HOOFDSTUK VI.

WAARUIT MEN OPMAKEN KAN DAT DE BESTE DINGEN ONDERHEVIG ZIJN AAN

VERKEERDE OPVATTING EN UITLEGGING.

Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de

waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te

mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond

haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst

en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.

Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid

verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te

loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus

eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te

stellen.

„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet

bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene ——

ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn

mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van

straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht

niet bij haar eigen man geslapen hebben!”

De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen

poppenkast-eigenaar aan.

„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als

dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun

toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij

maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis!

Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo

iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze

dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet

halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd

toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de

poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken

meer;—en toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit

verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand

gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een

troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme

meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar

brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon

zoo gaat!”

Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het

graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei

naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder

vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat

men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de

woorden der wijsheid te luisteren.

Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling

twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en

de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het

graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel

spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren

vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt

niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen

wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.

Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den

poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig

einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den

lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had

ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen

van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen

bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij

zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen

ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die

van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over

de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een

zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten

bewijze zijner groote kunde.

In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de

poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en

daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel

ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te

vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de

waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed

te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald

had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde

poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár

door te brengen waar hij zich bevond.

Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat

Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende

argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op

aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist

welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem

welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is

duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in

huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus

veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand

ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”

Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er

nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid,

welke hij bezat, in dezelfde schaal.

„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste,

welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen

reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke

inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra

ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te

houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij

ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en

zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote

behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de

herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.

Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij

zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof;

maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt

had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog

grootere trek in drinken.

En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de

waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant

der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne

vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de

keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin,

de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de

vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek

gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.

Tom Jones · 第 201 / 340 题