WAARIN VROUW FORTUNA GUNSTIGER GESTEMD SCHIJNT DAN TOT DUS VER TEN
OPZIGTE VAN JONES.
Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger
slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene
tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig
op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer
kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas
vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging
van herhaalde kreten van „moord!”
Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner
bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te
ranselen.
Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en
klemde den overmoedigen meester tegen den muur; want de poppenkastman
was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme,
bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.
Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer
sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van
zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige
wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst
eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot
eenige bijzondere beschuldigingen.
„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den
kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te
danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren
dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje
wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen
in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste
meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan
en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan
heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”
Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het
strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen
Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg
hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel,
terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien
voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste
plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen
hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.
Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want
Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet
spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones
het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend
had.
Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den
getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was,
en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de
meeste drift om verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze
waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.
Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te
voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou,
„want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het
spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de
Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”
En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de
bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.
Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een
hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van
eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over
om daar eene schuilplaats te zoeken.
De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den
Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe
dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder
nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die
naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen
welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een
heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet
slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel
de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg
hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.
Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven,
hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om
nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij
het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek,
keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:
„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af!
Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die
dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik
herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd
heb!”
„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is waar, het is uw
pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want
ze heeft me haast genezen.”
Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen
bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene
afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij
zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en
hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia
gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar
onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar
het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.
Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele
schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig
ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek
aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want
werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij,
niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen
had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten
opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof
dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te
verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke
voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel
onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een
grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.
Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen,
en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze
onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke
menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene
geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene
begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat
nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het
vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder
dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het
begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg,
iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones te
Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne
ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, het
onmiddellijke gevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich
troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de
goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.
Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden
maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke
gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en
ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit
werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet
vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door
aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.
Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe
ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van
Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt
dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou
hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd,
en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat
Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon
bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want
terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was
Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten
aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die
mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle
dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van
Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny
Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van
bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames
in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij
voor het laatst afscheid van haar namen.