EEN PAAR WENKEN OMTRENT DE DEUGD EN NOG EEN PAAR OMTRENT DE
VERDENKINGZUCHT.
Ons reisgezelschap kwam te Londen aan en werd aan het huis van Milord
afgezet, van waar, terwijl men zich na de vermoeijenissen der reis
verkwikte, de dienstboden er op uitgezonden werden om eene woning voor
de dames te zoeken; want, daar Milady niet in de stad was, kon mevrouw
Fitzpatrick er niet aan denken om den nacht door te brengen onder het
dak van Milord.
Eenige lezers zullen welligt deze al te groote kieschheid der deugd,
zoo als ik ze noemen zal, afkeuren, als overdreven en al te
schroomvallig; maar wij moeten hare positie in aanmerking nemen, die,
zoo als men bekennen zal, zeer moeijelijk was,—en als wij verder
bedenken de hatelijkheid der kwaadsprekers, moeten wij toegeven, dat
zoo zij faalde, zij dat van den goeden kant deed, en dat iedere vrouw,
in een dergelijken toestand, wel zou doen met haar na te volgen. De
deftigste schijn der deugd, als die alleen schijn is, zal welligt in
zeer afgetrokkene bespiegelingen, iets minder prijzenswaardig schijnen
dan de deugd zelve zonder deze deftigheid, maar zal desniettemin steeds
hooger geroemd worden; en ik geloof, dat allen toestemmen zullen, dat,
uitgezonderd in enkele zeer bijzondere gevallen, het noodig is voor
eene vrouw hetzij den een of de andere te huldigen.
Toen er eene woning gevonden was, vergezelde Sophia hare nicht nog dien
avond daarheen, maar besloot den volgenden morgen bij tijds de dame te
zoeken, onder wier bescherming, zoo als wij reeds gemeld hebben, zij
voornemens was zich te stellen toen zij haar vaders huis verliet. Zij
was des te begeeriger om dit te doen wegens het een en ander, dat zij
in den loop van hare reis in de koets opgemerkt had.
Daar wij nu geenszins den hatelijken blaam van ergdenkend te zijn op
Sophia willen werpen vreezen, wij bijna aan den lezer te openbaren
welke denkbeelden zij omtrent mevrouw Fitzpatrick opgevat
had,—denkbeelden, die ook zeer geschikt zijn om door de slechtste
menschen gekoesterd te worden;—om welke reden wij het beter achten ze
niet onbewimpeld bloot te leggen voor dat wij den lezer een paar
woorden omtrent de verdenking in het algemeen gezegd hebben.
Hiervan heeft het me altijd toegeschenen dat er twee graden bestaan. De
eerste daarvan komt, dunkt me, uit het hart, daar de buitengewone
snelheid van zijn onderscheidingsvermogen eenigen voorafgaanden,
inwendigen aandrang schijnt aan te duiden, en dat te meer, daar deze
hoogste graad dikwerf zijne eigene voorwerpen schept en datgene ziet
wat niet bestaat, of altijd meer ontdekt dan er wezenlijk te zien is.
Deze is het scherpziende doorzigt aan welks adelaarsblik geen kwaad
teeken ontsnappen kan; dat niet slechts zijne opmerkingen maakt omtrent
de daden, maar ook omtrent de woorden der menschen, en daar het uit het
hart van den waarnemer komt, peilt het ook het hart van hem die
waargenomen wordt en ontdekt het kwaad dáár, als het ware in embryo;
ja, soms zelfs eer men zeggen kan dat het wezenlijk geschapen is. Dit
zou een bewonderenswaardig vermogen zijn als het onfeilbaar ware; maar
daar deze graad van volmaaktheid slechts voor één menschelijk wezen
bestaanbaar geacht wordt, zijn dikwerf der onschuld en der deugd vele
droevige rampen en kwellingen berokkend juist door de feilbaarheid van
een dergelijk scherp doorzigt. Ik kan dus niet nalaten deze
buitengewone scherpzinnigheid in het ontdekken van het kwaad te
beschouwen als een noodlottig uiterste, en op zich zelf als een zeer
verderfelijk kwaad. En ik hel te eerder tot dit gevoelen over, daar ik
vrees dat ze meestal uit een slecht hart voortkomt,—ten eerste, om
bovengemelde reden en ten tweede, omdat ik ze nooit gezien heb als de
eigenschap van een goed hart. En van dezen graad van verdenking spreek
ik Sophia bepaaldelijk geheel vrij.
Een tweede graad van die eigenschap schijnt in het hoofd te ontstaan.
En dit is, inderdaad, niets anders dan het vermogen om datgene te zien
wat men voor oogen heeft, en om daaruit zijne besluiten op te maken.
Het eerste is onvermijdelijk voor hem die een oog heeft en het tweede
is welligt geen minder zeker en noodzakelijk gevolg van hersenen te
bezitten. Deze laatste graad is ook een even bittere vijand van de
schuld als de eerste van de onschuld, en ik kan ook niets
onbeminnelijks er in zien, zelfs al dwaalt die soms,—wat aan de
menschelijke feilbaarheid toegeschreven moet worden.
Als een man, bij voorbeeld, toevallig zijne vrouw overvalt op den
schoot, of in de armen van den een of anderen dier lieve jonge heeren,
die de kunst beoefenen van vrouwen te verleiden, dan geloof ik niet dat
ik hem zwaar zou berispen, als hij iets meer vermoedde dan hetgeen hij
zag uit de gemeenzaamheid, welke hij voor oogen had, en die men al te
gunstig zou beoordeelen als men ze onschuldige vrijheden noemde. De
lezer zal zich gemakkelijk genoeg tal van voorbeelden van dezen aard
voor den geest kunnen roepen; dus zal ik er slechts nog één opnoemen,
dat ik, hoe onchristelijk het ook aan sommige menschen toeschijnen
moge, toch niet nalaten kan als zeer verdedigbaar aan te toonen, en dit
is het vermoeden dat een mensch in staat is om hetgeen hij eens gedaan
heeft weer te doen; en dat het dus niet moeijelijk is voor iemand, die
eenmaal een schurk is geweest, om dezelfde rol op nieuw te spelen. En,
om de waarheid te zeggen, ik geloof dat Sophia zich aan de verdenking
in dezen graad schuldig maakte.—Met één woord, het was volgens eene
verdenking van dezen aard, dat zij de meening opvatte dat hare nicht
niet geheel onberispelijk van naam en faam was.
Het schijnt dan ook dat het met de zaak aldus gesteld was: mevrouw
Fitzpatrick begreep zeer verstandig, dat de deugd eener jonge dame in
de wereld in denzelfden toestand verkeert als de arme haas, die zeker
is, waar hij ook heen gaat, vijanden te ontmoeten;—daar hij ter
naauwernood iets anders ontmoeten kan. Zoodra zij dus besloten had om
zich aan de bescherming van haar eigen man te onttrekken, nam zij zich
ook voor, zich onder de bescherming van iemand anders te stellen,—en
wien kon zij beter uitkiezen om de rol van voogd over haar te spelen,
dan een man van rang en fortuin en van eer,—iemand, bovendien, die
behalve zijn verliefden aard, die den mensch geneigd maakt om den
dolenden ridder te spelen,—dat is om als kampioen op te treden van alle
verdrukte vrouwen,—dikwerf zijne hevige liefde tot haar verklaard en
haar reeds alle bewijzen daarvan, die in zijne magt stonden, gegeven
had?
Daar de wet echter, zeer dwaasselijk, vergeten heeft in te stellen het
ambt van vice-echtgenoot, of voogd, voor eene weggeloopene vrouw, en
daar de kwaadwilligheid er eene veel onaangenamere benaming voor
uitgedacht heeft, werd verder besloten dat Milord al deze
vriendschapsdiensten in het geheim zou doen, en zonder openlijk als
haar beschermer op te treden. Ja, om zelfs te beletten dat iemand hem
ooit in dit licht zou beschouwen, was men overeen gekomen dat de dame
regtstreeks naar Bath zou gaan, en dat Milord eerst naar Londen zou
trekken, en van daar, op raad der geneesheeren, naar de badplaats
reizen.
Dit alles was voor Sophia zeer duidelijk geworden, niet uit de woorden,
of het gedrag van mevrouw Fitzpatrick; maar uit de houding van den
pair, die veel minder behendig was in het bewaren van een geheim dan de
goede dame, en misschien diende het volmaakte stilzwijgen, hetwelk
mevrouw Fitzpatrick op dit punt in haar verhaal bewaard had, niet
weinig om de verdenking aan te wakkeren, welke thans bij hare nicht
opkwam.
Sophia ontdekte zeer gemakkelijk de dame die zij in Londen zocht; want
er was geen draagkoetsenhouder in de geheele stad, die hare woning niet
best kende, en daar zij, in antwoord op hare eerste boodschap, eene
zeer dringende uitnoodiging ontving, nam zij die ook dadelijk aan.
Mevrouw Fitzpatrick inderdaad drong er niet meer op aan dat hare nicht
bij haar zou blijven dan door de welvoegelijkheid gevergd werd. Of zij
bovenvermelde verdenking ontdekt had, en daarover verontwaardigd was,
of eenige andere reden had, dat laat ik daar; maar zeker is het dat zij
evenzeer verlangde om Sophia te zien vertrekken, als deze zelve
verlangde te gaan.
Toen nu de jonge dame van hare nicht afscheid nam, kon deze niet
nalaten haar een kleinen, vriendschappelijken wenk te geven. Zij
smeekte haar, in ’s hemels naam, voorzigtig te zijn in al wat zij deed
en niet te vergeten in welken gevaarlijken toestand zij zich bevond,
terwijl zij er bijvoegde, dat zij hoopte dat er op de eene of andere
wijze eene verzoening met haar man bewerkt zou worden. „Herinner u,
lieve,” zeide zij, „den stelregel ons beiden door tante Western zoo
dikwerf ingeprent: dat waar ook de huwelijksband verbroken wordt en de
oorlog verklaard is tusschen man en vrouw, deze laatste naauwelijks, op
welke voorwaarden ook, iets anders dan een voor zich zelve zeer
nadeeligen vrede sluiten kan. Dit zijn de juiste woorden van tante en
zij heeft werkelijk veel wereldkennis!”
Mevrouw Fitzpatrick hernam met een spottenden glimlach: „Vrees niet
voor mij, kind. Pas maar op u zelve; want gij zijt jonger dan ik. Ik
zal u binnen kort komen bezoeken; maar, lieve Sophia, één raad moet ik
u geven; vergeet de rol van jufvrouw Deftig hier in de stad;—want
geloof me, ze zou u in de wereld al heel slecht staan!”
Dus scheidden de beide nichten van elkaar, en Sophia begaf zich bij
Lady Bellaston waar zij even hartelijk als beleefd ontvangen werd. Die
dame had namelijk eene groote neiging tot haar opgevat toen zij haar
vroeger, bij hare tante Western, gezien had. Zij was ook werkelijk zeer
blijde haar weder te ontmoeten, en had pas vernomen om welke redenen
zij haar vader verlaten had en naar Londen gevlugt was, of zij roemde
haar verstand en hare vastberadenheid ten hoogste, en na de meeste
voldoening uitgedrukt te hebben over de meening welke Sophia getoond
had van haar te koesteren, door haar huis tot hare wijkplaats te
kiezen, beloofde zij haar in alle opzigten, zoo ver zij dat vermogt, te
beschermen.
Daar wij nu Sophia in veiligheid gebragt hebben, zal de lezer er,
denkelijk, in berusten dat wij haar een tijdlang daar laten, en eens
omzien naar andere personaadjes, en vooral naar den armen Jones dien,
wij lang genoeg verlaten hebben terwijl, hij boete deed voor zijne
begane wanbedrijven, welke,—wat in den aard der ondeugd ligt,—zelve hem
straf genoeg oplegden.