HOOFDSTUK X.

EEN PAAR WENKEN OMTRENT DE DEUGD EN NOG EEN PAAR OMTRENT DE

VERDENKINGZUCHT.

Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord

afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis

verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor

de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw

Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het

dak van Milord.

Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd,

zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te

schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die,

zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder

bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat

zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw,

in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De

deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in

zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen

dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds

hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat,

uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor

eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.

Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien

avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te

zoeken, onder wier bescherming, zoo als wij reeds gemeld hebben, zij

voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij

was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij

in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.

Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op

Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren

welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat

had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste

menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze

niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar

woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.

Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De

eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone

snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden,

inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze

hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet

wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is.

Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad

teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent

de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het

hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die

waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware in embryo;

ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit

zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar

daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen

bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele

droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van

een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze

buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te

beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer

verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik

vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om

bovengemelde reden en ten tweede, omdat ik ze nooit gezien heb als de

eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek

ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.

Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan.

En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien

wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken.

Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede

is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te

bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de

schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets

onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de

menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.

Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den

schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren,

die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat

ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij

zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te

gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De

lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard

voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen,

dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen

moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit

is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan

heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die

eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En,

om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking

in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene

verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht

niet geheel onberispelijk van naam en faam was.

Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw

Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in

de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker

is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter

naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om

zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich

ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en

wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen,

dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die

behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den

dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle

verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en

haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven

had?

Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het

ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en

daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor

uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze

vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als

haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem

ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame

regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou

trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats

reizen.

Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden,

of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den

pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de

goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk

mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet

weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht

opkwam.

Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want

er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet

best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene

zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan.

Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht

bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij

bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was,

of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij

evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve

verlangde te gaan.

Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet

nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij

smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed

en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond,

terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere

wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u,

lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo

dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de

oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op

welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer

nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en

zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”

Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet

voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik

zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik

u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want

geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”

Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij

Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die

dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar

vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer

blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen

zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde

haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste

voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond

had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te

kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te

beschermen.

Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er,

denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens

omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien,

wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne

begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem

straf genoeg oplegden.

Tom Jones · 第 193 / 340 题