HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE ONFEILBARE MIDDELEN OM ZICH ALGEMEEN VERACHT EN GEHAAT TE

MAKEN.

De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken

terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke

hare meesteresse versmaad had.

Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied,

als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na

te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het

was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel

zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij

dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten

niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op wachten zou. Hoewel

nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen,

geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin

op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de

nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij

getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin

genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,”

zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den

slager laten halen.”

„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om

op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij

menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe

meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel

dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al

verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best

voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers

hier komen.”

De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar

logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde

zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de

deftigste lieden bezocht werd.”

„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik

verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws

gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder

lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik

geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”

„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet

ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis

heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en

een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”

„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand

lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door

de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of

zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”

„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de

waardin.

„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En

zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets

lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te

vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit

uw huis, nu bij u hebt.”

De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met

de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen

wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen

ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te

hebben.”

De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon

nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met

zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen

stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong

te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want

hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan!

als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken

van verontwaardiging.

Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren

dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu

te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij,

„heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik

geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een

gegeten heb.”

Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet

op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet

eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik

verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal

blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,”

zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk

man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand

dan het gemeene volk weg te jagen.”

„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u

verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen. Non semper vox

casualis est verbo nominativus.”

Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best

mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat

niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”

Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer

Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor

„een grooten geleerde” uit te schelden.

Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een

keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een

tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:

„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige

menschen bezocht?”

Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik

zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge

mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”

„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer

Allworthy is?” vroeg de kamenier.

„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken

mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.

„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken

mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon

heeft.”

De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige

verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:

„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van

mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn

zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam

zijn!”

Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek

vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd,

mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”

„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook

zeker dat hij hier is.”

De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging

toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het

volgende hoofdstuk lezen kan.

Tom Jones · 第 169 / 340 题