HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE MEER AVONTUREN, WELKE DE HEER JONES EN ZIJN MAKKER ONDERWEG

BELEEFDEN.

Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem

overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en

Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen

verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem

nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.

Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge,

die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde

en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger

toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de

dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene

groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.

Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen

zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid

eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en

hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”

„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt

in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting

met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met

het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.

„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen

rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden.

De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij

mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen.

Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan

doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen

met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden

twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man?

Zeker niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk

niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, die mens sana in corpore

sano,—”

Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het

leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de

trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad

moesten zijn.”

Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het

geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat

hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook

onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”

Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij

gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider,

terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der

helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de

heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.

En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in

de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich

verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit

te brullen.

„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O

hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En

wij zijn al binnen schot!”

Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich

vergist had.

„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit

geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de

trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten

ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”

„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het

werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij

boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes

wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger;

want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik

niets te eten gehad!”

Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te

eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid

had om op den weg te zijn, welken hij zocht.

Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen

of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge

even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en

inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze

vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening,

kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met

eijeren.

Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere

uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke

ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient

om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf

vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als

van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst

vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te

spelen.

Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had

en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn

met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er

even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.

Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en

daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden.

Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de

poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en

waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het

spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en

dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle

steden van het land vertoond waren.

De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze

bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde

Echtgenoot,”” en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk,

zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs

in het allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders

waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas,

dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar

hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies

verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed

volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit

gevoelen volkomen.

De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet

nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.

Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan

was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne

vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene

verstandige tijdkorting gemaakt waren.

„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep

opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl

daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit

berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat

eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn;

want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze,

goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en

stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet

aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama

als door het groote op het tooneel.”

„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te

doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn

ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof

ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe

vertooning bedorven hebt.”

De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor

Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel

minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe

meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde

beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen

naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren

geleden sommige der groote lui te Bath, Polichinel weder op het tooneel

wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik

daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij

verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn

eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in

toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn

tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te

laten.”

„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd

steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast

besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”

„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik

herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik

op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist

dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd.

Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de

stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en

zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik

herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de

galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit.

Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat

strekt u zeer tot eer.”

„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover

zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer

die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders

een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem

nooit meer laat optreden.”

De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij

veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere

menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten

hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord

werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene

andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten

kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.

Tom Jones · 第 200 / 340 题