WAARIN MEVROUW FITZPATRICK HAAR VERHAAL TEN EINDE BRENGT.

Terwijl jufvrouw Honour overeenkomstig de bevelen harer meesteresse

eene kom punch bestelde en den waard en zijne vrouw uitnoodigde om ze

met haar te leegen, hervatte mevrouw Fitzpatrick als volgt, hare

geschiedenis:

„De meeste officieren, die in de naburige stad in kwartier lagen, waren

kennissen van mijn echtgenoot. Onder dezen was een luitenant, een zeer

knap slag van mensch, die gehuwd was met eene dame, die zoo innemend

van karakter en in den omgang was, dat wij sedert onze eerste

kennismaking, kort na mijne bevalling, bijna onafscheidelijk werden;

want ik had het geluk dat zij evenveel van mij hield als ik van haar.

„De luitenant, noch een dronkaard noch een jager, was dikwerf bij

ons;—inderdaad hij was slechts zelden bij mijn man,—niet meer dan de

beleefdheid vorderde, daar hij bijna dagelijks bij ons aan huis was.

Mijn echtgenoot gaf dus zijne ontevredenheid te kennen dat de luitenant

mijn omgang boven den zijne verkoos; hij beknorde mij daarover, en

verwenschte me dikwerf bitter omdat ik hem van zijne makkers beroofde,

zeggende „dat ik verdiende verd— te zijn omdat ik een der knapste

kerels ter wereld bedorven had door een janhen van hem te maken.”

„Ge zoudt u zeer vergissen, Sophialief, als ge u verbeelddet dat mijn

man wezenlijk kwaad was omdat ik hem van een makker beroofd had; want

de luitenant was geen mensch wiens omgang een dwaas bevallen kon; en al

wilde ik de mogelijkheid daarvan toegeven, mijn echtgenoot had zoo

weinig regt het verlies van zijn vriend aan mij toe te schrijven, dat

ik overtuigd ben dat het alleen om den wille was van mijn gezelschap,

dat hij ooit den voet bij ons in huis zette. Neen, kind, het was nijd,

de ergste en bitterste soort van nijd; hij benijdde hem zijne

meerderheid aan verstand. De ellendeling kon het niet verdragen, te

zien dat mijn omgang boven den zijne verkozen werd door iemand omtrent

wien bij geen de minste ijverzucht koesteren kon. O, mijne lieve

Sophia, gij zelve hebt zoo goed uw verstand!—als gij iemand trouwt,—wat

waarschijnlijk het geval zal wezen,—die minder knap is dan gij, beproef

wel zijn humeur vóór uw huwelijk, en zie of hij zulk eene meerderheid

verdragen kan.—Beloof me, Sophia, dezen raad te volgen;—want ge zult

later inzien van hoe veel belang het is!”

„’t Is zeer waarschijnlijk dat ik nooit trouwen zal,” hernam Sophia.

„Ik geloof, ten minste, dat ik nooit een man zal nemen in wiens

verstand ik vóór ons huwelijk eenig gebrek zie, en ik verklaar u, dat

ik liever het mijne kwijt zou worden dan later zoo iets te ontdekken.”

„Uw verstand kwijt worden!” riep mevrouw Fitzpatrick. „Foei, meisje;—ik

wil dat niet van u hoopen! Men zou mij kunnen overhalen om al het

overige op te geven; maar dat nooit! De natuur zou in zoovele gevallen

deze meerderheid niet aan de vrouw gegeven hebben, als het hare

bedoeling geweest ware, dat wij het alleen aan den man moesten

opofferen! Dit is ook inderdaad wat verstandige mannen nooit van ons

verwachten, en de luitenant van wien ik gesproken heb, was een

voorbeeld in dit opzigt; want hoewel hij zeer goed zijn verstand had,

bekende hij altijd (wat ook het geval was), dat zijne vrouw hem daarin

overtrof. En dit was welligt ééne reden waarom mijn dwingeland mij

haatte.

„Hij zeide dan ook, „dat eerder dan zich door zulk eene verwenschte

leelijke feeks te laten regeren (en schoon was zij niet, hoewel zeer

aangenaam en vooral echt fatsoenlijk), hij alle vrouwen ter wereld naar

den drommel zou jagen!”—Eene gewone uitdrukking van hem. Hij vroeg ook,

wat ik in haar zien kon, om mij te bekoren.—„Sedert die vrouw onder ons

gekomen is,” zeide hij, „is er een einde aan uwe geliefkoosde lektuur,

waarop gij veinsdet zoo zeer verzot te zijn, dat ge geen tijd kondt

vinden om tegenbezoeken te maken bij de dames hier;”—en ik moet

bekennen dat ik me schuldig gemaakt had aan eenige onbeleefdheid ten

dien opzigte; want de dames dáár zijn in geen geval beter dan de

vrouwen op het land hier en, me dunkt, dat dit verontschuldiging genoeg

bij u zal wezen, als ik alle gemeenzaamheid met haar vermeed.

„Deze vriendschap duurde echter een geheel jaar, ja zelfs den heelen

tijd dat de luitenant in de stad in kwartier lag; en om den wille

daarvan onderwierp ik me er aan om aanhoudend, op pas vermelde wijze,

door mijn man uitgescholden te worden;—ik bedoel als hij te huis was,

want hij was dikwerf een maand achtereen afwezig, te Dublin, en ging

zelfs eens twee maanden lang naar Londen, bij al welke gelegenheden ik

me bijzonder gelukkig achtte, dat hij mij nooit ééns vroeg om hem te

vergezellen;—ja, hij gaf zelfs door zijne herhaalde spotternijen over

mannen, die nooit reizen konden, zoo als hij het uitdrukte, zonder eene

vrouw meê te sleepen, genoegzaam te kennen, dat al had ik nog zoo zeer

verlangd om hem te vergezellen, mijne wenschen te vergeefs zouden

geweest zijn;—maar, dat weet de hemel, zulke wenschen kwamen nooit in

de verte bij mij op!

„Eindelijk werd ik van mijne vriendin weder beroofd en bleef in mijne

eenzaamheid overgelaten aan de kwellende gedachten welke mij bezielden,

en moest mijne toevlugt tot de boeken nemen om eenigen troost te

vinden. Ik las ook nu bijna den geheelen dag.—Hoevele boeken, denkt ge,

dat ik in drie maanden tijds las?”

„Dat kan ik onmogelijk gissen, nicht!” hernam Sophia; „Welligt een

tiental?”

„Een tiental! Wel ten minste vijfhonderd, kind!” antwoordde de andere.

„Ik las veel in Daniëls Geschiedenis van Frankrijk; veel in

Plutarchus:—dan de Atalantas; den Homerus van Pope; Drydens dramatische

werken; Chillingworth; de Gravin d’Anois en Locke, over de menschelijke

rede.

„In dezen tusschentijd schreef ik drie smeekende, en naar ik me

verbeeldde, zeer aandoenlijke brieven aan tante; daar ik echter geen

antwoord ontving, belette mij mijn trots, om met mijn smeeken voort te

gaan.” Hier brak zij af, en Sophia ernstig aanziende, zeide zij: „Me

dunkt, lieve, dat ik iets in uwe blikken ontwaar, dat me verwijt, dat

ik iemand anders verwaarloosde, bij wie ik eene hartelijkere ontvangst

gevonden zou hebben.”

„Inderdaad, lieve Henriette,” hernam Sophia, „verontschuldigt uwe

geschiedenis alle verzuimen; maar werkelijk gevoel ik dat ik zelve me

schuldig gemaakt heb aan een verzuim ten uwen opzigte, zonder eenige

verontschuldiging te hebben.—Maar, bid ik u, ga voort met uw verhaal;

want ik verlang, hoezeer ik ook vrees, het vervolg er van te vernemen.”

Mevrouw Fitzpatrick hervatte hierop haar verhaal als volgt: „Mijn man

ondernam nu eene tweede reis naar Engeland, waar hij drie maanden lang

bleef; gedurende het grootste gedeelte van dezen tijd, leidde ik een

leven dat alleen door de ondervinding van het ergere dat voorafgegaan

was, verdragelijk werd; want de volmaakte eenzaamheid is alleen te

dragen door een gezellig wezen als ik ben, als men daardoor verlost

wordt van het gezelschap van iemand dien men haat. Hetgeen mijne

ellende vermeerderde, was het verlies van mijn kindje,—niet dat ik

veinzen wilde die buitensporige liefde daarvoor gekoesterd te hebben,

voor welke ik in andere omstandigheden vatbaar had kunnen zijn; maar ik

had besloten in alle opzigten mijn pligt als teedere moeder te

vervullen en deze zorg belette mij om het drukkende van dat drukkendste

aller dingen te gevoelen, (namelijk van den tijd) als men eens gevoelt

dat die ons lang valt.

„Ik had bijna tien weken alleen gesleten, daar ik in al dien tijd

niemand gezien had dan mijne dienstboden en zeer weinige bezoekers,

toen eene jonge dame, eene bloedverwante van mijn echtgenoot, uit eene

verwijderde streek van Ierland mij kwam opzoeken. Zij had eenmaal te

voren eene week bij ons doorgebragt, en toen had ik haar dringend

uitgenoodigd om terug te keeren; want zij was eene zeer aangename

vrouw, wier aangeborene goede gaven door eene fatsoenlijke opvoeding

ontwikkeld waren. Inderdaad, zij was mij eene zeer gewenschte gast.

„Eenige dagen na hare aankomst, daar zij bemerkte dat ik zeer

neerslagtig was,—zonder naar de oorzaak te vragen,—welke haar echter

wel bekend was,—begon deze jonge dame mijn lot te beklagen. Zij zeide,

„dat ofschoon de welvoegelijkheid mij belet had over het gedrag van

mijn man te klagen bij zijne bloedverwanten, zij er toch allen mede

bekend waren, en zich zeer daarover bedroefden,—en dat niemand zich die

zaak meer aantrok dan zij.”

„En, na eenige algemeene gezegden omtrent dit punt, die ik niet nalaten

kon met goedkeuring aan te hooren, deelde zij mij eindelijk mede, na

mij vooraf voorzigtigheid en het diepste stilzwijgen aanbevolen te

hebben, dat mijn echtgenoot eene maitresse hield.

„Gij zult u zeker verbeelden dat ik dit berigt met de meeste

onverschilligheid aanhoorde.—Maar als gij dat doet, vergist gij u ten

zeerste. De minachting had mijne verontwaardiging niet zoo geheel

gesmoord, dat ik niet bij deze gelegenheid weder in hevigen toorn

ontstak. Hoe zou dit te verklaren zijn? Zijn we zoo verfoeijelijk

egoïstisch, dat wij er ons over ergeren als anderen dat bezitten wat

wij zelve verachten? Of zijn we niet eerder onverdragelijk ijdel, en is

zoo iets niet de grofste beleediging, welke men onzer ijdelheid aandoen

kan? Zeg, Sophia,—wat is uw gevoelen?”

„Dat weet ik wezenlijk niet,” hernam deze; „ik heb me nooit met zulke

afgetrokkene bespiegelingen opgehouden; maar ik geloof dat de dame zeer

verkeerd deed met u een geheim van dien aard mede te deelen.”

„En toch, mijne lieve, is zoo iets heel natuurlijk en als gij zoo veel

als ik gelezen en gezien hebt, zult gij dat best begrijpen.”

„Het spijt me te hooren dat zoo iets natuurlijk is,” hernam Sophia,

„want ik heb noch lektuur noch ondervinding noodig om mij te overtuigen

dat het alles behalve eervol is, of van een goed hart getuigt—ja, zelfs

komt het mij voor dat het even onfatsoenlijk is om een man of zijne

vrouw op elkanders gebreken opmerkzaam te maken, als om hun hunne

eigene te verwijten.”

„Eindelijk,” hervatte mevrouw Fitzpatrick, „keerde mijn man terug, en

als ik mijne eigene gedachten begrijp, haatte ik hem toen meer dan ooit

te voren; maar ik verachtte hem iets minder; want, niets is zoo zeer

geschikt om onze verachting te verzwakken, als eene beleediging van

onzen hoogmoed of van onze ijdelheid.”

„Hij huichelde nu eene houding tegenover mij, die zoo zeer verschilde

bij die van den laatsten tijd, en die zoo veel overeenkomst had met

zijn gedrag gedurende de eerste week van ons huwelijk, dat als er een

enkel vonkje liefde bij me overgebleven ware, hij welligt mijne

genegenheid op nieuw had kunnen doen ontbranden. Maar hoewel het

mogelijk is dat verachting door haat gevolgd, en welligt zelfs

overwonnen wordt, geloof ik niet, dat ooit weder de liefde voor haar in

de plaats treedt. De waarheid is, dat de hartstogt der liefde te

rusteloos is om zich te kunnen vergenoegen zonder de voldoening welke

ze van het voorwerp er van verkrijgt, en men kan niet meer geneigd zijn

om te minnen zonder liefde, dan men oogen hebben kan zonder te zien.

Als een echtgenoot dus eens ophoudt het voorwerp dezer liefde te zijn,

is het meer dan waarschijnlijk dat een andere man, ik bedoel, lieve,

dat als uw man u onverschillig wordt,—als ge er toe komt om hem te

verachten,—ik meen,—dat is,—als gij tot de liefde geneigd zijt;—Hemel!

ik ben zoo in de war geraakt!—men komt er zoo ligt toe bij dergelijke

afgetrokkene bespiegelingen, om, wat de heer Locke noemt de

aaneenschakeling der denkbeelden, kwijt te raken;—met één woord, het

ware van de zaak is;—ik weet niet juist wat;—maar, zoo als ik zeide,

mijn man keerde terug en in het begin was ik zeer verwonderd over zijn

gedrag;—maar spoedig werd ik met de beweegreden daartoe bekend, en

leerde inzien wat hij beoogde. Met één woord, hij had al mijn baar geld

uitgegeven, of verspeeld, en daar hij geen hypotheek meer kon krijgen

op zijn eigen goed, verlangde hij zich nu van geld te voorzien door

eene kleine bezitting, welke mij toebehoorde, te verkoopen,—wat hij

niet doen kon zonder mijne hulp; en het was alleen ten einde deze gunst

van mij te verkrijgen, dat hij nu weer eenige liefde tot mij veinsde.

„Ik weigerde zeer stellig hierin toe te stemmen. Ik vertelde hem,—en

met waarheid, dat, al had ik de schatten van geheel Indië bezeten bij

ons huwelijk, hij er over had kunnen beschikken; want dat het steeds

mijn stelregel geweest was dat waar eene vrouw haar hart laat, zij ook

haar vermogen laten moet; maar, dat daar hij de goedheid had gehad mij

al lang geleden het eerste weder te geven, ik ook besloten had het

weinige wat mij van het tweede overbleef, te bewaren.

„Ik zal u de drift niet beschrijven waarin hij geraakte bij deze

woorden en bij de vaste houding, waarmede ik ze uitte;—ik zal u evenmin

vervelen met het tooneel dat er tusschen ons volgde. Gij begrijpt wel

dat de geschiedenis van de maitresse er uit kwam,—en dat was ook het

geval met al de bijhangsels waarmede toorn en verachting ze opschikken

konden.

„De heer Fitzpatrick scheen eenigzins getroffen hierdoor en raakte meer

verward dan ik hem ooit vroeger gezien had,—hoewel, dat weet de hemel,

zijn brein altijd verward genoeg was! Hij trachtte echter niet zich te

verontschuldigen; maar sloeg een weg in, waarop hij mij bijna evenzeer

verlegen maakte. Dit was niets anders dan eene tegenbeschuldiging tegen

mij in te brengen! Hij veinsde ijverzuchtig te zijn;—mogelijk is hij

jaloersch genoeg van aard,—ja, het moet hem aangeboren zijn, of de

Satan moet het hem in ’t hoofd gezet hebben; want ik tart iedereen om

met eenig regt mijn goeden naam te besmetten;—ja, zelfs de vuigste

lasteraars hebben dat nooit gewaagd! Mijn naam, Goddank, is altijd even

onbesmet gebleven als mijn leven,—en de kwaadwilligheid zelve moet dat

onberispelijk heeten! Ja, mijne beste Deftig, hoe ik ook getergd, hoe

mijne liefde gekrenkt, hoe ik ook mishandeld werd, ik heb vast besloten

nooit aanleiding te geven tot eenige berisping van dezen aard. En toch,

mijne lieve, zijn er sommige menschen die zoo kwaadaardig, sommige

tongen die zoo venijnig zijn, dat geene onschuld daartegen beschermt.

Het minst onbedachtzame, het meest toevallige woord, de meest

onschuldige vrijheid, worden verkeerd opgevat en vergroot, ik weet niet

hoe, door sommige menschen;—maar ik, mijne lieve Deftig, veracht

dergelijken laster! Niets van dien aard, dat verzeker ik u, heeft mij

ooit één oogenblik verontrust! Neen, neen, ik beloof u dat ik boven

dergelijke dingen verheven ben!—Maar waar ben ik gebleven?—O, laat ik

zien;—ik vertelde u dat mijn man jaloersch was.—En van wien denkt

gij?—Wel! van wien anders dan den luitenant, van wien ik u reeds

gesproken heb. Hij was genoodzaakt om meer dan een jaar achteruit te

gaan, om een voorwerp te zoeken voor dezen onverklaarbaren

hartstogt,—zoo hij inderdaad er iets van gevoelde, en niet erg

huichelde, ten einde mij te foppen.

„Maar ik heb u reeds met zoovele bijzonderheden verveeld, dat ik mijn

verhaal spoedig tot een einde brengen zal! Na vele tooneelen dan, die

ik me schamen zou te beschrijven, in welke mijne nicht zoo hartelijk

partij voor mij trok dat de heer Fitzpatrick haar eindelijk de deur

uitzette,—en toen hij zag dat mijne toestemming noch afgevleid, noch

afgedwongen kon worden, ging hij tot een zeer geweldig middel over. Gij

zult misschien gelooven dat hij mij sloeg, maar ofschoon hij dikwerf

bijna daartoe overging,—zoo ver bragt hij het niet. Hij sloot mij

echter op mijne kamer op, zonder mij papier, inkt, pen of boek te

geven, terwijl een der dienstboden dagelijks mijn bed opmaakte en mij

wat voedsel bragt.

„Nadat ik eene week lang in deze gevangenschap doorgebragt had,

vereerde hij mij met een bezoek, en met eene schoolmeestersstem, of met

die van een dwingeland,—wat dikwerf hetzelfde is,—vroeg hij mij, „of ik

hem zijn zin wilde geven?” Ik hernam zeer stoutmoedig, „dat ik liever

sterven wilde.” „Dat zult gij dan doen,” riep hij; „want ik wil

verdoemd zijn als gij ooit levend uit deze kamer komt!”

„Daar bleef ik nog veertien dagen opgesloten, en om de waarheid te

zeggen, mijne standvastigheid was bijna overwonnen, toen erop zekeren

dag, in de afwezigheid van mijn echtgenoot, die voor korten tijd

uitgegaan was, op de gelukkigste wijze mogelijk iets

gebeurde,—dat,—ik—op zulk een oogenblik is alles vergeefelijk,—juist

toen dus, ontving ik;——maar ik zou een uur noodig hebben om u alle

bijzonderheden mede te deelen,—met één woord dan,—want ik spreek van

geene bijzonderheden,—het goud, de sleutel die alle sloten opent,

opende ook mijne deur, en zette mij in vrijheid.

„Ik haastte me nu naar Dublin te komen, van waar ik me dadelijk naar

Engeland inscheepte, en was op weg naar Bath, om mij onder bescherming

te stellen van tante, of van uw vader, of van eenigen bloedverwant, die

ze mij verleenen kon. Mijn man haalde me gisteren avond in de herberg

in, waar ik sliep en welke gij eenige minuten vóór mij verliet; maar ik

was gelukkig genoeg om hem te ontsnappen en om u te volgen.

„En hier, mijne lieve, eindigt mijne geschiedenis, tragisch genoeg,

zeker, voor mij zelve; maar die welligt u zoodanig verveeld heeft dat

ik uwe vergiffenis inroepen moet.”

Sophia slaakte een diepen zucht en hernam; „Inderdaad, Henriette, ik

heb in mijne ziel medelijden met u! Maar, wat kondt gij ook verwachten?

Waarom, ach waarom zijt ge met een Ier getrouwd?”

„Op mijn woord,” hernam hare nicht, „gij zijt onregtvaardig in uw

oordeel! Er zijn onder de Ieren mannen die even veel eer en achting

verdienen als eenig Engelschman;—ja, om de waarheid hulde te doen, is

de edelmoedigheid nog algemeener onder hen. Ik heb er ook eenige

voorbeelden gezien van goede echtgenooten, en ik geloof niet dat deze

zoo heel talrijk zijn in Engeland? Vraag me liever, wat ik verwachten

kon toen ik een dwaas huwde, en dan zal ik u de plegtige waarheid

vertellen en u verklaren, dat ik hem als zoodanig niet kende.”

„Zou geen man”, vroeg Sophia, op een zeer zachten toon en met veel

aandoening, „een slecht echtgenoot kunnen zijn, zonder een dwaas te

wezen?”

„Dat is een al te algemeene ontkenning,” hernam de andere; „maar ik

geloof wel, dat een dwaas eerder dan een andere een slecht echtgenoot

zal worden. Onder mijne kennissen zijn de dwazen de slechtste

echtgenooten en ik zou als een feit willen aannemen, dat het zeer

zelden gebeurt dat een verstandig mensch eene vrouw, die zich goed

gedraagt, heel slecht behandelt.”

Tom Jones · 第 190 / 340 题