Juist op het oogenblik dat Partridge de goede en wijze leer
verkondigde, waarmede wij het vorige hoofdstuk eindigden, bereikten zij
een dwarsweg, waar een kreupel mensch, in lompen gehuld, hem een
aalmoes vroeg; wat hem door Partridge streng verweten werd, die zeide:
„dat elke gemeente voor hare eigene armen zorgen moest.”
Jones proestte het uit, en vroeg Partridge, „of hij zich niet schaamde
met zoo vele liefderijke woorden in den mond, geene mildheid in het
hart te hebben? Uwe godsdienst,” zeide hij, „dient u alleen om uwe
eigene gebreken te verontschuldigen; maar zet u niet aan tot de
beoefening der deugd. Kan iemand, die werkelijk christen is, nalaten
een medemensch te helpen, dien hij in zulk een ongelukkigen toestand
ziet?”
En terzelfder tijd de hand in den zak stekende, gaf hij den bedelaar
een geldstuk.
„Mijnheer,” riep de arme, na hem bedankt te hebben, „ik heb hier iets
heel aardigs op zak, dat ik ongeveer een half uurtje van hier
vond;—misschien zal mijnheer het willen koopen? Ik zou het niet wagen
het aan iedereen te laten zien, maar daar gij zoo’n goede mijnheer zijt
en mild jegens den arme, zult gij niet gelooven dat een mensch een dief
is, alleen omdat hij geen geld heeft.”
Met deze woorden haalde hij een verguld zakboekje te voorschijn en gaf
het Jones in handen.
Deze maakte het dadelijk open,—en (stel u zijne gevoelens voor, lezer!)
ontdekte op de eerste bladzijde den naam van Sophia Western, door haar
zelve geschreven. Zoodra hij dezen naam zag, drukte hij het boekje aan
zijne lippen, en kon niet nalaten, in weerwil van de omgeving, om
eenige dwaze verrukking te uiten;—maar het was welligt juist deze
verrukking, welke hem het bijzijn van anderen deed vergeten.
Terwijl Jones het boekje kuste en aan de lippen drukte, alsof hij een
heerlijk dik gesmeerd stuk geroosterd brood aan den mond bragt,—of
alsof hij werkelijk een boekworm ware, of een schrijver, die niets te
eten had dan zijne eigene werken, fladderde er een stukje papier van
tusschen de bladen uit en viel op den grond. Partridge raapte het op en
gaf het aan Jones, die dadelijk zag dat het eene banknoot was ter
waarde van honderd pond sterling. Het was inderdaad juist die banknoot,
welke Western den nacht vóór hare vlugt aan zijne dochter had gegeven,
en een jood zou er gaarne honderd pond,—op vijf shillings na,—Voor
gegeven hebben.
De oogen van Partridge schitterden van vreugde bij deze tijding, welke
Jones hardop verkondigde, en dat was ook het geval,—hoewel met een
geheel ander vooruitzigt,—met den armen drommel, die het boekje
gevonden had, en die (naar ik hoop, uit overgroote eerlijkheid) het
niet eens geopend had;—maar het zou oneerlijk van ons wezen, als wij
den lezer niet met ééne omstandigheid bekend maakten, welke welligt
hier van belang is, namelijk—dat de kerel niet lezen kon!
Jones, die niets dan vreugde en verrukking gevoelde na het vinden van
het boekje, was eenigzins verdrietig over deze nieuwe ontdekking; want
de gedachte kwam dadelijk bij hem op, dat de eigenaresse van de
banknoot welligt het geld noodig zou hebben eer het hem gelukte het
haar weder ter hand te stellen. Hij verzekerde nu den vinder, dat hij
de dame kende, wie het boekje toebehoorde, en dat hij trachten zou haar
zoo spoedig mogelijk te vinden en het haar weder te bezorgen.
Het zakboekje was een der laatste geschenken van jufvrouw Western aan
hare nicht; het had vijf en twintig shillings gekost, want zij had het
gekocht in een beroemden galanterie-winkel; maar de wezenlijke waarde
van het zilver aan het slot beliep niet meer dan achttien stuivers, en
dezen prijs zou genoemde winkelier nu ook daarvoor gegeven hebben, daar
het even goed was als toen het uit zijn winkel kwam. Een wijs mensch
zou echter zijn voordeel gezien hebben in de onwetendheid van dezen
bedelaar, en zou niet meer dan twaalf stuivers, of welligt een
schelling, daarvoor gegeven hebben;—ja, sommigen zouden welligt niets
gegeven hebben, en het aan den kerel overgelaten hebben, om zijn
eigendomsregt als vinder voor het geregt te doen gelden,—wat,
misschien, sommige regtsgeleerden als eene heel moeijelijke zaak voor
hem zouden beschouwen.
Jones, integendeel, die overdreven mild van aard was, en dien men
welligt niet geheel ten onregte van kwistigheid had kunnen
beschuldigen, gaf, zonder aarzeling, een guinje voor het boekje.
De arme, die in langen tijd, zoo’n schat niet bezeten had, bedankte den
heer Jones wel duizend maal, en toonde bijna even veel verrukking in
zijn uiterlijk als Jones toen deze eerst den naam van Sophia Western
ontdekt had.
De arme man was ook dadelijk gereed om onze reizigers op de plaats te
brengen, waar hij het zakboekje gevonden had. Zij gingen dus dadelijk
zamen derwaarts; maar niet zoo vlug als de heer Jones verlangde; want,
ongelukkig, was zijn gids kreupel, en kon onmogelijk meer dan een
kwartier in een uur afleggen. Daar de plaats echter meer dan een uur
van daar was, in weerwil van de verzekeringen van den bedelaar, kan de
lezer zelf berekenen hoe lang het duurde eer zij er aankwamen.
Onderweg sloeg Jones het boekje wel honderd maal open, kuste het even
dikwijls, praatte veel voor zich heen, en zeer weinig tegen zijne
makkers. Over dit alles drukte de gids zijne verbazing uit tegen
Partridge, die meer dan eens het hoofd schudde, en zuchtte: „De arme
man! Orandum est ut sit mens sana in corpore sano!”
Eindelijk bereikten zij juist de plek, waar Sophia het zakboekje zoo
ongelukkig verloren had, en het weer zoo gelukkig gevonden werd door
den bedelaar.
Dáár wilde Jones afscheid nemen van zijn gids en zijn pas versnellen;
maar de kerel, bij wien de eerste sterke verbazing en vreugde over de
ontvangst van de guinje nu aanmerkelijk verminderd was, en die al den
tijd had gehad om zich te bedenken, nam eene ontevredene houding aan,
en, het hoofd krabbende, zeide hij, „dat hij hoopte dat mijnheer hem
nog iets meer geven zou. Mijnheer zal zich wel herinneren,” voegde hij
er bij, „dat als ik geen eerlijk man had willen blijven, ik het geheel
voor mij had kunnen houden.”
En werkelijk zal de lezer moeten bekennen, dat dit de waarheid was.
„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft
de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien,
verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet
weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er
uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van
mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt,
behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit
alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer
dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik
mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal
dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had
alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van
geweten hebben.”
„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige
eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”
„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of
niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft
van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en
hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit
iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”
„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal
stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor
u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts
hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat
gij later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen
morgen.”
„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het
schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult
terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”
„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en
waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal
dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”
Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje
te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats
op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier
schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam
geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste
der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”
„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever
dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”
Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit
op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak
slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering
dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen,
vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door
Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op
zak had, met nieuwen moed bezield was.
Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede
zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de
armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren,
dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”