BEVATTENDE EEN PAAR OPMERKINGEN VAN ONS EN ZEER VELE VAN HET GOEDE
GEZELSCHAP IN DE KEUKEN.
Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een
knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de
gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld
hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn
„reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de
algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij
niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar
beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is
die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer
opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.
Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden,
en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte
van den eerbied, welken men bewijst aan den stand en het vermogen
hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten
opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel,
en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te
zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe
komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht
geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn
heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het
de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben;
want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die
der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.
Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden
(wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam
van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten
niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden
de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een
schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de
ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te
maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk
wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer,
wiens liverei hij draagt.
Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen,
waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees
mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo
als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was
uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans
bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld
deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat,
mede.
De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.
„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer
op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken.
Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond
verstand heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu
medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme
man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft
ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag,
hoewel ik er niets van zeide.”
De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid
gehad had om dat te zien.
„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek
zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts
te verlaten om het land te doorkruisen.”
De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die
mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot
Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal
vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander
ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis
zendt bij zijne bloedverwanten.”
Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij
zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy
weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij
hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor
Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden
gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als
onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van
dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies
vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en
drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.
„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”
„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in
hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam
uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon,
dat—”
„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn
wij hier met ons vijven!”
„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin; „maar mijn
man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder
mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper
jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek
is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft
de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik
ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert
die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene
ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al
zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is,
iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel
zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een
slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die
stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die
niet eens weten wat zij willen!”
De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken
wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen
te hebben.
„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens
onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons
kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend
bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het
past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij
ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere
menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies)
„noch dien heer, noch iemand anders af.”
De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman
zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen,
of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij,
„dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was
toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie
stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij
zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste
menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne
bloedverwanten om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”
„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen
heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door
zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die
menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd,
behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”
„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand
heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet
mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets
kunnen schelen, wie er regt op had!”
„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula
cautum.”
De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur
weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt
gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog
gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het
daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”
„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier
in de omstreken niet te vechten vallen!”
„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de
procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak
zegeviert.”
„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent
hoegenaamd geene regten heeft—”
„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk.
„Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in
het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En
gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”
„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te
maken?”
„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat
is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de
godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De
Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik
ken, en die een zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van
eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”
„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat
ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen.
Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet
bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat
het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”
„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij
niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die
Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”
„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de
kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te
zien,—niet waar?”
„Wel neen!” riep de andere; „dat waarlijk niet! Ik haat het pausdom
evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men
daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de
Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding;
dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid
spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te
verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang
te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de
kommiezen kunnen missen.”
„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik
den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan
natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook
kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed
verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit
te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten
loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur;
want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel
slechter dan nu.”
„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie
weet wat er gebeuren zal? Wel drommel! zou ik niet stapel gek zijn als
ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo
goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat
het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”
De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of
dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in
menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echte Jakobieten waren
in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de
hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij
liefst in de vergetelheid laten.
Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en
den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen
de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer
bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.
De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een
einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit
hoofdstuk maken.