HET AANBREKEN VAN DEN DAG, BESCHREVEN IN DEN VERHEVENEN TRANT. EEN
POSTWAGEN. DE BELEEFDHEID DER MEIDEN. DE HELDHAFTIGE AARD VAN SOPHIA.
HARE EDELMOEDIGHEID. HOE DIE VERGOLDEN WORDT. HET VERTREK VAN HET
GEZELSCHAP, EN DE AANKOMST TE LONDEN, MET EENIGE OPMERKINGEN TEN
BEHOEVE VAN REIZIGERS.
Die leden van de maatschappij, welke geboren zijn om de gemakken van
het leven te verschaffen, begonnen nu het licht op te steken, om hun
dagelijksch werk aan te vangen ten behoeve van diegenen, die geboren
zijn om die gemakken te genieten. De krachtige boer maakte zijne
morgenbuiging bij zijn medearbeider, den stier; de handige werkman en
de vlijtige daglooner sprongen op van het harde bed; de vlugge werkmeid
begon met de ontredderde gezelschapskamer in orde te brengen, terwijl
de woeste aanrigters van die wanorde in onrustigen slaap lagen te
woelen en zich om te werpen, alsof het dons hard genoeg ware om hunne
rust te storen.
Eenvoudiger gezegd: de klok had pas zeven uur geslagen toen de dames
gereed waren om te vertrekken en Milord, op haar verlangen, beval dat
zijn rijtuig vóór zou komen om haar op te nemen.
En nu rees er een bezwaar, en dit was hoe Milord zelf de reis zou doen;
want hoewel in de postwagens, waar de passagieren juist beschouwd
worden als zoo veel bagage, de verstandige voerman een half dozijn met
gemak inpakt, waar slechts plaats is voor vier (want hij rigt het zoo
in dat de dikke waardin, of de doorvoede raadsheer geene ruimte meer
mag innemen dan de slanke jonkvrouw of de magere jongen,—daar het in
den aard der ingewanden ligt om zich te voegen als ze gedrukt worden,
en in eene naauwe ruimte te liggen)—in alle wagens, welke men ter
onderscheiding „heerenrijtuigen” noemt, hoewel ze soms grooter zijn dan
de anderen, wordt deze wijze van inpakken nooit beproefd.
Milord had een einde aan de discussie willen maken, door met de meeste
beleefdheid voor te stellen, dat hij te paard zou stijgen; maar dit
wilde mevrouw Fitzpatrick volstrekt niet gedoogen. Men besloot dus dat
de beide kamenieren elkaar aflossen zouden op een van Milords
rijpaarden, dat spoedig tot dat einde van een vrouwenzadel voorzien
werd.
Nadat al het overige in het logement geregeld was, ontsloegen de dames
hare gidsen tot die plaats en Sophia gaf den waard eene fooi,
gedeeltelijk om hem de kneuzingen te vergoeden, die hij opgedaan had in
hare dienst, gedeeltelijk als schadeloosstelling voor hetgeen hij van
hare dienaresse geleden had.
Het was op dit oogenblik dat Sophia een verlies ontdekte, hetwelk haar
eenige onrust veroorzaakte, namelijk dat van de banknoot van honderd
pond, welke haar vader haar gegeven had bij hunne laatste ontmoeting,
en die, met uitzondering van eene kleinigheid daarboven, voor het
oogenblik den geheelen schat uitmaakte welken zij bezat. Zij zocht
overal en doorsnuffelde al hare zakken en wierp ze door elkaar; maar te
vergeefs; de banknoot was nergens te vinden, en eindelijk gevoelde zij
zich ook volkomen overtuigd, dat zij ze uit den zak verloren had, toen
zij het ongeluk had gehad,—zoo als te voren gemeld is,—om in de donkere
laan van het paard te vallen. En dit scheen des te waarschijnlijker,
daar zij zich nu herinnerde hoe alles in hare zakken door elkaar
gekomen was, en de groote moeite welke het haar gekost had om het
doekje er uit te halen, ten einde mevrouw Fitzpatrick te
helpen,—slechts één oogenblikje eer zij zelve gevallen was.
Ongelukken van dezen aard,—welke ongemakken ze ook met zich
slepen,—zijn niet in staat om een eenigzins krachtigen geest ter neder
te slaan, tenzij ze door de geldzucht ondersteund worden.
Dus overwon Sophia spoedig haar verdriet, hoe ontijdig ook deze kleine
ramp haar overkwam, en keerde, met hare gewone helderheid en
opgeruimdheid van gelaat, bij haar gezelschap terug.
Milord geleidde nu de beide dames, even als jufvrouw Honour, naar het
rijtuig, welke laatste na vele beleefdheden: „Wel, lieve jufvrouw!”
enz. eindelijk bezweek voor de nog grootere beleefdheid harer zuster
kamenier en zich er aan onderwierp om de eerste beurt in den wagen te
nemen,—waarin zij later wel de geheele reis zou hebben willen doen, zoo
hare meesteresse, na vele vergeefsche wenken, haar niet eindelijk
gedwongen had op hare beurt ook te paard te stijgen.
De koets thans geladen zijnde, werd nu in beweging gesteld, gevolgd
door tal van dienaren en door twee parasieten van Milord, die te voren
met hem in den wagen gereden hadden, en die hij er uitgezet zou hebben
om eene veel minder geldige reden dan die van twee dames te helpen. In
dit geval handelden zij dan ook slechts als fatsoenlijke lieden; maar
zij waren ten allen tijde gereed tot de dienst van knecht, of
inderdaad, nog lager te dalen, om de eer te genieten van Milords
gezelschap, en om het genot te hebben van zijne tafel.
De waard was zoo in zijn schik met de fooi, welke hij van Sophia
gekregen had, dat hij zich eerder verheugde, dan dat hij klaagde over
zijne kneuzingen en krabben. De lezer zal welligt nieuwsgierig zijn
omtrent het bedrag van deze gift;—maar ten dezen opzigte kunnen wij hem
niet bevredigen. Wat het ook was, het vergoedde den waard zijne pijnen,
en hij betreurde alleen, dat hij niet vroeger geweten had hoe weinig de
dame het geld telde. „Want,” zeide hij, „ik had alles dubbel kunnen
rekenen, en zij zou er geen woord tegen ingebragt hebben.”
Zijne vrouw echter was lang niet van dit gevoelen. Ik zal niet
beslissen of zij wezenlijk meer aangedaan was door hetgeen haar man
ondervonden had dan hij zelf; maar zeker is het, dat zij veel minder
gunstig oordeelde over Sophia’s mildheid.
„Wel, manlief!” riep zij, „de dame kent de waarde van het geld veel
beter dan gij u verbeeldt. Zij kon wel denken, dat wij niet in zoo iets
berusten zouden zonder eenige schadevergoeding, en de wet zou haar een
boel meer gekost hebben dan die armzalige kleinigheid, welke het me
verbaasde u te zien aannemen.”
„Ge zijt me ook altijd zoo vervloekt knap!” riep de man.
„Het geregt zou haar een boel meer gekost hebben? Zoo! Gelooft ge dat
ik dat niet even goed weet als gij? Maar van al die boel meer, vraag
ik: zou er iets meer,—of zelfs zoo veel, in mijn zak gekomen zijn? ’t
Is waar, als zoon Thomas, de procureur, nog geleefd had, dan had het me
verheugd om hem zulk een aardig zaakje te geven;—hij zou er een aardig
duitje aan verdiend hebben; maar nu heb ik geen bloedverwant meer onder
de regtsgeleerden, en waarom zou ik, om den wille van vreemden, aan ’t
procederen gaan?”
„Nu ja,” antwoordde zij, „gij dient het best te weten.”
„Dat geloof ik ook,” hernam hij. „Ik verbeeld me wel, dat als het er op
aan komt om een stuiver te verdienen, ik een even fijnen neus heb als
een ander. Laat mij u zeggen, dat niet iedereen de menschen met een
zoet lijntje zoo ver zoude gebragt hebben als ik nu gedaan heb. Let
daarop, zeg ik: iedereen zou zoo veel niet van haar gekregen hebben!”
De vrouw vereenigde zich met haren echtgenoot om zijne wijsheid te
roemen, en op die wijze eindigde het korte gesprek tusschen het paar
bij deze gelegenheid.
Wij zullen dus thans afscheid nemen van deze goede lieden, en Milord en
zijn bekoorlijk reisgezelschap volgen, die zoo veel haast maakten, dat
zij eene reis van dertig uren in twee dagen aflegden, en den tweeden
avond Londen bereikten, zonder eenig avontuur te beleven, dat der
moeite waard zou zijn hier te vermelden. Onze pen zal dus dezelfde
haast maken, als die welke ze beschreven heeft, en onze geschiedenis
zal gelijken tred houden met de reizigers, die er de hoofdrol in
spelen. Goede schrijvers zullen inderdaad wèl doen met den verstandigen
reiziger na te volgen op dit punt, die altijd de lengte van zijn
verblijf op de eene of andere plaats in evenredigheid brengt met de
schoonheden, sierlijkheden en zeldzaamheden, welke ze oplevert. Te
Eshur, te Stowe, te Wilton, te Estbury en te Priors Park, zijn de dagen
te kort voor de verrukte verbeelding;—terwijl men de verbazende magt
der kunst bewondert, welke de natuur verfraait. Op sommige van deze
plaatsen is het de kunst, welke voornamelijk onze aandacht boeit; op
anderen strijden kunst en natuur om den voorrang; maar op de
laatstgemelde plaats schijnt de natuur de overwinning te behalen. Hier
vertoont zij zich in hare rijkste pracht, en de kunst, met de meest
bescheidene eenvoudigheid versierd, volgt hare weldadige
beheerscheresse op den voet. Hier, inderdaad, verkwist de natuur de
zeldzaamste schatten welke zij over de wereld verspreid heeft, en hier
biedt de menschelijke natuur u een voorwerp aan, dat alleen door het
bovengenoemde overtroffen kan worden.
Dezelfde goede smaak, dezelfde verbeelding, die weelderig geniet in
deze sierlijke tooneelen, kan zich ook vermaken met voorwerpen, die
veel minder beroemd zijn. De bosschen, de rivieren, de groene weiden
van Devonshire en van Dorsetshire boeijen de blikken van den
verstandigen reiziger en houden hem op onder weg;—eene vertraging welke
hij later vergoedt door snel heen te vliegen over de sombere heide van
Bagshot, of over dat aangename plein, hetwelk zich uitstrekt westwaarts
van Stockbridge, waar, in een omtrek van zestien mijlen geen voorwerp
zich verheft dan één enkele boom, tenzij welligt de wolken, met
medelijden bezield over onze verveling, vriendelijk hare bonte woningen
aan onze blikken openstellen.
Op eene andere wijze reist de geldzieke koopman, de hoogwijze regter,
de deftige geneesheer, de dik ingepakte vetweider, met het geheele
talrijke kroost van weelde en domheid. Zij sukkelen voort, met gelijken
tred, door de groene velden, of over de barre heide, terwijl hunne
paarden, met de meeste naauwkeurigheid, anderhalf uur afstands in een
uur tijds afleggen. De oogen van het dier en van zijn meester zijn
alleen vóór zich uit gevestigd, en worden gebezigd om dezelfde
voorwerpen op dezelfde wijze te beschouwen. Met even veel verrukking
beschouwt de goede ruiter de schoonste meesterwerken der bouwkunst als
die fraaije gebouwen, waarmede de eene of andere onbekende de rijke
fabriekstad versierd heeft, waar hoopen baksteenen als eene soort van
gedenkteeken opgerigt zijn, om aan te toonen welke hoopen gelds vroeger
daar opeen gestapeld zijn.
En thans, lezer, daar wij haast hebben om onze heldin te volgen, zullen
wij het aan u overlaten, om dit alles toe te passen op de Beotische en
andere schrijvers, die lijnregt tegenover hen staan. En dit kunt gij
best doen zonder onzen bijstand. Rep u dus bij deze gelegenheid; want
hoewel wij u altijd, des vereischt, op moeijelijke plaatsen hulp zullen
verleenen, omdat wij niet (zoo als sommige anderen) verwachten dat gij
de waarzeggerij ter hulp zult roepen om achter onze meening te
komen,—zullen wij, evenwel, uwe luiheid niet aanmoedigen, daar waar er
niets van u gevergd wordt dan oplettendheid; want gij vergist u zeer,
als ge u verbeeldt, dat toen wij dit groot werk begonnen, wij
voornemens waren niets over te laten aan uwe eigene schranderheid, of
dat gij soms, zonder gebruik te maken van die gave, in staat zoudt zijn
met eenig nut of genoegen deze bladzijden te doorbladeren.