HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE EEN PAAR OPMERKINGEN VAN ONS EN ZEER VELE VAN HET GOEDE

GEZELSCHAP IN DE KEUKEN.

Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een

knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de

gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld

hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn

„reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de

algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij

niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar

beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is

die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer

opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.

Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden,

en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte

van den eerbied, welken men bewijst aan den stand en het vermogen

hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten

opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel,

en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te

zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe

komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht

geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn

heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het

de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben;

want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die

der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.

Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden

(wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam

van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten

niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden

de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een

schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de

ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te

maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk

wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer,

wiens liverei hij draagt.

Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen,

waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees

mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo

als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was

uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans

bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld

deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat,

mede.

De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.

„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer

op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken.

Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond

verstand heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu

medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme

man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft

ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag,

hoewel ik er niets van zeide.”

De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid

gehad had om dat te zien.

„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek

zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts

te verlaten om het land te doorkruisen.”

De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die

mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot

Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal

vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander

ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis

zendt bij zijne bloedverwanten.”

Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij

zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy

weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij

hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor

Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden

gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als

onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van

dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies

vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en

drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.

„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”

„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in

hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam

uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon,

dat—”

„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn

wij hier met ons vijven!”

„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin; „maar mijn

man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder

mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper

jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek

is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft

de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik

ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert

die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene

ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al

zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is,

iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel

zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een

slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die

stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die

niet eens weten wat zij willen!”

De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken

wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen

te hebben.

„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens

onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons

kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend

bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het

past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij

ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere

menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies)

„noch dien heer, noch iemand anders af.”

De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman

zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen,

of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij,

„dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was

toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie

stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij

zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste

menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne

bloedverwanten om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”

„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen

heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door

zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die

menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd,

behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”

„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand

heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet

mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets

kunnen schelen, wie er regt op had!”

„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula

cautum.”

De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur

weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt

gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog

gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het

daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”

„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier

in de omstreken niet te vechten vallen!”

„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de

procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak

zegeviert.”

„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent

hoegenaamd geene regten heeft—”

„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk.

„Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in

het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En

gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”

„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te

maken?”

„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat

is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de

godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De

Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik

ken, en die een zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van

eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”

„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat

ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen.

Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet

bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat

het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”

„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij

niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die

Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”

„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de

kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te

zien,—niet waar?”

„Wel neen!” riep de andere; „dat waarlijk niet! Ik haat het pausdom

evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men

daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de

Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding;

dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid

spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te

verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang

te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de

kommiezen kunnen missen.”

„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik

den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan

natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook

kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed

verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit

te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten

loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur;

want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel

slechter dan nu.”

„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie

weet wat er gebeuren zal? Wel drommel! zou ik niet stapel gek zijn als

ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo

goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat

het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”

De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of

dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in

menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echte Jakobieten waren

in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de

hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij

liefst in de vergetelheid laten.

Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en

den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen

de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer

bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.

De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een

einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit

hoofdstuk maken.

Tom Jones · 第 202 / 340 题