EEN VERSCHRIKKELIJK RUMOER IN HET LOGEMENT, EN DE ONVERWACHTE AANKOMST
VAN EEN VRIEND VAN MEVROUW FITZPATRICK.
Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier
volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om
welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik
het thans niet herhaal.
Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat
zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo
iemand nooit bestaan had. Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch
te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van
oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen,
omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.
Maar zoo was het toch.
Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames
in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het
blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in
schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog
meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de
menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit
de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde
Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in
plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de
jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome
vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met
toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de
schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als
in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken
kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken
die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer
nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de
onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met
doofheid geslagen tot zijne straf.
Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der
benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte
gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold
zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met
één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw
Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven
voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare
meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden?
Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer
des huizes, de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn
gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die
gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!)
die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de
onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had!
Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt
gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed
voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van
even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel
Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord,
deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige
erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne
meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat
ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”
De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die
welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden
had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles
verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar
weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.
Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw,
ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in
gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n
straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw
knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen
dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil
bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren
uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit
in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw,
en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft
mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter
wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik
diende!”
Hinc illae lachrymae! Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour
hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne
heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den
goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde
zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat
hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd,
en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon
vernederen.
Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga.
Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar
zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote
menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de
voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem,
hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik
ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u
uitschold voor ——”
„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw
leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat
het zoo is!”
„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt
geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de
knecht ben van eene—”
Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware
die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook
eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij
den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke
wij pas gebruikt hebben.
Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het
vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het
water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen.
Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder
reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men
zich vloeibaar vuur in de keel goot.
Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van dit vloeibare
vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen
op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te
zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het
hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden.
Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer
verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den
eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen
aan de uitwerking.
Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen,
die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden
zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het
vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil
zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben,
stierf van zelf uit.
Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het
geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel
aan de schoonheid van haren man toegebragt door de vleeschhaken van
Honour, luide riep om wraak en vergelding.
Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden
had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne
woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne
wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne
neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare
gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over
zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot
bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want,
Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te
bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen
rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene
der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner
beste bekenden.
Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de
dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was,
haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te
maken. Sophia verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap
ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in
weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen;
maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en
maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder
de getuigen van weerskanten te hooren.
Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem
eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat
zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement
aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen
voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw
Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie
hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt
gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en
zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan
die welke dáár overgebragt werd.
Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode
gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat
oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De
rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op
eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin
zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare
verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om
eenigen weerstand te bieden.
Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar
achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop
wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij
anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers
inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit
traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf
dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote
verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.
Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden van den
edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar
ook bijzonder bevriend met haar was.
Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in
staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat
denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel
lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene
schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere
vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders
over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende
ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet
zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren
van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders
waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf
welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen
opgesloten waren.
Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick
en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus
vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar
te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te
bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den
kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van
oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en
erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.
Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om
ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik
niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de
veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker
omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs
bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal
af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de
moeite waard achtte te noemen.
Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit
te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en zich ook niet onthouden van
te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.
Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had
moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien
zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd
ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te
willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had
echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben
nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste
bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne
ontsnapt is.”
Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield
hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol
smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige
zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en
over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer
gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij
eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van
zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door
mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia
zelve.
Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en
de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare
nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het
bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote,
er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder
menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne
vrouw.
„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd
onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als
gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker
gefopt worden!”
Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe
bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te
maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet
de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.