiterlijk dat gezag aantoonde, en den toeschouwer met achting en

eerbied vervulde. Maar welligt was dit alles verbeelding van Jones, en

het kan zijn, dat zulke denkbeelden door het gezag zelf worden

ingeboezemd en bijna daarvan onafscheidelijk zijn.

Er was iets in het open gelaat en in de beleefde houding van Jones,

dat, tegelijk met zijn innemend uiterlijk, reeds op het eerste gezigt

een zeer gunstigen indruk maakte op iedereen die hem ontmoette. Dit

werd thans welligt iets verhoogd door den diepen eerbied, welken hij

den Koning der Heidenen bewees, zoodra hij met diens waardigheid bekend

was geworden, en die zijner Heidensche Majesteit des te aangenamer was,

daar hij alleen gewoon was bij zijne eigene onderdanen zulke hulde te

vinden.

De Koning liet eene tafel spreiden ten zijnen behoeve met de keur

hunner eetwaren, en zelf plaats genomen hebbende aan zijne regterhand,

begon Zijne Majesteit onzen held (in gebroken Engelsch) op de volgende

wijze aan te spreken:

„Geen twijfel, mijnheer, of gij hebt hier en daar hetgeen gij

detachementen noemt, van mijn volk ontmoet;—want zij gaan overal

heen;—maar ik verbeeld me, dat gij niet dacht, dat wij zulk een groot

volk zijn als werkelijk het geval is;—misschien zal het u nog meer

verwonderen te vernemen, dat de Zigeuners een even geregeld en goed

bestuurd volk zijn, als eenig ander ter wereld. Ik heb de eer, gelijk

ik gezegd heb, hun Koning te zijn, en geen vorst kan zich beroemen

gehoorzamer of liefderijker onderdanen te hebben. Ik zal niet zeggen in

hoe ver ik hunne toegenegenheid waardig ben; maar ik kan wel zeggen,

dat ik nooit iets anders dan hun best voor oogen heb. Ook daarop zal ik

me niet beroemen; want hoe zou ik ook iets anders dan het voordeel van

die arme menschen beoogen, welke den heelen dag rondzwerven om mij het

beste wat zij krijgen kunnen, te verschaffen? Zij beminnen mij, omdat

ik hen liefheb en voor hen zorg;—en daarom alleen;—ten minste geene

andere reden is mij bekend.

„Omtrent duizend, of twee duizend jaren geleden,—ik weet het op een

jaar of wat niet,—viel er, wat gij eene groote omwenteling noemt, voor

onder de Zigeuners;—want er waren toen groote heeren onder ons volk,

die elkaar den voorrang betwistten;—maar de Zigeuner Koning vernietigde

hen allen en maakte al zijne onderdanen onderling gelijk, en sedert

dien tijd konden zij het best met elkaar vinden; want zij krijgen het

niet in het hoofd om Koning te worden, wat welligt tot hun geluk

strekt, daar ik u verzekeren kan, dat het een zeer lastig baantje is om

Koning te zijn, en regt te moeten spreken. Ik heb dikwijls gewenscht

slechts een gewone Zigeuner te zijn, als ik mij genoodzaakt zag om mijn

besten vriend of bloedverwant te straffen; want hoewel wij nooit iemand

ter dood brengen, zijn toch onze straffen zeer streng. Wij maken dat

een Zigeuner zich schaamt over zijne eigene slechtheid en dat is eene

zeer verschrikkelijke straf. Ik heb zelden gezien, dat een Zigeuner die

zoo gestraft was, ooit weer kwaad deed.”

De Koning ging nu voort met zijne verbazing te uiten, dat de schande,

als straf, onder geene andere besturen bekend was. Jones verzekerde hem

echter van het tegendeel; want dat er vele wanbedrijven waren, waarover

men zich schamen moest volgens de Engelsche wetten,—en dat de schande

eigenlijk onafscheidelijk was van welke straf ook.

„Dat luidt toch heel vreemd,” hernam de Koning; „want ik weet en hoor

veel van uw volk, ofschoon ik niet onder hen leef, en ik heb dikwerf

gehoord dat schande het gevolg, en ook wel de oorzaak is van vele uwer

belooningen. Zijn dan belooning en straf hetzelfde bij ulieden?”

Terwijl Zijne Majesteit aldus met Jones praatte, ontstond er een

plotseling rumoer in de schuur, dat naar het schijnt, op de volgende

wijze veroorzaakt werd;—de vriendelijkheid dezer menschen had

langzamerhand alle vrees van den kant van Partridge doen verdwijnen, en

hij liet zich overhalen niet slechts om ruimschoots van hunne

levensmiddelen te proeven, maar ook van hun drank, die trapsgewijs al

wat naar angst zweemde uit zijn gemoed verdreef en het vatbaar maakte

voor gewaarwordingen van veel aangenamer aard.

Eene jeugdige Heidin, die meer door geestigheid dan door schoonheid

uitmuntte, had den eerlijken knaap ter zijde gelokt, onder het

voorwendsel van hem te willen waarzeggen. Toen zij zich echter alleen

bevonden, in een stillen hoek van de schuur,—hetzij dit veroorzaakt

werd door den sterken drank,—die nooit meer dan na buitengewone

vermoeijenissen de lusten opwekt,—of daardoor dat de schoone Heidin

zelve alle vrouwelijke kieschheid en zedigheid verloochende en den

jeugdigen Partridge met bepaalde wenken verleidde,—werden zij in eene

zeer ongepaste houding ontdekt door den man van de Heidin, die, naar

het schijnt, uit ijverzucht, een waakzaam oog op zijne vrouw gehouden

en haar naar de plek gevolgd had, waar hij haar in de armen vond van

haren bewonderaar.

Tot groot verdriet van Jones werd Partridge nu vóór den Koning

gesleept, die de beschuldiging aanhoorde en tevens de verdediging van

den aangeklaagde, (welke zeer erbarmelijk uitviel), want de arme kerel

was geheel verpletterd door de onwederlegbare getuigenis welke

aangevoerd werd, en had naauwelijks één woord daartegen in te brengen.

Zijne Majesteit wendde zich nu tot Jones en zeide:

„Mijnheer, gij hebt ook gehoord wat zij te vertellen hebben. Zeg me nu

welke straf uw dienaar verdiend heeft?”

Jones hernam, „dat het hem zeer speet dat zoo iets gebeurd was, en dat

Partridge den man alle vergoeding schenken moest welke, in zijne magt

was;”—wijders verklaarde hij op dat oogenblik slechts weinig geld bij

zich te hebben, en de hand in den zak stekende bood, hij den man een

guinje aan.

Deze echter antwoordde, „dat hij hoopte dat mijnheer er niet aan denken

zou er hem minder dan vijf aan te bieden.”

Na eenig twisten werd deze som op twee terug gebragt, en Jones de

volkomene vergiffenis van Partridge en van de vrouw bedongen hebbende,

wilde het geld uitbetalen, toen Zijne Majesteit, zijne hand terug

houdende, zich tot een der getuigen wendende, hem vroeg: „Wanneer hij

de schuldigen ontdekt had?”

Hierop hernam deze, „dat de man hem verzocht had het oog te houden op

zijne vrouw van het eerste oogenblik af dat zij met den vreemdeling

sprak, en dat hij haar steeds in het gezigt had gehad tot de misdaad

bedreven was.”

Daarop vroeg de Koning, „of de man ook den heelen tijd met hem op den

loer geweest was?”

Dit werd beantwoord en bevestigd, en Zijne Heidensche Majesteit wendde

zich toen tot den man en sprak als volgt:

„Het doet me zeer leed te zien, dat er één Zigeuner bestaat, die laag

genoeg is om de eer zijner vrouw te verkoopen. Als gij uwe vrouw

bemindet, zoudt gij belet hebben dat deze zaak voortgang had, en niet

getracht hebben haar eerst tot eene —— te maken, om haar later te

betrappen. Ik beveel, dat men u geen geld geve, want gij verdient straf

en geene belooning. Ik beveel ook dat gij als onteerde Zigeuner

beschouwd wordt, en dat gij voor den tijd van ééne maand een paar

horens draagt, en dat uwe vrouw in dien tijd de —— genaamd, en overal

als zoodanig met den vinger nagewezen zal worden;—want al zijt gij een

onteerde Zigeuner, zij is niet te min eene verachtelijke ——”

De Heidenen gingen er dadelijk toe over om dit vonnis uit te voeren, en

lieten Jones en Partridge alleen met Zijne Majesteit.

Jones juichte zeer de billijkheid van het vonnis toe waarop de Koning

zich tot hem wendende, zeide:

„Het komt me voor, dat gij zeer verwonderd zijt; want gij zult zeker

een zeer min denkbeeld hebben van ons volk. Gij houdt ons denkelijk

allen voor dieven?”

„Ik moet bekennen,” zei Jones, „dat ik de Heidenen in een ongunstiger

licht heb zien stellen, dan zij schijnen te verdienen.”

„Ik zal u zeggen wat het onderscheid is tusschen u en ons,” hernam de

Koning; „mijn volk besteelt uw volk, en uw volk besteelt zich

onderling.”

Jones ging nu voort met heel ernstig het geluk te prijzen van een volk,

dat onder zulk een bestuurder leefde.

Inderdaad hun geluk schijnt zoo volmaakt te zijn geweest, dat wij bang

zijn dat de een of andere voorvechter der onbeperkte magt later het

geval van deze menschen aanhalen zal als een voorbeeld van de groote

voordeelen, welke deze regeringsvorm boven alle anderen oplevert.

En wij moeten ook hier iets toegeven, dat men welligt niet van ons

gewacht zou hebben, namelijk dat geen beperkte regeringsvorm zich tot

die trap van volmaaktheid kan verheffen, of dezelfde voordeelen aan de

maatschappij opleveren als deze. De menschen zijn nooit zoo gelukkig

geweest als wanneer het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld

onder het bestuur stond van één heer, en deze gelukzaligheid duurde

voort onder de regering van vijf achtereen volgende vorsten. [14] Dit

was de ware gouden eeuw, en de eenige gouden eeuw, welke ooit bestaan

heeft, tenzij in de vurige verbeelding der dichters, sedert de

menschheid uit het Paradijs verdreven werd, tot den huidigen dag.

En werkelijk, ik ken ook slechts één gegrond bezwaar tegen het

onbeperkte koningschap. Het eenige gebrek in deze heerlijke instelling,

schijnt de moeijelijkheid te zijn om een mensch te vinden, die geheel

geschikt is voor het ambt van onbeperkten vorst; want dit eischt

bepaaldelijk drie hoedanigheden, welke, naar het uit de geschiedenis

blijkt, zeer moeijelijk te vinden zijn in vorstelijke naturen: ten

eerste, genoegzame gematigdheid, om zich te vergenoegen met het bezit

van de meest mogelijke magt. Ten tweede, wijsheid genoeg om zijn eigen

geluk in te zien. En ten derde, goedheid genoeg om tot het geluk van

anderen mede te werken, als het niet slechts bestaanbaar is met, maar

ook tevens bevorderlijk aan het zijne.

Als men nu werkelijk toestemt dat een onbeperkte vorst met al deze

groote en zeldzame begaafdheden voorzien, in staat zal zijn om de

menschelijke maatschappij zoo gelukkig mogelijk te maken, moet men ook

bekennen, van den anderen kant, dat de onbeperkte magt in handen van

iemand die deze deugden mist, waarschijnlijk evenveel onheil zal te

weeg brengen.

Met één woord, onze eigene godsdienst geeft ons een zeer juist

denkbeeld van de zegeningen en ook van de rampen, welke uit de

onbeperkte magt kunnen voortvloeijen. De schilderingen van den hemel en

van de hel brengen ons een zeer levendig beeld van beide voor oogen;

want hoewel de heer van laatstgenoemd oord geene magt kan hebben dan

die welke hij oorspronkelijk ontleent van den Almagtigen Beheerscher

van het eerste, blijkt het ten duidelijkste uit de Heilige Schrift, dat

aan dezen duivelschen vorst eene onbeperkte magt gegeven is in het rijk

der hel. Dit is ook inderdaad de eenige onbeperkte magt, welke,—volgens

de Heilige Schrift,—van den Hemel afstamt. Zoodra dus de verschillende

tyrannen op aarde eenige aanspraak maken op een goddelijk regt, moet

het ontleend zijn aan het allereerste regt van den vorst der

duisternis, en deze ondergeschikte magten moeten onmiddellijk afstammen

van hem, wiens stempel zij zoo blijkbaar dragen.

Eindelijk, daar de voorbeelden van alle eeuwen ons bewijzen dat de

menschen, over het algemeen, alleen magt begeeren om er kwaad mede te

doen, en als zij ze eens verkrijgen ook tot geen ander doel aanwenden,

zou het uiterst onvoorzigtig zijn om eenige verandering te wagen, zoo

lang onze hoop op het goede slechts flaauw ondersteund wordt door twee

of drie voorbeelden uit vele duizenden, die strekken om onze vrees op

te wekken. In dit geval, is het dus veel wijzer ons te onderwerpen aan

eenige weinige ongemakken, die ontstaan uit de hartstogtelooze doofheid

der wet, dan te trachten ze uit den weg te ruimen door ons te wenden

tot de hartstogtelijke opene ooren van een dwingeland.

Men kan zich hier ook niet op het voorbeeld der Heidenen beroepen,

hoewel zij zich misschien lang onder dezen regeringsvorm gelukkig

gevoeld hebben: daar wij volstrekt niet vergeten moeten in welk zeer

belangrijk punt zij van alle andere volkeren verschillen, en waaraan

zij welligt hun geluk alleen te danken hebben,—en dat is namelijk, dat

ze geene kunstmatige eer kennen en de schande beschouwen als de

grootste straf ter wereld.

Tom Jones · 第 209 / 340 题