WAARUIT MEN OPMAKEN KAN DAT DE BESTE DINGEN ONDERHEVIG ZIJN AAN
VERKEERDE OPVATTING EN UITLEGGING.
Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de
waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te
mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond
haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst
en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.
Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid
verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te
loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus
eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te
stellen.
„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet
bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene ——
ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn
mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van
straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht
niet bij haar eigen man geslapen hebben!”
De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen
poppenkast-eigenaar aan.
„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als
dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun
toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij
maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis!
Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo
iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze
dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet
halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd
toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de
poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken
meer;—en toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit
verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand
gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een
troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme
meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar
brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon
zoo gaat!”
Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het
graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei
naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder
vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat
men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de
woorden der wijsheid te luisteren.
Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling
twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en
de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het
graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel
spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren
vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt
niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen
wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.
Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den
poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig
einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den
lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had
ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen
van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen
bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij
zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen
ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die
van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over
de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een
zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten
bewijze zijner groote kunde.
In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de
poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en
daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel
ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te
vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de
waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed
te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald
had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde
poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár
door te brengen waar hij zich bevond.
Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat
Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende
argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op
aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist
welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem
welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is
duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in
huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus
veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand
ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”
Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er
nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid,
welke hij bezat, in dezelfde schaal.
„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste,
welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen
reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke
inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra
ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te
houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij
ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en
zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote
behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de
herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.
Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij
zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof;
maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt
had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog
grootere trek in drinken.
En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de
waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant
der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne
vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de
keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin,
de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de
vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek
gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.