HOOFDSTUK VIII.

EEN VERSCHRIKKELIJK RUMOER IN HET LOGEMENT, EN DE ONVERWACHTE AANKOMST

VAN EEN VRIEND VAN MEVROUW FITZPATRICK.

Sophia verhaalde nu, op verzoek van hare nicht,—niet hetgeen hier

volgt, maar wel hetgeen hier voorafgegaan is in deze geschiedenis, om

welke reden, de lezer denkelijk het mij ten goede zal houden, als ik

het thans niet herhaal.

Eene opmerking moet ik echter omtrent haar verhaal doen, en die is, dat

zij van het begin tot het einde zoo geheel zweeg over Jones, alsof zoo

iemand nooit bestaan had. Ik zal dit noch trachten te verklaren, noch

te verontschuldigen. En werkelijk, als men het als eene soort van

oneerlijkheid afkeuren moet, is het des te minder te verontschuldigen,

omdat de andere dame schijnbaar zoo opregt en openhartig was geweest.

Maar zoo was het toch.

Juist toen Sophia haar verhaal ten einde gebragt had, vernamen de dames

in de verte een geraas, dat in hardheid eenige overeenkomst had met het

blaffen van een troep jagthonden, die pas losgelaten zijn,—en in

schelheid met kattengemaauw, of het krassen van nachtuilen;—of dat nog

meer overeenkomst had (want welk dierengeluid kan gelijken op de

menschelijke stem?) met die geluiden, welke uit den mond, en soms uit

de neusgaten, komen van die schoone riviernimfen, in ouden tijde

Naiaden, en heden ten dage vischwijven genoemd. Want, wanneer,—in

plaats van melk en honig, als in de oude dagen,—de krachtige sap van de

jeneverbes, of welligt van de hopplant, door den ijver der vrome

vrouwen wat rijkelijk gevloeid heeft, als eenige roekelooze tong, met

toomelooze vrijheid waagt te ontheiligen,—dat is, te berispen,—de

schoone vette oester, de gekrompene versche schol, de bot, levend als

in zee, de garnaal, zoo groot als een kreeft, den heerlijken

kabeljaauw, die pas levend is geweest, of eenigen anderen schat, welken

die watergoden, die in zee en rivier visschen aan de zorgen dezer

nimfen toevertrouwd hebben, verheffen de vertoornde Naiaden de

onsterfelijke stemmen, en de godslasterende ellendeling wordt met

doofheid geslagen tot zijne straf.

Zoodanig was nu het geluid, dat zich verhief in een der

benedenvertrekken, en spoedig begon de donder, die lang uit de verte

gerommeld had, te naderen, tot dat hij langzamerhand de trap opgerold

zijnde, eindelijk in de kamer drong, waar zich de dames bevonden. Met

één woord, om alle beeldspraak en beelden te laten varen, jufvrouw

Honour, na hevig beneden geknord en dat den heelen weg naar boven

voortgezet te hebben, verscheen nu in hevige drift voor hare

meesteresse en riep uit: „Wel, jufvrouw, kunt gij het u verbeelden?

Zoudt gij willen gelooven, dat deze onbeschofte schelm hier, de heer

des huizes, de onbeschaamdheid heeft gehad mij te zeggen,—ja, in mijn

gezigt vol te houden, dat gij, gij zelve, niemand anders zijt dan die

gemeene, stinkende Schotsche straatloopster (Jenny Cameron heet zij!)

die met den Pretendent rondloopt! Ja, die leugenachtige vlegel had de

onbeschaamdheid vol te houden dat de jufvrouw zelve hem dat bekend had!

Maar ik heb den schelm geteekend! Ik heb hem mijne angels in het gezigt

gezet! Ja, dat heb ik gedaan!” „Mijne meesteresse,” zei ik, „is te goed

voor eenigen Pretendent ter wereld, schelm! Zij is eene jonge dame van

even goeden stand, afkomst en vermogen als de beste in geheel

Somersetshire! Hebt gij nooit van den grooten mijnheer Western gehoord,

deugniet? Zij is zijne eenige dochter;—ja, dat is zij! En de eenige

erfgename van zijn geheel vermogen! Dat zulk een kerel mijne

meesteresse uitschelden moet voor al wat leelijk is! Ik wilde maar dat

ik hem de hersenen ingeslagen had met zijne eigene punchkom!”

De voornaamste zorg welke Sophia op dit oogenblik ondervond, was die

welke haar veroorzaakt werd door hetgeen Honour in hare drift verraden

had. Daar echter de vergissing van den waard genoegzaam alles

verklaarde wat Sophia eerst zoo verkeerd uitgelegd had, gaf dit haar

weder eenige rust en eindelijk kon zij een glimlach niet weerhouden.

Dit deed Honour in woede ontbranden, die uitriep: „Werkelijk, jufvrouw,

ik verbeeldde me niet dat de jufvrouw hier iets belagchelijks in

gevonden zou hebben! Door zoo’n onbeschoften, lagen schelm voor ’n

straatloopster uitgescholden te worden! Misschien is de jufvrouw

knorrig dat ik partij voor haar trok,—dat kan best! Want opgedrongen

dienst is zelden aangenaam, zoo als men zegt,—maar ik kon er niet stil

bij zitten om mijne meesteresse voor eene straatloopster te hooren

uitschelden! Ik zal ’t ook niet verdragen! Ik weet zeker, dat er nooit

in heel Engeland eene deugdzamere dame geleefd heeft dan de jufvrouw,

en ik zal iederen schelm de oogen uitkrabben, die het waagt en durft

mij op dat punt met één enkel woord tegen te spreken. Niemand ter

wereld heeft ooit kwaad durven spreken van eenige dame bij wie ik

diende!”

Hinc illae lachrymae! Want het is waar dat men zeggen kon dat Honour

hare meesteresse beminde,—evenzeer als de meeste dienstboden hunne

heeren beminnen. En bovendien, werd zij door hoogmoed gedreven om den

goeden naam der dame, die zij diende, te handhaven; want zij verbeeldde

zich dat ook haar naam daarmede gemoeid was. In dezelfde verhouding dat

hare meesteresse geroemd werd, begreep zij, dat ook zij verheven werd,

en daarentegen geloofde zij, dat men de eene niet zonder de andere kon

vernederen.

Op dit punt moet ik u, lezer, nog een verhaaltje doen eer ik verder ga.

Toen de beruchte Nelly Gwynn, op zekeren dag uit een huis stapte,—waar

zij een kort bezoek afgelegd had,—in hare koets, zag zij eene groote

menigte menschen bijeen, terwijl haar knecht van het hoofd tot de

voeten met bloed bespat en bevlekt was. Zijne meesteresse vroeg hem,

hoe het kwam, dat hij zich in dien toestand bevond en hij hernam: „Ik

ben aan ’t vechten geweest, mevrouw, met een onbeschoften schelm die u

uitschold voor ——”

„Domkop!” hernam mevrouw Gwynn, „om die reden zoudt ge elken dag van uw

leven aan ’t kloppen kunnen komen. De geheele wereld immers weet dat

het zoo is!”

„Dat kan wel waar zijn,” mompelde de kerel, na het portier digt

geslagen te hebben: „maar zij zullen daarom niet zeggen dat ik de

knecht ben van eene—”

Dus schijnt de drift van mejufvrouw Honour natuurlijk genoeg, al ware

die ook op geene andere wijze verklaarbaar; maar werkelijk had zij ook

eene andere beweegreden tot toorn,—en om die op te geven, moeten wij

den lezer herinneren aan eene omstandigheid in de vergelijking, welke

wij pas gebruikt hebben.

Er bestaan inderdaad zekere vochten, die op onze driften, of op het

vuur, tegenovergestelde uitwerkingen voortbrengen dan die van het

water, daar zij eerder ontvlammen en aanhitsen dan dat zij blusschen.

Onder deze vochten telt men de krachtige punch. Het was dus niet zonder

reden dat de geleerde Dr. Cheney zeide, dat als men punch dronk men

zich vloeibaar vuur in de keel goot.

Ongelukkig echter had zich jufvrouw Honour zoo veel van dit vloeibare

vuur in de keel gegoten dat de dampen er van in haar hersenpan begonnen

op te stijgen, en de oogen der rede, die men veronderstelt dáár te

zetelen verblindden, terwijl het vuur zelf uit de maag gemakkelijk het

hart bereikte, en dáár de edele drift van den hoogmoed deed ontbranden.

Dus, dit alles in aanmerking nemende, zullen wij ons niet meer

verwonderen over de hevige woede van de kamenier, hoewel men bij den

eersten oogopslag bekennen moet dat de oorzaak niet geëvenredigd scheen

aan de uitwerking.

Sophia en hare nicht deden beide haar best om de vlammen te blusschen,

die zoo hevig door het geheele huis gewoed hadden. Eindelijk slaagden

zij ook daarin, of om het beeld nog één stap verder te brengen, het

vuur, na eindelijk al de brandstoffen, welke de taal oplevert, dat wil

zeggen, elk scheldwoord er in uitgeput te hebben, verslonden te hebben,

stierf van zelf uit.

Maar hoewel de rust nu boven hersteld was, was dit volstrekt niet het

geval beneden in huis, waar de waardin, zeer vertoornd over het nadeel

aan de schoonheid van haren man toegebragt door de vleeschhaken van

Honour, luide riep om wraak en vergelding.

Wat den armen man zelven betreft, die het meest in den slag geleden

had, hij bleef volmaakt rustig. Misschien had het bloedverlies zijne

woede gestild; want de vijandin had niet slechts hare nagels in zijne

wangen geplant, maar ook hare vuist in aanraking gebragt met zijne

neusgaten, die met bloedige tranen, welke rijkelijk vloeiden, over hare

gewelddadigheid weenden. Hierbij mogen wij voegen zijne gedachten over

zijne vergissing;—maar, niets inderdaad bragt zijn toorn zoo zeer tot

bedaren als de wijze waarop hij nu zijne dwaling ontdekte,—want,

Honour’s gedrag had alleen gediend om hem te meer daarin te

bevestigen;—maar eindelijk werd hem door een persoon van zeer hoogen

rang, die, door een groot gevolg omgeven, aankwam, verzekerd dat eene

der beide dames iemand was van zeer deftigen stand, en eene zijner

beste bekenden.

Op bevel van deze personaadje ging nu de waard naar boven en maakte de

dames bekend dat een mijnheer van hoogen rang, die beneden in huis was,

haar de eer wenschte aan te doen van zijne opwachting bij haar te

maken. Sophia verbleekte en begon te beven toen zij deze boodschap

ontving, hoewel de lezer begrijpen zal, dat die te beleefd was,—in

weerwil van de domheid van den waard,—om ooit van haar vader te komen;

maar de vrees dwaalt op dezelfde wijze als de meeste vrederegters en

maakt ligt haar besluit op uit eene heel geringe omstandigheid, zonder

de getuigen van weerskanten te hooren.

Om nu de nieuwsgierigheid van den lezer te voldoen, meer nog dan om hem

eenige ongerustheid te benemen, gaan wij voort met hem te zeggen, dat

zekere Iersche pair dien avond, op weg naar Londen, in het logement

aangekomen was. Deze edelman was van zijn avondmaal opgestaan toen

voormeld onweder in huis losbarstte, had de kamenier van mevrouw

Fitzpatrick gezien, en van haar vernomen dat hare meesteresse, met wie

hij zeer bevriend was, zich boven bevond. Zoodra hij dit berigt

gekregen had, wendde hij zich tot den waard, bragt hem tot bedaren, en

zond hem naar boven met eene boodschap, welke veel beleefder luidde dan

die welke dáár overgebragt werd.

Men zal zich welligt verwonderen dat de kamenier zelve niet als bode

gebruikt werd; maar het spijt ons te moeten bekennen, dat zij op dat

oogenblik noch tot dat, noch tot eenig ander werk bekwaam was. De

rum,—want zoo verkoos de waard zijn sterken drank te noemen,—had op

eene lage wijze misbruik gemaakt van den toestand van uitputting waarin

zich het arme meisje bevond, en had een woesten aanval gedaan op hare

verstandelijke vermogens juist ten tijde dat ze buiten staat waren om

eenigen weerstand te bieden.

Wij zullen dit tragische tooneel niet al te uitvoerig beschrijven; maar

achten ons toch verpligt van wege die historische eerlijkheid, waarop

wij aanspraak maken, om een wenk te geven van eene zaak, welke wij

anders gaarne zouden verzwegen hebben. Vele geschiedschrijvers

inderdaad, laten het uit gebrek aan dergelijke eerlijkheid, of uit

traagheid, zoo niet om ergere redenen, aan den lezer over om zelf

dergelijke kleine omstandigheden te ontdekken,—wat hem soms in groote

verlegenheid brengt en in vele bezwaren wikkelt.

Sophia werd weldra van hare vrees bevrijd door het binnentreden van den

edelen pair, die niet slechts mevrouw Fitzpatrick zeer goed kende, maar

ook bijzonder bevriend met haar was.

Om de waarheid te zeggen, was het met zijn behulp geweest dat zij in

staat gesteld was om haren man te ontsnappen; want deze edelman bezat

denzelfden galanten aard als die beroemde ridders van wie wij zooveel

lezen in allerlei ridderverhalen, en hij had ook menige gevangene

schoone uit hare boeijen verlost. Hij was inderdaad een even bittere

vijand van het wreede gezag dat dikwerf door echtgenooten en vaders

over jeugdige schoonen uitgeoefend wordt, als ooit eenige dolende

ridder het was van de barbaarsche magt der toovenaren;—ja, ik moet

zelfs bekennen, dat ik dikwerf vermoed heb, dat juist die toovenaren

van wie men zoo veel leest in den romantischen tijd, niemand anders

waren dan de echtgenooten in die dagen, en dat het huwelijk zelf

welligt de betooverde veste was, waarin men verhaalde dat de nimfen

opgesloten waren.

Deze edelman had een landgoed in de nabijheid van dat van Fitzpatrick

en was sedert eenigen tijd met de dame bekend geweest. Zoodra hij dus

vernam dat zij opgesloten was, legde hij zich er ernstig op toe om haar

te bevrijden, wat hem ook weldra gelukte, niet door het kasteel te

bestormen, volgens het voorbeeld der oude helden, maar door den

kommandant om te koopen, overeenkomstig de hedendaagsche wijze van

oorlog voeren, waarin men de list hooger stelt dan de dapperheid, en

erkent dat het goud onweerstaanbaarder is dan lood of staal.

Daar echter de dame zelve deze omstandigheid te onbelangrijk achtte om

ze aan hare vriendin mede te deelen, wilden wij ze ook op dat oogenblik

niet aan den lezer melden. Wij verkozen liever hem een tijdlang in de

veronderstelling te laten, dat zij het geld, waarmede zij haren bewaker

omgekocht had, gevonden, gemunt, of door eenig bijzonder, of zelfs

bovennatuurlijk middel in handen gekregen had, eerder dan haar verhaal

af te breken met de vermelding van iets, dat zij het niet eens de

moeite waard achtte te noemen.

Na een kort gesprek, kon de pair niet nalaten eenige verwondering uit

te drukken dat hij de dame dáár aantrof, en zich ook niet onthouden van

te zeggen, dat hij dacht dat zij naar Bath was gegaan.

Mevrouw Fitzpatrick hernam zeer ongedwongen, „dat zij van voornemen had

moeten veranderen door de onverwachte komst van zekeren persoon, dien

zij niet behoefde te noemen. Met één woord,” zeide zij, „ik werd

ingehaald door mijn man,—want ik zal niet den schijn aannemen van te

willen verzwijgen wat de geheele wereld maar al te goed weet. Ik had

echter het geluk om op eene zeer merkwaardige wijze te ontkomen, en ben

nu op weg naar Londen met deze jonge dame, eene mijner naaste

bloedverwanten, die aan een even grooten dwingeland als de mijne

ontsnapt is.”

Daar Milord begreep dat deze dwingeland ook een echtgenoot was, hield

hij eene redevoering vol complimenten aan de beide dames, en even vol

smaadredenen op zijn eigen geslacht,—hij kon zelfs niet nalaten eenige

zijdelingsche afkeuring te uiten over den huwelijken-staat zelven, en

over de onbillijke magt, welke die aan den man verleent over de meer

gevoelige en verdienstelijke wezens van het vrouwelijke geslacht. Hij

eindigde zijne redevoering met het aanbod van zijne bescherming en van

zijne koets met zes paarden, wat oogenblikkelijk aangenomen werd door

mevrouw Fitzpatrick, en eindelijk, op haar smeeken, ook door Sophia

zelve.

Alles op deze wijze geschikt zijnde, verwijderde zich Milord weder en

de beide dames begaven zich ter rust, terwijl mevrouw Fitzpatrick hare

nicht onthaalde op vele loftuitingen van den edelen pair, in het

bijzonder uitweidende over zijne groote liefde tot zijne echtgenoote,

er daarbij voegende, dat zij geloofde dat hij bijna eenig was onder

menschen van zijn hoogen stand, als geheel en al getrouw aan zijne

vrouw.

„Wezenlijk,” zeide zij, „lieve Sophia, dat is eene zeer zeldzame deugd

onder mannen van hoogen rang. Verwacht niet ze te vinden bij uw man als

gij eens gehuwd zijt; want geloof me, als ge dat doet, zult gij zeker

gefopt worden!”

Sophia slaakte een zachten zucht bij deze woorden, die welligt er toe

bijdroegen om hare droomen niet van den aangenaamsten aard te

maken;—daar zij echter nooits iets er van aan iemand oververtelde, moet

de lezer niet verwachten ze hier beschreven te zien.

Tom Jones · 第 191 / 340 题