HOOFDSTUK VIII.

WAARIN VROUW FORTUNA GUNSTIGER GESTEMD SCHIJNT DAN TOT DUS VER TEN

OPZIGTE VAN JONES.

Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger

slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene

tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig

op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer

kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas

vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging

van herhaalde kreten van „moord!”

Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner

bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te

ranselen.

Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en

klemde den overmoedigen meester tegen den muur; want de poppenkastman

was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme,

bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.

Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer

sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van

zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige

wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst

eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot

eenige bijzondere beschuldigingen.

„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den

kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te

danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren

dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje

wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen

in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste

meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan

en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan

heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”

Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het

strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen

Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg

hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel,

terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien

voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste

plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen

hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.

Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want

Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet

spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones

het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend

had.

Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den

getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was,

en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de

meeste drift om verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze

waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.

Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te

voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou,

„want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het

spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de

Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”

En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de

bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.

Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een

hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van

eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over

om daar eene schuilplaats te zoeken.

De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den

Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe

dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder

nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die

naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen

welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een

heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet

slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel

de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg

hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.

Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven,

hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om

nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij

het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek,

keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:

„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af!

Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die

dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik

herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd

heb!”

„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is waar, het is uw

pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want

ze heeft me haast genezen.”

Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen

bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene

afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij

zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en

hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia

gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar

onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar

het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.

Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele

schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig

ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek

aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want

werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij,

niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen

had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten

opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof

dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te

verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke

voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel

onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een

grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.

Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen,

en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze

onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke

menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene

geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene

begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat

nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het

vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder

dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het

begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg,

iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones te

Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne

ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, het

onmiddellijke gevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich

troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de

goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.

Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden

maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke

gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en

ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit

werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet

vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door

aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.

Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe

ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van

Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt

dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou

hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd,

en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat

Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon

bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want

terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was

Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten

aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die

mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle

dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van

Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny

Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van

bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames

in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij

voor het laatst afscheid van haar namen.

Tom Jones · 第 203 / 340 题