HOOFDSTUK VI.

BEVATTENDE, ONDER ANDEREN, DE SLIMHEID VAN PARTRIDGE, DE DOLZINNIGHEID

VAN JONES EN DE DWAASHEID VAN FITZPATRICK.

Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen

begonnen op te staan en in de keuken te komen, en onder hen bevonden

zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een

drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar

ledigden.

Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat

Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het

woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon

om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging

vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.

De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen

ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge

uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding,

verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:

„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden

raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te

bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en deze horrida

bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid

verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen,

dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval

is, waarom zou men in den vreemde trekken?”

„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus

dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”

„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer

om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat

mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn,

geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien

aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er

weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt

afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker

u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij

besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar,

in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker

eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt,

om te voet te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op

stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te

geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de

paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de

koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat

vechten.”

Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand,

dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk

van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat

hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die

meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is;

maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan;

want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam

van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken

liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar

hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en

de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.

Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit

voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere

bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te

doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende,

dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis,

en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten

mijnheer midden in den nacht te overvallen.

„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik

deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van

haar een mof laten liggen!”

En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd

was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens

sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en

wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was

zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou

hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn

geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd

zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat

daaraan vastgespeld was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit:

„Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”

„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze

aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het

haar niet belet had.”

„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne

kleeren grijpende.

„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.

En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand

anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.

Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne

blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te

boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te

hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was

geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te

bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te

hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke

hij gegeven had, te verhaasten.

Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam,

is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was

sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.

De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee

Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat

zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat

zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.

De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de

lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar

toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van

den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in

paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan

al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt

het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien

koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.

De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer

Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs

mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den

staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan

te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne

vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis,

daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te

loopen.

De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en

haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het

rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit

vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat

hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig

schelen.

Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de

dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het

hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij

maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel

niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die

wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en

daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.

Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit

een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond

den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel

mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer

Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloog

onmiddellijk de trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs

wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er

behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings

aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen

vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het

beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene

arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden

bij een gejaagden haas. Gelijk dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren

om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij,

bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over

het algemeen, ingehaald en vernield.

Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht

te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof

dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad,

schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het

spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd

door tal van dienaren op de hielen gevolgd.

Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te

deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt,

dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het

volgende hoofdstuk vinden.

Tom Jones · 第 171 / 340 题