HOOFDSTUK IX.

HET AANBREKEN VAN DEN DAG, BESCHREVEN IN DEN VERHEVENEN TRANT. EEN

POSTWAGEN. DE BELEEFDHEID DER MEIDEN. DE HELDHAFTIGE AARD VAN SOPHIA.

HARE EDELMOEDIGHEID. HOE DIE VERGOLDEN WORDT. HET VERTREK VAN HET

GEZELSCHAP, EN DE AANKOMST TE LONDEN, MET EENIGE OPMERKINGEN TEN

BEHOEVE VAN REIZIGERS.

Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van

het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun

dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren

zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne

morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en

de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid

begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl

de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te

woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne

rust te storen.

Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames

gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat

zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.

En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen;

want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd

worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met

gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo

in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer

mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in

den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden,

en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter

onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan

de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.

Milord had een einde aan de discussie willen maken, door met de meeste

beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit

wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat

de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords

rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien

werd.

Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames

hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi,

gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in

hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van

hare dienaresse geleden had.

Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar

eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd

pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting,

en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het

oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht

overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te

vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij

zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen

zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere

laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker,

daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar

gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het

doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te

helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.

Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich

slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder

te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.

Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine

ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en

opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.

Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het

rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!”

enz. eindelijk bezweek voor de nog grootere beleefdheid harer zuster

kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te

nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo

hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk

gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.

De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd

door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren

met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben

om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In

dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar

zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of

inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords

gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.

De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia

gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over

zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn

omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem

niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen,

en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de

dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen

rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”

Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet

beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man

ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder

gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.

„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel

beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets

berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een

boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me

verbaasde u te zien aannemen.”

„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.

„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat

ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag

ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t

Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me

verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig

duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder

de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t

procederen gaan?”

„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”

„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op

aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als

een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een

zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let

daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”

De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te

roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar

bij deze gelegenheid.

Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en

zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat

zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden

avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der

moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde

haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis

zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in

spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen

reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn

verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de

schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te

Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen

te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt

der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze

plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op

anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de

laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier

vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest

bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige

beheerscheresse op den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de

zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier

biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het

bovengenoemde overtroffen kan worden.

Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in

deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die

veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden

van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den

verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke

hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van

Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts

van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp

zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met

medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen

aan onze blikken openstellen.

Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter,

de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele

talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken

tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne

paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een

uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn

alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde

voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking

beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als

die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke

fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van

gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger

daar opeen gestapeld zijn.

En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen

wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en

andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij

best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want

hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen

verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij

de waarzeggerij ter hulp zult roepen om achter onze meening te

komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er

niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer,

als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij

voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of

dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn

met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.

Tom Jones · 第 192 / 340 题