AANTOONENDE WIE DE BEMINNELIJKE DAME EN HARE ONBEMINNELIJKE KAMENIER
WAREN.
Even als wanneer in de maand Junij de bloeijende roos, welke door
toeval onder de leliën groeit, haar rood met de witte kleuren in het
rond vermengt;—of als wanneer eene speelzieke vaars in de aangename
Meimaand den geurigen adem over de groene weide verspreidt;—of, als
wanneer in de bloeijende Aprilmaand, de zachtaardige, teedere
tortelduif, op een schoonen tak zittende, van haar beminde droomt,—zoo
lag Sophia (want zij was het) met honderde bekoorlijkheden en even vele
geuren, met de gedachten op haren Jones gevestigd, met een hart even
goed en onschuldig als haar gelaat schoon was, met het hoofd in de hand
te rusten, toen hare kamenier in de kamer trad en dadelijk naar het bed
loopende, uitriep:
„Jufvrouw! Jufvrouw! Wie denkt ge dat hier in huis is?”
Sophia sprong op en riep uit: „Ik hoop toch niet dat mijn vader ons
ingehaald heeft?”
„Neen, jufvrouw; het is iemand die honderd vaders waard is;—mijnheer
Jones zelf is op dit oogenblik hier!”
„Mijnheer Jones!” riep Sophia, „dat is onmogelijk! Zou ik zoo gelukkig
zijn!”
Het meisje hield vol dat het zoo was en werd spoedig door hare
meesteresse weggezonden, om hem te laten roepen, daar zij besloten had
hem dadelijk te zien.
Mejufvrouw Honour had naauwelijks de keuken op boven beschrevene wijze
verlaten, toen de waardin hevig over haar begon te klagen. Het hart van
de arme vrouw was inderdaad een heelen tijd vol geweest van vuile taal,
welke nu over hare lippen vloeide, even als de modder uit eene
vuilniskar, als men de plank wegneemt. Partridge wierp ook zijn schop
vol lastertaal er bij en bespotte niet slechts de kamenier (maar wat
welligt den lezer verrassen zal) hij trachtte zelfs een smet te werpen
op Sophia’s onberispelijken naam.
„Ze is geen duit beter dan de andere,” zeide hij; „„noscitur a sociis”
is een waar woord. Men moet wel bekennen dat de fraai opgeschikte vrouw
de beleefdste van beide is; maar ik zou er voor durven instaan, dat
geene van beide heel veel deugt. Ik houd haar beide voor een paar van
die fortuinzoeksters uit Bath;—de groote luî rijden ook niet op dezen
tijd van den nacht zonder dienstboden rond.”
„Ja, voor den duivel!” riep de waardin, „zoo is het! Ge hebt den
spijker op den kop geslagen; want de groote luî komen ook niet in een
logement zonder een souper te bestellen, of zij honger hebben of niet.”
Terwijl zij dus praatten, keerde jufvrouw Honour terug en voldeed aan
Sophia’s bevel, door de waardin te gelasten om onmiddellijk den heer
Jones te roepen en hem te zeggen dat er eene dame was, die hem
verlangde te spreken. De waardin verwees haar naar Partridge, zeggende
dat hij de vriend was van mijnheer Jones, en dat, wat haar zelve
betrof, zij nooit de mannen, en vooral geene heeren ging roepen.
Honour wendde zich nu tot Partridge; maar ook hij weigerde; „want mijn
vriend,” zeide hij, „is zeer laat naar bed gegaan, en hij zou zeer boos
zijn als hij zoo spoedig gewekt werd.”
Jufvrouw Honour stond er echter op dat men hem roepen zou, bewerende,
dat zij overtuigd was, dat in plaats van kwaad te wezen, hij zich ten
hoogste gelukkig zou gevoelen, als hij maar eens wist waarom.
„Dat zou eene andere keer best het geval kunnen wezen,” riep Partridge;
„maar, non omnia possumus omnes. Eéne vrouw tegelijk is genoeg voor een
redelijk mensch.”
„Wat bedoelt ge met uw „ééne vrouw tegelijk,” schelm?” riep Honour.
„Noem mij niet schelm!” hernam Partridge, die daarop haar duidelijk
uitlegde dat Jones bij eene vrouw te bed lag—een woord gebruikende,
veel te onkiesch om hier herhaald te worden, maar waarover jufvrouw
Honour zoodanig verontwaardigd was, dat zij hem een ezel noemde, en in
geweldige haast bij hare meesteresse terugliep, die zij met den uitslag
harer boodschap bekend maakte, welke zij, zoo mogelijk nog overdreef,
daar zij even kwaad op Jones was alsof hij al de woorden gebruikt had,
door Partridge geuit. Zij stortte dus een heelen vloed van scheldnamen
over diens meester uit, en raadde Sophia aan, om alle gedachten aan een
man op te geven, die haar nooit waardig was geweest. Zij haalde de
geschiedenis van Molly Seagrim weer op en gaf de kwaadaardigste wending
er aan dat Jones vroeger zelf Sophia verlaten had;—al hetgeen, dat moet
ik bekennen, niet weinig bevestigd werd door de omstandigheden van het
oogenblik.
Sophia was eerst te veel door verdriet overmeesterd om de
woordenrijkheid harer dienaresse te stremmen. Eindelijk echter viel zij
haar in de rede en zeide:
„Ik kan dit niet gelooven; de een of andere schelm heeft hem gelasterd.
Gij zegt dat gij het van een vriend van hem hebt; maar zeker is het
geen vriendendienst om zulke geheimen te verklappen!”
„Ik verbeeld me,” hernam Honour, „dat die kerel zijn medepligtige moet
wezen; want een gemeener schelm heb ik nooit ontmoet. Bovendien schamen
zich zulke losbollen als mijnheer Jones volstrekt niet over zoo iets.”
Om de waarheid te zeggen, was dit gedrag van den heer Partridge
naauwelijks te verdedigen; maar hij was nog niet uitgeslapen van den
roes van den vorigen avond, waarop hij des morgens vroeg weer eene
halve flesch wijn, of liever sterken drank gezet had; want de
bessenwijn was volstrekt niets anders. Daar nu dat gedeelte van zijn
hoofd hetwelk de natuur tot vergaderplaats van den drank bestemd had,
zeer ondiep was, vloeide een klein gedeelte van het vocht over, en
zette de sluizen van zijn hart open, zoodat al de geheimen, welke
daarin bewaard waren, er uit stroomden. Deze sluizen waren dan
inderdaad ook zeer zwak van aard. Om zijn karakter op de meest gunstige
wijze te beschrijven, moeten wij zeggen dat hij een zeer eerlijk mensch
was; want even als hij de nieuwsgierigste der stervelingen was, die
altijd de geheimen van anderen zocht na te pluizen, zoo betaalde hij er
ook eerlijk voor, door weerkeerig al wat hij te weten kwam, aan anderen
mede te deelen.
Terwijl Sophia, door angst gefolterd, niet wist wat zij gelooven moest,
of welk besluit te nemen, kwam Suze met den warmen wijn aan. Jufvrouw
Honour raadde hare meesteresse fluisterend aan, om dit meisje uit te
hooren, dat haar waarschijnlijk omtrent alles zou kunnen inlichten.
Sophia keurde dit goed en begon als volgt:
„Kom eens hier, meisje, en antwoord me eerlijk op hetgeen ik u ga
vragen, en ik beloof u eene goede belooning. Is er hier in huis een
zeer knappe jonge heer, die—” Hier bloosde Sophia en stamelde.
„Een jonge heer,” riep Honour, „die hier gekomen is met dien
onbeschoften schelm, die nu in de keuken zit?”
Suze hernam, dat dit wel het geval was.
„Weet ge ook iets van eene dame?” ging Sophia voort. „Van eene dame,
zeg ik. Ik vraag u niet, of zij schoon is of niet;—misschien is dat
niet het geval; maar dat doet er niet toe;—maar weet gij iets van eene
dame?”
„Wel, jufvrouw,” riep Honour, „gij verstaat niet best de kunst om
iemand uit te hooren! Hoor eens, meisje,” ging zij voort: „ligt die
jonge heer nu niet te bed met de eene of andere gemeene landloopster?”
Hier glimlachte Suze, maar bleef zwijgen.
„Antwoord maar op hetgeen u gevraagd is, en ik zal u een guinje geven,”
zei Sophia.
„Een guinje, jufvrouw!” riep Suze; „wat heb ik aan een guinje? Als
mijne meesteresse het te weten kwam, zou ik op het oogenblik mijn
dienst kwijt zijn!”
„Hier hebt ge er nog één,” zei Sophia, „en ik beloof u plegtig dat uwe
meesteresse er nooit iets van vernemen zal.”
Suze, na zich een oogenblik bedacht te hebben, nam het geld en vertelde
alles, terwijl zij eindigde met te zeggen:
„Als gij er heel veel belang in stelt, jufvrouw, kan ik zachtjes naar
zijne kamer sluipen en zien of hij in bed is, of niet.”
Dit deed zij nu op verzoek van Sophia en keerde terug met een
ontkennend berigt.
Sophia beefde nu en verbleekte. Jufvrouw Honour echter smeekte haar
zich te troosten en niet meer aan zulk een onwaardig mensch te denken.
„Wel, wel!” zei Suze; „ik hoop dat de jufvrouw het me toch niet kwalijk
nemen zal;—maar heet u niet mejufvrouw Sophia Western?”
„Hoe is het mogelijk, dat gij mij kent?” hernam Sophia.
„Wel, die man, die uwe kamenier in de keuken sprak, vertelde ons van u
gisteren avond;—maar de jufvrouw moet mij dat niet kwalijk nemen.”
„Wezenlijk, meisje,” hernam Sophia, „ik neem het u volstrekt niet
kwalijk; vertel me maar alles, en ik beloof u, dat ik u dat vergoeden
zal.”
„Nu dan, jufvrouw,” ging Suze voort, „die man in de keuken vertelde ons
allen dat jufvrouw Sophia Western,—wezenlijk,—ik weet niet hoe ik het
er uitbrengen zal.”—Hier brak zij af, tot zij, na door Sophia weer
aangemoedigd te zijn, terwijl jufvrouw Honour sterk bij haar er op
aandrong, op deze wijze hervatte:
„Hij vertelde ons, jufvrouw, hoewel het zeker gelogen was, dat de
jufvrouw doodelijk verliefd was op den jongen heer, en dat hij naar den
oorlog trok om u kwijt te worden;—ik dacht toen al bij mij zelve dat
hij een verraderlijke schelm moest wezen;—maar nu, dat ik zulk eene
schoone, rijke, deftige jonge dame als gij zijt, verlaten zie om zulk
een gemeen wijf; want dat is zij zeker, en een ander mans vrouw op den
koop toe;—dat is iets vreemds en onnatuurlijks,—zou ik zeggen.”
Sophia gaf haar nu een derde guinje, en haar verzekerende dat zij haar
zou blijven beschermen als zij niets verklapte van hetgeen gebeurd was,
en aan niemand vertelde wie zij was, ontsloeg zij het meisje met het
bevel aan den postiljon om dadelijk de paarden klaar te maken.
Zoodra zij zich weder alleen bevond met hare getrouwe dienaresse,
verzekerde zij haar, „dat zij zich nooit kalmer gevoeld had dan op dat
oogenblik. Ik ben nu overtuigd,” zeide zij, „niet slechts dat hij een
slecht mensch is, maar ook een laag, verachtelijk wezen. Ik zou alles
kunnen vergeven, behalve dat hij mijn naam op die schandelijke wijze
misbruikte! Dat maakt hem tot het voorwerp mijner minachting. Ja,
Honour, ik ben nu heel gerust. Wezenlijk! Dat ben ik! Heel kalm!” En
zij barstte uit in een stortvloed van tranen.
Na een korte tusschenpoos, door Sophia voornamelijk met schreijen
doorgebragt, en met hare dienaresse bij herhaling te verzekeren dat zij
heel kalm was, kwam Suze aan met het berigt dat de paarden klaar waren,
toen een zeer vreemd denkbeeld opkwam bij onze jonge heldin, waardoor
zij den heer Jones bekend zou maken dat zij in het logement was
geweest, op eene wijze, welke, als eenige vonk van liefde tot haar bij
hem in het hart overbleef, hem ten minste eenigzins straffen zou voor
zijne misdaden.
De lezer zal zich wel een mofje herinneren, dat de eer genoten heeft
van meer dan eens in dit verhaal vermeld te zijn. Deze mof was, sedert
het vertrek van den heer Jones, aanhoudend over dag bij Sophia geweest,
en ’s nachts had zij ze mede naar bed genomen, en deze mof had zij op
dit oogenblik op den arm, vanwaar zij ze, met veel verontwaardiging
afnam, en met haar potlood haren naam op een stukje papier geschreven
hebbende, dat zij er op speldde, kocht zij de meid om, om ze in het
leêge bed van den heer Jones te leggen, en als hij ze daarin niet vond,
moest zij de eene of andere wijze bedenken, om ze hem ’s morgens te
doen zien.
Hierop, na hetgeen mejufvrouw Honour gegeten had, betaald te hebben,
waarbij gerekend werd wat zij zelve had kunnen eten, steeg zij te
paard, en hare gezellin nog eenmaal verzekerende, dat zij nu heel kalm
was, zette zij hare reis voort.