BEVATTENDE ONFEILBARE MIDDELEN OM ZICH ALGEMEEN VERACHT EN GEHAAT TE
MAKEN.
De dame had zich pas ter rust begeven, toen de kamenier naar de keuken
terugkeerde om zich op eenige van die lekkernijen te onthalen, welke
hare meesteresse versmaad had.
Zoodra zij binnentrad, bewees haar het gezelschap denzelfden eerbied,
als aan hare meesteresse, door op te staan; maar zij vergat die dame na
te volgen en allen te verzoeken weer plaats te nemen. Inderdaad, het
was hun naauwelijks mogelijk dat te doen; want zij plaatste haren stoel
zoodanig, dat zij bijna het geheele vuur innam. Daarop beval zij
dadelijk een kip voor haar te braden, verklarende, dat als het eten
niet binnen een kwartier klaar was, zij er niet op wachten zou. Hoewel
nu de arme kip op dat oogenblik in den stal zat te slapen, en gevangen,
geslagt en geplukt moest worden eer ze op het vuur kwam, had de waardin
op zich genomen alles binnen den bepaalden tijd te doen;—daar echter de
nieuw aangekomene ongelukkig achter de schermen toegelaten was, had zij
getuige moeten wezen van de foppaadje, en dus was de arme waardin
genoodzaakt te bekennen dat zij geen kip in huis had; „maar, jufvrouw,”
zeide zij; „ik kan dadelijk een heerlijk stukje schapenvleesch bij den
slager laten halen.”
„Verbeeldt ge u dat ik eene paardenmaag heb,” hernam de kamenier, „om
op dit uur van den nacht schapenvleesch te kunnen eten? Wel! Gij
menschen die logementen houdt, schijnt u wel te verbeelden dat uwe
meerderen niet anders geschapen zijn dan gij zelve! Maar ik dacht wel
dat er niets te krijgen zou zijn in dit ellendig nest. Ik was er al
verbaasd over dat de jufvrouw hier blijven wilde! Ik kan me best
voorstellen dat er nooit iemand anders dan vetweiders en winkeliers
hier komen.”
De waardin was al in het harnas gejaagd door deze minachting voor haar
logement aan den dag gelegd; maar onderdrukte haar toorn en vergenoegde
zich met te zeggen: „Dat zij den hemel dankte dat haar huis door de
deftigste lieden bezocht werd.”
„De deftigste lieden!” riep de andere; „praat me daar niet van! Ik
verbeeld me dat ik meer van deftige lieden weet dan gij en uws
gelijken!—Maar, bid ik u, zeg me zonder me met uwe praatjes verder
lastig te vallen, kortaf wat ik te eten kan krijgen; want ofschoon ik
geen paardenvleesch eten kan, heb ik toch honger.”
„Wel, wezenlijk, jufvrouw,” hernam de waardin, „gij hadt het niet
ongelukkiger kunnen treffen; want ik moet bekennen dat ik niets in huis
heb dan een stuk koud ossenvleesch, dat de knecht van een der heeren en
een postiljon bijna tot den laatsten brok opgegeten hebben.”
„Vrouw!” riep de kamenier, „maak me niet misselijk! Als ik eene maand
lang gevast had, zou ik iets niet kunnen eten, dat aangeraakt was door
de vuile vingers van zulke menschen. Is er dan niets goeds of
zindelijks in deze verschrikkelijke plaats te krijgen?”
„Zoudt gij wat gebakken eijeren met spek lusten, jufvrouw?” zei de
waardin.
„Zijn de eijeren versch? Weet ge zeker dat zij heden gelegd zijn? En
zorg vooral, dat het spek lekker dun gesneden wordt; want ik kan niets
lomps velen! Ik smeek u ditmaal u eenige moeite te geven, en niet te
vergeten dat ge geene boerenvrouw, of iemand anders van dien aard uit
uw huis, nu bij u hebt.”
De waardin greep nu naar het mes; maar de andere hield haar tegen, met
de woorden: „Ik moet er op staan, vrouwtje, dat ge u eerst de handen
wascht; want ik ben buitengewoon keurig, en sedert mijne kindsche dagen
ben ik er altijd aan gewoon geweest alles om mij heen keurig te
hebben.”
De waardin, wie het groote moeite kostte om zich te beheerschen, begon
nu met de noodige toebereidselen;—want Suze werd versmaad, en met
zoovele minachting, dat het der arme meid even zwaar viel de handen
stil te houden, als het harer meesteresse moeite gekost had hare tong
te beteugelen. Suze was echter niet geheel en al hiertoe in staat; want
hoewel slechts binnen’s monds, pruttelde zij steeds: „Nu ja—kom aan!
als of jij zoo veel beter waart dan ik!” met andere dergelijke blijken
van verontwaardiging.
Onder het klaarmaken van het souper begon de kamenier het te betreuren
dat zij het vuur niet had laten aanleggen in de zaal;—maar het was nu
te laat geworden daarvoor, zeide zij. „Evenwel,” voegde zij er bij,
„heeft de keuken de bekoorlijkheid van het nieuwe voor mij; want ik
geloof dat het de eerste keer van mijn leven is, dat ik er in een
gegeten heb.”
Zich daarop tot de postiljons wendende, vroeg zij hun, „waarom zij niet
op stal waren bij hunne paarden? Als ik mijn mageren kost hier moet
eten, jufvrouw,” voegde zij er bij tot de waardin: „dan moet ik
verzoeken dat men de keuken vrij houde en dat ik niet omgeven zal
blijven door al het gemeen volk uit de stad. Wat u betreft, mijnheer,”
zeide zij tot Partridge; „gij ziet er eenigzins uit als een fatsoenlijk
man, en kunt blijven zitten als u dat goed dunkt;—ik wenschte niemand
dan het gemeene volk weg te jagen.”
„Ja, ja, jufvrouw, ik ben een fatsoenlijk man; dat kan ik u
verzekeren;—en ik laat me ook niet zoo spoedig wegjagen. Non semper vox
casualis est verbo nominativus.”
Dit Latijn hield zij voor eene beleediging en hernam: „’t Is best
mogelijk mijnheer, dat gij fatsoenlijk man zijt; maar gij toont dat
niet door Latijn te praten tegen eene vrouw.”
Partridge gaf haar een zacht antwoord, maar eindigde met nog meer
Latijn, waarop zij den neus ophaalde, en zich vergenoegde met hem voor
„een grooten geleerde” uit te schelden.
Het souper werd nu op tafel gezet en de kamenier at, voor zulk een
keurig mensch, er zeer smakelijk van; en terwijl, op haar bevel, een
tweede schotel gereed gemaakt werd, zeide zij:
„Dus, volgens uw beweren, jufvrouw, wordt uw huis door heel deftige
menschen bezocht?”
Dit werd door de waardin bevestigd, die zeide dat er op het oogenblik
zeer vele aanzienlijke lieden onder haar dak waren;—„waaronder de jonge
mijnheer Allworthy, zoo als mijnheer, die daar zit, best weet.”
„En mag ik u vragen wie die deftige mijnheer, die jonge mijnheer
Allworthy is?” vroeg de kamenier.
„Wel! wie zou het anders zijn dan de zoon en erfgenaam van den rijken
mijnheer Allworthy in Somersetshire?” hernam Partridge.
„Op mijn woord,” zeide zij, „ge vertelt me vreemd nieuws; want ik ken
mijnheer Allworthy in Somersetshire best, en ik weet dat hij geen zoon
heeft.”
De waardin spitste de ooren bij deze woorden en Partridge toonde eenige
verlegenheid. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, hernam hij echter:
„’t Is waar, jufvrouw, dat hij niet algemeen bekend is als de zoon van
mijnheer Allworthy, die nooit met zijne moeder gehuwd was;—maar zijn
zoon is hij toch, en zal, zoo waar hij Jones heet, zijn erfgenaam
zijn!”
Bij het hooren van deze woorden liet de kamenier het stukje spek
vallen, dat zij naar haren mond bragt, en riep uit: „Ik sta verstomd,
mijnheer! Zou het mogelijk zijn! Is mijnheer Jones hier in huis?”
„Quare non?” hernam Partridge. „Het is niet alleen mogelijk, maar ook
zeker dat hij hier is.”
De kamenier haastte zich nu om haar maal ten einde te brengen, en ging
toen naar hare meesteresse, met wie zij het gesprek had, dat men in het
volgende hoofdstuk lezen kan.