HOOFDSTUK III.

HET VERTREK VAN JONES UIT UPTON, EN HETGEEN ER TUSSCHEN HEM EN

PARTRIDGE ONDERWEG VOORVIEL.

Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te

zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te

laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen

moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten,

daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk

zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten

einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen

hebben.

Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig

niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet

gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden

dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug

keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in

het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.

De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige

oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden

weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op

dat oogenblik te Upton te krijgen waren.

Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit

geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer

misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge

even droefgeestig bij elke schrede.

Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om

een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot

Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij

inslaan moesten.

„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen

kondet om mijn raad te volgen!”

„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu

geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”

„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „om onmiddellijk regtsomkeert

te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als

gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag

u wel excuus: sed vox ea sola reperta est.”

„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren

zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou

ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede

Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld.

De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik

zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—

Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en

schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees

ooit vroeger gedaan had.

Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat

hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een

oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag

van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders

getroffen had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en

zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.

Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle

streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als

wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou

getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al

ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer

geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite

gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden

dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende

beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden

zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den

lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is;

want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier

en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer

uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.

Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als

een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde,

wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer

ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op

hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te

verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij

vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.

Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op

te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd

uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn

engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom

aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene

heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware

het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”

Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken

de landjonker gevolgd had, en door louter toeval, bevond hij zich op

het pad door Sophia zelve gekozen.

Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met

elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor

zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij

was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien

vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te

lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke

waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij

begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand

was.

Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot

zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de

arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend

te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was

door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten,

vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk

niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als

hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.

Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het

meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste

belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.

„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo

vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt.

Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden

leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen

mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke

dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein,

dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden

was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van

zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij

liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing

voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik

droomde van nacht van niets dan vechten, en het kwam me voor dat me het

bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer,

„infandum, regina, jubes renovare dolorem!”

„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die

latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker

in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide

sneuvelen;—maar, wat dan?”

„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar?

Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen,

welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig

voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder

den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja!

dan is het uit met den armen Partridge!”

„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep

Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone

regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen

zouden.”

„Dulce et decorum est pro patria mori.

Mors et fugacem persequitur virum,

Nec parcit imbellis juventae

Poplitibus, timidoque tergo.”

„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is

een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo

opdreunt.”

„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die

regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een

zeer onhandige dichter.”

„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!

Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,

Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,

Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”

„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker! Mors omnibus

communis! Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in

zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende

vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop

geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den

sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw

te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten

zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het

kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort

niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij

berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen

te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn

voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander;

neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men

nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd,

en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de

honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat

ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te

worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank!

dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te

sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren

eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en

overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede

uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee

menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand

van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan

was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft,

ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men

ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote

roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een

gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen

kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”

„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van

uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit

weer driftig zou maken!”

„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam

Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat hij gaarne heelshuids

naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus! Ik heb in de

grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!

Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat! Daar

staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift

er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij

een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”

Tom Jones · 第 197 / 340 题