HOOFDSTUK II.

WAARIN (HOEWEL DE LANDJONKER ZIJNE DOCHTER NIET VINDT) IETS GEVONDEN

WORDT DAT EEN EINDE MAAKT AAN ZIJNE VERVOLGING.

De geschiedenis keert nu tot de herberg te Upton terug, van waar wij

eerst de voetstappen van den heer Western nasporen zullen; want daar

hij spoedig het einde van zijn togt bereikt zal hebben, hebben wij

gelegenheid genoeg om daarna onzen held te volgen.

De lezer zal de goedheid hebben zich te herinneren, dat genoemde

landjonker, in hevige woede ontstoken, de herberg verliet, en dat hij

in die woede zijne dochter vervolgde. Daar de stalknecht hem berigt gaf

dat Sophia de Severn overgetrokken was, ging hij ook met zijne

volgelingen die rivier over en reed in vollen ren verder, zwerende de

schitterendste wraak te nemen op de arme Sophia, als hij haar maar

inhalen kon.

Hij was echter niet ver gekomen toen hij zich op een punt bevond, waar

zich twee wegen kruisten. Hier belegde hij een krijgsraad, waarop hij,

na verschillende gevoelens aangehoord te hebben, eindelijk de

voortzetting van den togt aan het geluk overliet en regtuit naar

Worcester reed.

Hij was echter pas een paar mijlen verder gekomen toen hij bitter begon

te klagen en gedurig uitriep: „Hoe jammer! Wat ben ik toch een

ongeluksvogel!” Wat gevolgd werd door eene heele rist vloeken en

verwenschingen.

De dominé trachtte hem bij deze gelegenheid te troosten.

„Treur niet, mijnheer,” zeide hij, „gelijk een mensch, die geene hoop

meer heeft. Alhoewel het ons niet heeft mogen gelukken de jonge dame

tot dusver in te halen, mogen wij ons toch verheugen dat wij er in

geslaagd zijn om het goede spoor te volgen. Welligt zal zij weldra,

door de reis vermoeid, in de eene of andere herberg inkeeren, ten einde

hare ligchaamskrachten te herstellen, en in dat geval is het zeker dat

gij binnen zeer kort compos voti zult wezen.”

„Bah! De Satan hale die gemeene meid!” hernam de landjonker. „Ik

betreur maar het verlies van zulk een schoonen morgen voor de jagt. ’t

Is drommels hard een der schoonste dagen voor de vossenjagt, die wij

dit jaar gehad hebben te verzuimen—vooral na zulk eene langdurige

vorst!”

Ik wil niet beslissen of het noodlot, dat tusschenbeide te midden

zijner grilligste streken wat medelijden laat doorschemeren, nu ook

medelijden met den landjonker had,—en daar het besloten had hem zijne

dochter niet te laten inhalen, zich voorgenomen had eenige vergoeding

daarvoor te schenken;—maar naauwelijks had hij bovenstaande woorden

uitgesproken, gevolgd door een paar vloeken, toen, op korten afstand

der reizigers, de welluidende stemmen der jagthonden zich deden hooren,

wat den landjonker en zijne paarden tegelijk de ooren deed spitsen,

terwijl Western uitriep:

„Ze zijn achter den vos! Verdoemd! Ze zijn er achter!” waarop hij zijn

paard de sporen gaf, dat echter deze opwekking zeer weinig noodig had,

daar het dezelfde neiging koesterde als zijn ruiter,—en het heele

gezelschap reed nu dwars over de akkers, regtstreeks naar de honden

toe, met veel geschreeuw en hoera’s, terwijl de arme dominé, een stil

gebed doende, de achterhoede uitmaakte.

Even zoo verhaalt de Fabelkunde, dat de fraaije poes, die venus, op het

verzoek van een driftigen minnaar, in eene schoone vrouw herschiep,

naauwelijks eene muis zag, of indachtig aan vroegere jagtpartijen, en

steeds harer oorspronkelijke natuur getrouw, zij vlugtte uit het bed

van haar man, om het arme diertje te vervolgen.

Wat moeten wij hieruit opmaken? Niet dat de bruid ontevreden was over

de omhelzing van haren verliefden bruidegom; want hoewel sommigen

opgemerkt hebben, dat de katten onderhevig zijn aan

ondankbaarheid,—zijn toch de vrouwen en de katten bij zekere

gelegenheden geneigd om in haar schik te zijn, en om te spinnen. Het

ware van de zaak is, zoo als de schrandere Roger l’Estrange opmerkt in

zijne diepzinnige overdenkingen: „dat al jagen wij de natuur de deur

uit, zij toch weder door het venster binnenwippen zal, en dat de kat,

hoewel eene dame geworden, toch steeds op de muizenjagt zal gaan.”

Om die reden, moeten wij den landjonker niet veroordeelen wegens eenig

gebrek aan liefde tot zijne dochter; want, werkelijk, hield hij heel

veel van haar; maar wij moeten slechts bedenken, dat hij landjonker en

jager was, en dan kunnen wij de fabel en de zedeles daaruit te halen,

beide op hem toepassen.

De honden liepen, gelijk men zegt, door dik en dun en de landjonker

volgde, over sloot en heg, met zijne gewone luidruchtigheid en drift,

en met even veel genoegen als altijd, terwijl de gedachte aan Sophia in

’t geheel niet bij hem opkwam, om het genoegen te storen dat hij in de

jagt smaakte, welke, naar hij verklaarde, eene der schoonste was, die

hij ooit mede gemaakt had, en die wel de moeite loonde van vijftig

mijlen ver te reizen, om ze bij te wonen.

Daar de landjonker zijne dochter vergat, valt het ligt te begrijpen,

dat de knechts ook niet aan hunne jonge meesteresse dachten, en de

dominé, na in het Latijn zijne verbazing lucht gegeven te hebben, gaf

ook eindelijk alle verdere gedachten aan de jonge dame op, en op een

afstand achterna sukkelende, begon hij een eindje van zijne preek voor

den volgenden zondag te bedenken.

De landjonker, wien de honden toebehoorden, was zeer ingenomen met de

aankomst van zijn mede-landjonker en jager; want alle menschen weten

verdiensten, welke zij ook hebben, bij anderen te waarderen, en niemand

ter wereld muntte meer uit in het veld dan de heer Western, terwijl ook

niemand door zijne stem de honden beter wist aan te moedigen, of door

zijn hallo! de jagt meer te verlevendigen.

Jagers, in het vuur der jagt, hebben het veel te druk om op

pligtplegingen te letten,—of zelfs aan de menschlievendheid te denken;

want, als er een in eene sloot rolt, of in de rivier valt, rijden de

overigen achteloos verder, en laten hem gewoonlijk aan zijn lot over;

dus gedurende de jagt, hoewel de beide landjonkers dikwerf digt bij

elkaar waren, wisselden zij onderling geen enkel woord. De heer van de

jagt echter, die herhaaldelijk opmerkte met hoe veel oordeel de

vreemdeling de honden wist bij te staan als zij het spoor bijster

waren, vatte een hoog denkbeeld op van zijn verstand, terwijl het

aantal zijner volgelingen hem eerbied inboezemde ten opzigte van zijn

rang.

Zoodra dus het vermaak geëindigd was door den dood van het arme dier,

dat aanleiding daartoe gegeven had, ontmoetten en begroetten elkaar de

beide landjonkers ook op zijn landjonkers.

Het gesprek was levendig genoeg, en wij zullen het welligt in een

bijvoegsel mede deelen, of bij eene andere gelegenheid; daar het echter

niets te maken had met deze geschiedenis, kunnen wij er niet toe komen

het hier in te lasschen. Het eindigde met eene tweede jagt, die weer

besloten werd met eene uitnoodiging voor het middagmaal. Deze werd

aangenomen en gevolgd door eene fiksche drinkpartij, die daarmede

eindigde dat de heer Western zeer vast in den slaap raakte.

Onze landjonker was dien avond, wat het drinken aangaat, hoegenaamd

niet bestand noch tegen zijn gastheer, noch tegen dominé Supple, wat

zeer goed te verklaren is door de geweldige inspanning van ligchaam en

geest, waaraan hij blootgesteld was geweest, zonder dus dat de

nederlaag hem tot schande strekt.

Zoo als men het dan wel eens plat uitdrukt,—hij liet zich letterlijk

onder de tafel drinken; want eer hij de derde flesch geleegd had, was

hij zoo geheel en al „weg,” dat hoewel het eerst veel later was toen

men hem naar bed droeg, de dominé hem toch als afwezig beschouwde, en

den anderen landjonker alles verteld hebbende van Sophia, van hem de

belofte verkreeg, om hem te ondersteunen in de redenen, welke hij den

volgenden morgen gebruiken wilde, om den heer Western over te halen

naar huis terug te keeren.

Zoodra dus de goede landjonker den roes van den vorigen avond

uitgeslapen en om den morgendrank geroepen had, en terwijl hij zijne

paarden bestelde om de vervolging van Sophia voort te zetten, begon de

heer Supple met hem die af te raden en werd zoo krachtig door hun

gastheer ondersteund, dat zij eindelijk slaagden en den heer Western

overhaalden om naar huis terug te keeren,—waartoe hij voornamelijk door

ééne beweegreden gedrongen werd: namelijk dat hij niet wist welken weg

in te slaan, en even goed van zijne dochter af kon rijden als dat hij

naar haar toe reed. Hij nam dus afscheid van zijn broeder-jager, en

groote vreugde uitdrukkende dat het gedaan was met de vorst,—welligt

geene geringe reden om zijne tehuiskomst te bespoedigen,—trok hij

verder, of liever trok hij terug naar Somersetshire; maar niet zonder

een gedeelte van zijn gevolg afgezonden te hebben om zijne dochter na

te zetten,—die hij ook met eene volle laag der bitterste

verwenschingen, welke hij bedenken kon, vervolgde.

Tom Jones · 第 196 / 340 题