BEVATTENDE MEER AVONTUREN, WELKE DE HEER JONES EN ZIJN MAKKER ONDERWEG
BELEEFDEN.
Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem
overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en
Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen
verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem
nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.
Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge,
die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde
en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger
toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de
dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene
groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.
Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen
zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid
eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en
hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”
„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt
in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting
met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met
het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.
„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen
rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden.
De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij
mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen.
Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan
doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen
met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden
twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man?
Zeker niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk
niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, die mens sana in corpore
sano,—”
Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het
leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de
trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad
moesten zijn.”
Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het
geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat
hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook
onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”
Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij
gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider,
terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der
helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de
heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.
En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in
de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich
verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit
te brullen.
„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O
hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En
wij zijn al binnen schot!”
Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich
vergist had.
„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit
geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de
trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten
ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”
„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het
werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij
boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes
wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger;
want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik
niets te eten gehad!”
Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te
eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid
had om op den weg te zijn, welken hij zocht.
Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen
of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge
even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en
inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze
vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening,
kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met
eijeren.
Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere
uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke
ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient
om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf
vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als
van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst
vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te
spelen.
Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had
en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn
met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er
even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.
Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en
daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden.
Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de
poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en
waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het
spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en
dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle
steden van het land vertoond waren.
De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze
bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde
Echtgenoot,”” en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk,
zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs
in het allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders
waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas,
dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar
hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies
verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed
volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit
gevoelen volkomen.
De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet
nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.
Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan
was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne
vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene
verstandige tijdkorting gemaakt waren.
„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep
opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl
daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit
berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat
eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn;
want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze,
goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en
stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet
aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama
als door het groote op het tooneel.”
„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te
doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn
ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof
ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe
vertooning bedorven hebt.”
De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor
Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel
minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe
meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde
beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen
naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren
geleden sommige der groote lui te Bath, Polichinel weder op het tooneel
wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik
daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij
verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn
eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in
toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn
tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te
laten.”
„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd
steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast
besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”
„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik
herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik
op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist
dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd.
Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de
stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en
zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik
herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de
galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit.
Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat
strekt u zeer tot eer.”
„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover
zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer
die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders
een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem
nooit meer laat optreden.”
De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij
veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere
menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten
hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord
werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene
andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten
kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.