De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van
den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer,
zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom
aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta
er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het
graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het
oog!”
„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling
niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar
ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij
elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot
eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”
Dowling zette hierbij groote oogen.
Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even
onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,”
voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten;
maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer
betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt
van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene
opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem
te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en
hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een
innemender mensch ontmoet te hebben.”
„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de
eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan
jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als
kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest;
maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner
schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem
op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid, welke den
grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur.
Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is
slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de
gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb
eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene
openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de
kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te
bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”
„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote
vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”
„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik
geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij
te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was
alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over
onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te
berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker
u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en
als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar
waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige
houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij
den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u
vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen,
die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een
naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de
hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon
blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig,
liever mijn leven te willen laten.”
„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van
eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij
het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor
een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt.
Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar gij
tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet
hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat
vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat
er iets van aan is.”
Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid
betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk
overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen
door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen,
wat hij deed even als Othello,
„—Van af de kinderjaren,
Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”
En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.
„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar,
En treurig,—ja, verbazend treurig.”
De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam;
want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet
afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen
tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons
een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij
uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die
bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken
worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van
alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij
diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne
gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager
wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel
een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten,
heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen
lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men
zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de
ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun
krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs
dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in
vredestijd, als de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid
af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op
dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en
ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen
optreden moet.
Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de
zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy
afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in
het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen
blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij
ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en
niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten
bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit
onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere
jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat
ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij
zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het
gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die
wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een
aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt
gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben;
want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te
krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”
„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel
weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van
mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren
kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij
geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen,
zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb
meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander.
Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een
prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de
andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de
opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche zelfvoldoening, de
verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een
deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik
benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit
zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een
schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer
Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik
veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen
karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte
veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken
mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen
afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld,
of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:
„Pone me pigris ubi nulla campis
Arbor aestiva recreatur aura,
Quod latus mundi nebulae, malusque
Jupiter urget.
Pone sub curru nimium propinqui
Solis in terra domibus negata;
Dulce ridentem Lalagen amabo,
Dulce loquentem.” [13]
Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn
zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond
hij er op, dat hij mededrinken zou.
„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw
Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is
waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer
schoon is!”
Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van
Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat
diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken,
lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want
wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is
het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde
als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van
medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere
gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij
toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer
ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te
verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge
vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn
makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het
heel donker was en juist sterk begon te regenen.