HET VERTREK VAN JONES UIT UPTON, EN HETGEEN ER TUSSCHEN HEM EN
PARTRIDGE ONDERWEG VOORVIEL.
Eindelijk zijn wij tot onzen held terug gekeerd, en om de waarheid te
zeggen, wij zijn genoodzaakt geweest hem zoo lang in den steek te
laten, dat aangemerkt den toestand, waarin wij hem lieten, ik vreezen
moet, dat vele mijner lezers besloten hebben hem voor goed te verlaten,
daar hij in die positie was, waarin voorzigtige lieden gewoonlijk
zorgen om geen verdere navraag omtrent hunne vrienden te doen, ten
einde niet geschokt te worden door te vernemen dat zij zich opgehangen
hebben.
Maar, wezenlijk, zoo ik niet al de deugden bezit, bezit ik ook stellig
niet al de ondeugden van een voorzigtig mensch; en hoewel het niet
gemakkelijk valt zich veel jammerlijker omstandigheden te verbeelden
dan die van den armen Jones op dit oogenblik, zal ik toch tot hem terug
keeren, en hem met dezelfde oplettendheid verder volgen alsof hij in
het felste licht van het schitterendste geluk dartelde.
De heer Jones dan en zijn makker Partridge verlieten de herberg weinige
oogenblikken na het vertrek van den heer Western en volgden denzelfden
weg te voet; want de staljongen verklaarde hun dat er geene paarden op
dat oogenblik te Upton te krijgen waren.
Met een bezwaard hart trokken zij verder; want hoewel hunne onrust uit
geheel verschillende bronnen voortsproot, waren toch beiden zeer
misnoegd, en zoo Jones bij elken stap, diep zuchtte, steunde Partridge
even droefgeestig bij elke schrede.
Toen zij den kruisweg bereikten, waar de landjonker halt gemaakt had om
een krijgsraad te beleggen, maakte Jones insgelijks halt, en zich tot
Partridge wendende, vroeg hij zijne meening omtrent het pad dat zij
inslaan moesten.
„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ik wilde maar, dat gij er toe komen
kondet om mijn raad te volgen!”
„En waarom zou ik dat niet doen?” vroeg Jones; „want het is me nu
geheel onverschillig waarheen ik ga, of wat er van mij wordt.”
„Dan geef ik u den raad,” zei Partridge, „om onmiddellijk regtsomkeert
te maken en naar huis te gaan; want wie, die zulk een tehuis heeft als
gij, mijnheer, zou als een landlooper dus rond willen dwalen? Ik vraag
u wel excuus: sed vox ea sola reperta est.”
„Helaas,” riep Jones, „ik heb geen te huis waarheen ik terugkeeren
zou;—want zelfs als mijn vriend, mijn vader, mij opnemen wilde, hoe zou
ik in die streek kunnen vertoeven, van waar Sophia gevlugt is!—O wreede
Sophia! Wreed? Neen! Ik zelf draag de schuld! Neen, gij hebt de schuld.
De drommel hale u, ezel! Domkop! Gij hebt me te gronde gerigt, en ik
zal u de ziel uit het ligchaam schudden!”—
Met deze woorden greep hij den armen Partridge stevig bij de kraag en
schudde hem erger door elkaar dan de koude koorts of zijne eigene vrees
ooit vroeger gedaan had.
Partridge viel bevende op de knieën en smeekte om genade, zwerende dat
hij geene booze bedoelingen had gehad,—waarop Jones, na hem een
oogenblik woest aangestaard te hebben, hem los liet, en in eene vlaag
van woede tegen zich zelven ontbrandde, welke, als ze iemand anders
getroffen had, zeker een einde aan diens leven zou gemaakt hebben,—en
zelfs de vrees daarvoor zou bijna genoeg zijn geweest om dat te doen.
Wij zouden ons nu de moeite getroosten om naauwkeurig al de dolle
streken te beschrijven, welke Jones bij deze gelegenheid beging, als
wij maar overtuigd konden zijn, dat de lezer zich de moeite zou
getroosten van ze te lezen; daar wij echter vreezen moeten, dat na al
ons werk bij het afschilderen van dit tooneel, genoemde lezer zeer
geneigd zou wezen het over te slaan, hebben wij ons die moeite
gespaard. Om de waarheid te zeggen, wij hebben alleen om deze reden
dikwerf ons weelderig genie besnoeid, en vele uitmuntende
beschrijvingen uit ons boek weggelaten, welke men er anders in gevonden
zou hebben. En, om eerlijk alles te bekennen, deze verdenking van den
lezer ontstaat uit ons eigen boos hart, wat gewoonlijk het geval is;
want wij zelve zijn dikwerf in de sterkste verzoeking geweest om hier
en daar in een boek een boel over te slaan,—en de werken van zeer
uitvoerige geschiedschrijvers slechts eventjes te doorbladeren.
Genoeg dan, als wij kortaf zeggen, dat Jones, na zich eenigen tijd als
een volslagen gek aangesteld te hebben, langzamerhand weder bedaarde,
wat naauwelijks gebeurd was, of hij wendde zich tot Partridge, zeer
ernstig vergiffenis smeekende voor den hevigen aanval, welken hij op
hem gedaan had in zijne eerste drift,—en besluitende met hem te
verzoeken om nooit weder van zijne tehuiskomst te spreken, daar hij
vast besloten had geen voet meer in die landstreek te zetten.
Partridge verzoende zich gemakkelijk met hem en beloofde de bevelen op
te volgen, die hem gegeven werden. Hierop riep Jones zeer opgeruimd
uit: „Daar het mij volstrekt onmogelijk is de voetstappen van mijn
engel verder na te sporen,—zal ik voortaan alleen den roem volgen! Kom
aan, beste jongen, hoera voor het leger! Wij strijden voor eene
heerlijke zaak, en ik zou er gaarne mijn leven in opofferen,—al ware
het zelfs de moeite waard eenige zorg daarvoor te dragen!”
Met deze woorden sloeg hij dadelijk een anderen weg in dan dien welken
de landjonker gevolgd had, en door louter toeval, bevond hij zich op
het pad door Sophia zelve gekozen.
Onze reizigers trokken nu ruim een kwartier verder zonder één woord met
elkaar te wisselen, hoewel Jones onophoudelijk het een of ander voor
zich heen mompelde. Wat Partridge aangaat, deze bleef zwijgen, want hij
was welligt niet geheel hersteld van zijn vorigen schrik; bovendien
vreesde hij eene tweede uitbarsting van zijn vriends toorn uit te
lokken, vooral daar hij nu eene gedachte begon te koesteren, welke
waarschijnlijk den lezer niet zeer verrassen zal. Met één woord, hij
begon thans te vermoeden dat Jones niet meer regt bij zijn verstand
was.
Eindelijk wendde zich Jones, die genoeg had van zijne alleenspraak, tot
zijn medereiziger en berispte hem over zijn stilzwijgen, waarvoor de
arme drommel zeer eerlijk als reden opgaf dat hij vreesde zijn vriend
te beleedigen. En thans, daar deze vrees bijna geheel en al geweken was
door de meest onbeperkte beloften van hem algeheele vrijheid te laten,
vierde Partridge weder den teugel aan zijne tong, welke zich denkelijk
niet minder over de herkregene vrijheid verheugde, dan een veulen, als
hem de halster afgenomen, en hij zelf losgelaten wordt in de weide.
Daar Partridge niet spreken mogt over het onderwerp dat zijne ziel het
meeste vervulde, ging hij tot dat over, hetwelk daarna hem het meeste
belang inboezemde—namelijk—de oude man van den Berg.
„’t Kon toch zeker geen man zijn, mijnheer,” zeide hij, „die zich zoo
vreemd kleedt en zoo heel anders dan andere menschen handelt.
Bovendien, vertelde me die oude vrouw dat hij voornamelijk van kruiden
leeft, wat eerder kost is voor een paard dan voor een christen
mensch;—ja, de waard te Upton zegt, dat de buren daar verschrikkelijke
dingen van hem vertellen. Het spookt mij vreesselijk door het brein,
dat het de een of andere geest moet geweest zijn, die welligt gezonden
was om ons te waarschuwen, en wie weet of al wat hij ons vertelde van
zijn vechten en zijne gevangenschap en van het groote gevaar dat hij
liep van opgehangen te worden, niet bedoeld werd als eene waarschuwing
voor ons, omtrent al hetgeen wij zelve ondernemen wilden. Bovendien: ik
droomde van nacht van niets dan vechten, en het kwam me voor dat me het
bloed uit den neus stroomde als uit een kraan. Werkelijk, mijnheer,
„infandum, regina, jubes renovare dolorem!”
„Uw verhaal, Partridge,” hernam Jones, „is bijna even ongerijmd als die
latijnsche aanhaling hier. Niets overkomt den mensch waarschijnlijker
in den strijd dan de dood. Misschien zullen wij ook beide
sneuvelen;—maar, wat dan?”
„Wat dan?” hernam Partridge; „wel, dan is het met ons uit,—niet waar?
Als ik eens dood ben, is het uit met mij. Wat kan het mij schelen,
welke zaak of wie overwint, als ik gedood wordt? Ik zal er nooit eenig
voordeel van trekken. Wat kan het iemand schelen, die zes voet onder
den grond ligt, of men de klokken luidt en vreugdevuren ontsteekt?—Ja!
dan is het uit met den armen Partridge!”
„Vroeger of later zal het toch uit zijn met den armen Partridge,” riep
Jones. „Daar gij zoo verzot zijt op het Latijn, zal ik u eenige schoone
regels van Horatius opzeggen, die zelfs een lafaard met moed bezielen
zouden.”
„Dulce et decorum est pro patria mori.
Mors et fugacem persequitur virum,
Nec parcit imbellis juventae
Poplitibus, timidoque tergo.”
„Wees maar zoo goed en vertaal dat,” zei Partridge; „want Horatius is
een moeijelijke schrijver, en ik versta het niet best als gij het zoo
opdreunt.”
„Ik zal u eene slechte navolging, of liever, eene omschrijving van die
regels geven, welke ik zelf gemaakt heb,” zei Jones, „want ik ben een
zeer onhandige dichter.”
„Hoe schoon is ’t voor het vaderland te sneven!
Vergeefs smeekt ook de lafaard om zijn leven,
Den dood ontvliedt hij niet; zijn schicht, in ’t oorlogsveld,
Bereikt den vlugtling ook, vaak eerder dan den held!”
„Dat is ontwijfelbaar waar,” riep Partridge. „Wel zeker! Mors omnibus
communis! Maar het is iets heel anders, over een groot aantal jaren in
zijn bed te sterven als een christen, omgeven door zijne weenende
vrienden, of misschien heden of morgen als een dolle hond voor den kop
geschoten te worden,—of nog erger, in de pan gehakt te worden met den
sabel, en dat nog eer men den tijd heeft gehad over zijne zonden berouw
te hebben. De Heere zij ons genadig! Maar, ’t is waar, die soldaten
zijn een slecht volkje, waarmede ik nooit gaarne iets te maken had. Het
kostte mij altijd moeite hen als christenen te beschouwen. Men hoort
niets onder hen dan razen en vloeken. Ik wilde maar, mijnheer, dat gij
berouw kreegt eer het te laat is, en er niet meer aan dacht onder hen
te gaan. Slechte zamensprekingen bederven goede zeden. Dat is mijn
voornaamste bezwaar. Want overigens, ik ben niet banger dan een ander;
neen! Ik weet wel dat al wat vleesch is sterven moet;—maar toch kan men
nog al jaren lang leven! Wel! Ik ben een man van middelbaren leeftijd,
en ik kan nog vele jaren leven. Ik heb van velen gelezen, die over de
honderd jaren oud werden,—en van enkelen die nog ouder werden. Niet dat
ik hoop,—dat wil zeggen, dat ik verwacht om zelf zóó oud te
worden!—maar als ik het slechts tot tachtig of negentig breng,—Goddank!
dat is nog al ver genoeg af, en ik vrees niet tegen dien tijd te
sterven meer dan een ander; maar, werkelijk, om den dood te trotseren
eer onze tijd gekomen is,—dat schijnt me bepaaldelijk slecht en
overmoedig toe! Daarenboven, als men wezenlijk iets goeds er mede
uitrigtte!—maar in welke zaak het ook zij, wat kunnen toch slechts twee
menschen uitvoeren? En wat mij betreft, ik heb er ook geen verstand
van. Ik heb geen tien maal in mijn leven een geweer afgeschoten,—en dan
was het nog niet eens met een kogel geladen! En wat den degen betreft,
ik heb nooit schermen geleerd en begrijp er niets van. Dan heeft men
ook nog die kanonnen,—en men zal wel toestemmen, dat het groote
roekeloosheid zou zijn, die in den weg te staan, en niemand dan een
gek,——o ik vraag verschooning! Bij mijne ziel, ik bedoelde geen
kwaad;—ik smeek u, mijnheer, niet weer driftig te worden!”
„Wees niet bang, Partridge!” riep Jones. „Ik ben nu zoo volkomen van
uwe lafhartigheid overtuigd, dat niets wat gij zeggen kunt mij ooit
weer driftig zou maken!”
„Mijnheer kan me lafaard noemen of wat hem goed dunkt,” hernam
Partridge. „Als een mensch een lafaard is, omdat hij gaarne heelshuids
naar bed toe gaat,—non immunes ab illis malis sumus! Ik heb in de
grammaire nooit gelezen, dat een man die niet vecht geen echte man is!
Vir bonus est quis? Qui consulta patrum, qui leges juraque servat! Daar
staat geen woord in van vechten en ik weet zeker dat de Heilige Schrift
er zoo sterk tegen is, dat een mensch mij nooit overtuigen kan dat hij
een goed christen is, als hij christenbloed doet vloeijen!”