AANTOONENDE WAT MEN ALS PLAGIAAT MOET BESCHOUWEN BIJ EEN HEDENDAAGSCHEN
SCHRIJVER, EN WAT MEN VOOR WETTIGEN BUIT MAG HOUDEN.
De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit
grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder
het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van
het boek waaruit het ontleend was.
Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé
Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne
Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.
„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor
hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den
lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen,
die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het
overschrijven zouden gekost hebben.”
Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd
worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op
die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in
het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet
in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder
gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te
geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een
schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne
werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren,
op dezelfde kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf
trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen,
zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker
tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets
dient.
En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en
onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en
tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms
in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den
lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten
minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de
woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk
eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen
en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij
eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men
gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden
van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.
Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken
en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als
eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op
den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten
grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij
hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de
rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige
menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft
van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen
beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke
buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit
onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden
zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke
dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap
bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens
bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren,
die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien in dergelijke rooverijen,
het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting
om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te
beveiligen.
Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus,
Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele
rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons
sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat
onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben
gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al
wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch,
is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het
graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad
hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de
armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog
erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.
Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij
spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik
bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal
voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden
schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te
eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze
ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven
op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen
zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en
uitsluitend de mijne zullen beschouwen.
Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch
toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover
mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige
dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat
het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.
Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die
vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de
vrijheid nam om zes er van over te schrijven in een zijner dramatische
werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde
beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug
en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke
gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven
staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner
oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.