WAARIN (HOEWEL DE LANDJONKER ZIJNE DOCHTER NIET VINDT) IETS GEVONDEN
WORDT DAT EEN EINDE MAAKT AAN ZIJNE VERVOLGING.
De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij
eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar
hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij
gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.
De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde
landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij
in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf
dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne
volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de
schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar
inhalen kon.
Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar
zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij,
na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de
voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar
Worcester reed.
Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon
te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een
ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en
verwenschingen.
De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.
„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop
meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame
tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in
geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra,
door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde
hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat
gij binnen zeer kort compos voti zult wezen.”
„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik
betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t
Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij
dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige
vorst!”
Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden
zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook
medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne
dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding
daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden
uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand
der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren,
wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen,
terwijl Western uitriep:
„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn
paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had,
daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele
gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden
toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil
gebed doende, de achterhoede uitmaakte.
Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het
verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep,
naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en
steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed
van haar man, om het arme diertje te vervolgen.
Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden was over
de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen
opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan
ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere
gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het
ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in
zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur
uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat,
hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”
Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig
gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel
veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en
jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen,
beide op hem toepassen.
De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker
volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift,
en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in
’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de
jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die
hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig
mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.
Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen,
dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de
dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf
ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een
afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor
den volgenden zondag te bedenken.
De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de
aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten
verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand
ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook
niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door
zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.
Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op
pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid te denken;
want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de
overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over;
dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij
elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de
jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de
vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster
waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het
aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn
rang.
Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier,
dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de
beide landjonkers ook op zijn landjonkers.
Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een
bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter
niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen
het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer
besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd
aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede
eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.
Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd
niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat
zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en
geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de
nederlaag hem tot schande strekt.
Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk
onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was
hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen
men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en
den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de
belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den
volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen
naar huis terug te keeren.
Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen avond
uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne
paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de
heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun
gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western
overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door
ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg
in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij
naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en
groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt
geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij
verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder
een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na
te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste
verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.