HOOFDSTUK I.

AANTOONENDE WAT MEN ALS PLAGIAAT MOET BESCHOUWEN BIJ EEN HEDENDAAGSCHEN

SCHRIJVER, EN WAT MEN VOOR WETTIGEN BUIT MAG HOUDEN.

De geleerde lezer zal opgemerkt hebben, dat ik in den loop van dit

grootsche werk dikwerf uit de oude schrijvers iets vertaald heb, zonder

het oorspronkelijke te melden, en zonder de minste notitie te nemen van

het boek waaruit het ontleend was.

Deze handelwijze bij het schrijven wordt door den vernuftigen Abbé

Bannier in een zeer juist licht gesteld in het voorwoord tot zijne

Fabelkunde, een even geleerd als oordeelkundig werk.

„De lezer zal spoedig opmerken,” zegt hij, „dat ik dikwerf meer voor

hem over had dan voor mijn eigen naam; want een schrijver bewijst den

lezer zeker groote hulde, als hij om zijnentwil geleerde aanhalingen,

die hem invallen, terughoudt, die hem slechts de geringe moeite van het

overschrijven zouden gekost hebben.”

Het mag inderdaad als bepaald bedrog van de geleerde wereld beschouwd

worden, indien men een boek met dergelijke brokken opvult; daar ze op

die wijze overgehaald wordt om ten tweeden male, in fragmenten en in

het klein, datgene te koopen wat ze reeds in het groot bezit, zoo niet

in haar geheugen, dan toch op hare boekenplanken; en het is nog wreeder

gehandeld ten opzigte der ongeletterden, die genoodzaakt worden geld te

geven voor iets, dat ze op geenerlei wijze weten te gebruiken. Een

schrijver, die eene groote hoeveelheid Latijn en Grieksch in zijne

werken inlascht, handelt, ten opzigte der dames en der groote heeren,

op dezelfde kleingeestige wijze als de vendumeesters, die dikwerf

trachten al wat ze verkoopen te verwarren en onder elkaar te mengen,

zoodat men, als men het een of ander voorwerp hebben wil, tegelijker

tijd genoodzaakt wordt een heelen rommel te koopen, die tot niets

dient.

En toch, daar er geen handelwijze bestaat, die hoe eerlijk en

onbaatzuchtig ook, niet verkeerd begrepen wordt door de onwetendheid en

tevens verkeerd voorgesteld wordt door de kwaadwilligheid, ben ik soms

in de verzoeking geweest om mijn eigen goeden naam op kosten van den

lezer te bewaren, en om het oorspronkelijke over te schrijven, of ten

minste hoofdstuk en vers aan te halen, telkens als ik de gedachte of de

woorden van iemand anders gebezigd heb. Ik twijfel ook werkelijk

eenigzins, of ik niet door de tegenovergestelde handelwijze te volgen

en den naam van den oorspronkelijken schrijver te onderdrukken, mij

eerder aan de verdenking van plagiaat heb blootgesteld, dan dat men

gelooven zal dat ik mij liet leiden door de beminnelijke beweegreden

van bovenvermelden, te regt beroemden Franschman.

Om nu in het vervolg alle dergelijke verdenkingen te voorkomen, beken

en regtvaardig ik hier het feit. De ouden mogen beschouwd worden als

eene vette gemeenteweide, waarop iedereen, die de geringste woning op

den Parnassus heeft, het volkomene regt bezit om zijne Muze te laten

grazen. Of, om het in een heel duidelijk licht te stellen: wij

hedendaagschen zijn tegenover de ouden, wat de armen zijn tegenover de

rijken. Door de armen bedoel ik hier die groote en eerbiedwaardige

menigte, welke wij het graauw noemen. Nu zal iedereen, die de eer heeft

van eenigzins gemeenzaam bekend te zijn met dit graauw, volkomen

beseffen, dat het een vaste grondregel bij dat volkje is om zijne rijke

buren zonder bedenking te bestelen en uit te plunderen, en dat zij dit

onderling noch als zonde noch als schandaal beschouwen. En zij houden

zich zoo standvastig aan dit grondbeginsel, dat er, in bijna elke

dorpsgemeente van het rijk, altijd eene soort van bondgenootschap

bestaat tegen zekeren welvarenden man, den heer van de plaats, wiens

bezittingen als vrije buit beschouwd worden door al zijne arme buren,

die, daar zij hoegenaamd geene misdaad zien in dergelijke rooverijen,

het als een punt van eer beschouwen, en als eene zedelijke verpligting

om elkaar bij dergelijke gelegenheden tegen straf te beschermen, en te

beveiligen.

Op dezelfde wijze moeten de oude schrijvers, zoo als Homerus,

Virgilius, Horatius, Cicero en anderen, beschouwd worden als zoo vele

rijke grondbezitters, van wie wij, de armen van den Parnassus, ons

sints onheugelijke tijden het regt toekennen om alles te nemen wat

onder ons bereik valt. Deze vrijheid eisch ik voor mij zelven, en ben

gereed ze ook op zijne beurt aan mijn armen buurman toe te kennen. Al

wat ik van mij zelven getuig en al wat ik van mijne broederen eisch,

is, dat wij onder ons dezelfde strenge eerlijkheid bewaren, welke het

graauw onderling in acht neemt. Om elkaar te bestelen is inderdaad

hoogst misdadig en onbetamelijk; want men kan dat werkelijk noemen de

armen (soms iemand die armer is dan wij zelve) bestelen,—of wat nog

erger en schandelijker is,—een diefstal in het hospitaal plegen.

Daar nu, na het strengste onderzoek, mijn eigen geweten mij vrij

spreekt van eenigen verachtelijken diefstal van dien aard, ben ik

bereid schuld te bekennen wat de eerste aanklagt betreft, en ik zal

voortaan ook niet schroomen mij iedere passage, welke ik bij een ouden

schrijver vinden kan, en waarvan ik gebruik weet te maken, toe te

eigenen, ook zonder den naam van den schrijver te vermelden van wien ze

ontleend is. Ja, ik zal zelfs mijn eigendomsregt bepaaldelijk handhaven

op alle zulke denkbeelden zoodra ze in mijne geschriften overgenomen

zijn, en ik verwacht dan dat alle lezers ze verder als geheel en

uitsluitend de mijne zullen beschouwen.

Ik verlang echter slechts onder ééne voorwaarde dat men mij dezen eisch

toesta, namelijk dat ik de stiptste eerlijkheid in acht neem tegenover

mijne arme broederen, wier merk, als ik ooit iets leen van het weinige

dat zij bezitten, ik nooit nalaten zal op hun eigendom te zetten, opdat

het altijd aan den wettigen eigenaar moge terug gegeven worden.

Het verzuim hiervan was zeer te berispen bij zekeren heer Moore, die

vroeger eenige regels van Pope en Compagnie ontleend hebbende, de

vrijheid nam om zes er van over te schrijven in een zijner dramatische

werken. De heer Pope vond ze echter gelukkig in dat tooneelstuk, legde

beslag op zijn eigendom, bragt dien weder in zijne eigene werken terug

en tot verdere straf, wierp hij genoemden Moore in de walgelijke

gijzeling zijner Dunciade, waar zijn ongelukkige naam nog geschreven

staat, en ten eeuwigen dage blijven zal, tot welverdiende straf zijner

oneerlijke handelwijze in den verzenhandel.

Tom Jones · 第 195 / 340 题