BEVATTENDE, ONDER ANDEREN, DE SLIMHEID VAN PARTRIDGE, DE DOLZINNIGHEID
VAN JONES EN DE DWAASHEID VAN FITZPATRICK.
Het was nu reeds over vijf uur ’s morgens, en de andere menschen
begonnen op te staan en in de keuken te komen, en onder hen bevonden
zich de sergeant en de koetsier, die geheel verzoend zijnde, een
drankoffer bragten, of, anders gezegd, een vollen beker met elkaar
ledigden.
Bij deze gelegenheid, gebeurde er niets opmerkelijks, dan dat
Partridge, toen de sergeant op „onzen koning George,” dronk, alleen het
woord „onzen koning” herhaalde, zonder dat men hem er toe brengen kon
om meer te zeggen; want hoewel hij tegen zijne eigene zaak ging
vechten, was hij niet over te halen daartegen te drinken.
De heer Jones nu naar zijn eigen bed teruggekeerd zijnde,—wij zullen
ons onthouden van te vermelden vanwaar hij gekomen was,—liet Partridge
uit dit aangename gezelschap wegroepen, die, na eene deftige inleiding,
verlof kreeg om zijn raad mede te deelen en, als volgt, sprak:
„Mijnheer, het is een oud en waar gezegde, dat een wijs man soms goeden
raad van een dwaas kan krijgen;—ik waag het dus u mijn raad aan te
bieden, en die is, om weder naar huis terug te keeren en deze horrida
bella, deze bloedige oorlogen, over te laten aan menschen, die buskruid
verslinden, omdat zij niets anders te eten hebben. Nu weet iedereen,
dat het u, mijnheer, aan niets ontbreekt te huis,—en als dat het geval
is, waarom zou men in den vreemde trekken?”
„Partridge,” riep Jones, „ge zijt zeker een lafaard;—ik wenschte dus
dat gij maar zelf naar huis wildet gaan en mij niet meer plagen.”
„Ik smeek u om vergiffenis, mijnheer,” hernam Partridge; „ik sprak meer
om uwent- dan om mijnentwil; want, wat mij betreft, de hemel weet, dat
mijne omstandigheden treurig genoeg zijn, en verre van bang te zijn,
geef ik niet meer om een pistool, of een donderbus, of iets van dien
aard, dan om een ——. Iedereen moet eenmaal sterven, en het komt er
weinig op aan, hoe dat geschiedt; bovendien, zal ik het er welligt
afbrengen alleen met het verlies van een arm of een been. Ik verzeker
u, mijnheer, dat ik nooit van mijn leven minder bang was;—dus, als gij
besloten hebt om verder te gaan, heb ik ook besloten u te volgen. Maar,
in dat geval, wenschte ik u mijn gevoelen te doen kennen. ’t Is zeker
eene schandalige wijze van reizen voor zoo’n grooten heer als gij zijt,
om te voet te gaan. Er zijn hier wel een stuk of wat goede paarden op
stal, en de waard zal er zeker geen bezwaar in zien, u krediet te
geven;—maar, mogt hij dat doen, het zal me niet veel moeite kosten, de
paarden mede te nemen—en al liep het ook op zijn ongelukkigst af, de
koning zou u zeker genade schenken, omdat gij in zijne zaak gaat
vechten.”
Daar nu de eerlijkheid van Partridge overeen kwam met zijn verstand,
dat alleen tot het kleine in staat was, zou hij nooit een schelmstuk
van dezen aard hebben willen ondernemen, zonder overtuigd te zijn, dat
hij dat heel veilig doen kon; want hij was een van die menschen, die
meer eerbied koesteren voor de galg dan voor hetgeen betamelijk is;
maar, werkelijk, hij dacht dezen diefstal zeer veilig te kunnen begaan;
want, behalve dat hij er niet aan twijfelde, dat de waard in den naam
van den heer Allworthy berusten zou, begreep hij, dat hoe de zaken
liepen, er geen gevaar voor hem zou kunnen ontstaan, daar Jones, naar
hij zich verbeeldde, vrienden genoeg zou hebben aan den eenen kant, en
de zijne hem ook van den anderen kant zouden beschermen.
Zoodra de heer Jones begreep dat het Partridge ernst was met dit
voorstel, verweet hij het hem zeer streng en in zulke bittere
bewoordingen, dat de andere zijn best deed het als eene aardigheid te
doen voorkomen, en spoedig het gesprek op wat anders bragt, zeggende,
dat hij geloofde dat zij nu te regt gekomen waren in een publiek huis,
en dat het hem veel moeite gekost had, om een paar meiden te beletten
mijnheer midden in den nacht te overvallen.
„Hola!” zeide hij, „ik geloof toch, dat zij, in weerwil van al wat ik
deed, op uwe kamer geweest zijn; want hier op den grond, heeft eene van
haar een mof laten liggen!”
En werkelijk, daar Jones, in het donker, naar zijn bed teruggekeerd
was, had hij de mof op het dek niet gezien, en toen hij onder de dekens
sprong, was ze op den grond gevallen. Partridge raapte ze nu op, en
wilde ze in den zak steken, toen Jones vroeg om ze te zien. De mof was
zoo bijzonder van aard, dat onze held ze waarschijnlijk herkend zou
hebben zonder de herinnering, welke daaraan gehecht was. Maar zijn
geheugen werd nu niet op die zware proef gesteld; want tegelijker tijd
zag hij en las hij den naam van „Sophia Western,” op het papier, dat
daaraan vastgespeld was. Met woeste blikken, riep hij nu driftig uit:
„Mijn hemel! Hoe is deze mof hier gekomen?”
„Dat weet ik evenmin als gij, mijnheer,” zei Partridge; „maar ik zag ze
aan den arm van eene der vrouwen, die u overvallen wilden, als ik het
haar niet belet had.”
„Waar zijn zij?” riep Jones, uit het bed springende en naar zijne
kleeren grijpende.
„O, denkelijk, mijlen ver van hier op dit oogenblik,” zei Partridge.
En Jones, bij nader onderzoek, overtuigde zich genoegzaam, dat niemand
anders dan de schoone Sophia zelve de mof gedragen had.
Het gedrag van Jones bij deze gelegenheid, zijne gedachten, zijne
blikken, zijne woorden, zijne handelingen, gingen alle beschrijving te
boven. Na Partridge en zich zelven niet minder bitter verwenscht te
hebben, beval hij den armen kerel, die doodelijk verschrikt was
geworden, naar beneden te loopen, en wat ze ook kostten, paarden te
bestellen, en weinige minuten later, na de kleeren aangeworpen te
hebben, vloog hij zelf den trap af, om de uitvoering der bevelen, welke
hij gegeven had, te verhaasten.
Maar, eer wij overgaan tot hetgeen gebeurde toen hij in de keuken kwam,
is het noodzakelijk terug te keeren tot hetgeen er voorgevallen was
sedert Partridge door zijn meester van daar weggeroepen was.
De sergeant was juist met zijne soldaten vertrokken toen de twee
Iersche heeren opstonden en naar beneden kwamen, beide klagende, dat
zij zoo dikwerf gewekt waren geworden door de onrust in de herberg, dat
zij den heelen nacht geen oog hadden kunnen toedoen.
De koets, welke de jonge dame en hare kamenier gebragt had, en welke de
lezer welligt tot hiertoe zich verbeeld zal hebben dat haar
toebehoorde, was inderdaad eene huurkoets uit Bath, het eigendom van
den heer King, een der eerlijkste en waardigste menschen, die ooit in
paarden gehandeld hebben, en wiens rijtuigen wij gaarne aanbevelen aan
al onze lezers, die ooit dien weg uit gaan. Hierdoor kunnen zij welligt
het genoegen smaken van juist in die koets te zitten en door dien
koetsier gereden te worden, die in dit verhaal vermeld zijn.
De koetsier, die slechts twee passagiers had, vernemende dat de heer
Maclachlan naar Bath ging, bood aan hem tegen een zeer matigen prijs
mede te nemen. Hij werd hiertoe overgehaald door het berigt van den
staljongen, die hem vertelde, dat het paard, door den heer Maclachlan
te Worcester gehuurd, meer in zijn schik zou zijn als het naar zijne
vrienden kon terugkeeren, dan met de voortzetting van eene lange reis,
daar gemeld dier eerder gezegd kon worden op twee dan op vier beenen te
loopen.
De heer Maclachlan nam dadelijk het voorstel van den koetsier aan, en
haalde ook zijn vriend, Fitzpatrick, over om de vierde plaats in het
rijtuig in te nemen. De pijnlijkheid zijner ledematen deed hem dit
vervoermiddel boven een paard verkiezen, en daar hij overtuigd was dat
hij zijne vrouw te Bath vinden zou, kon hem de kleine vertraging weinig
schelen.
Maclachlan, die verre weg de slimste van beiden was, vernam pas, dat de
dame, die mede rijden zou, uit Cheshire kwam, of hij kreeg het in het
hoofd, dat die welligt de vrouw van zijn vriend kon wezen, en hij
maakte hem dadelijk met deze veronderstelling bekend, die in het geheel
niet bij Fitzpatrick opgekomen was. Werkelijk was hij een van die
wezens welke de natuur met te veel overhaasting bij elkaar lapt, en
daarbij vergeet hun hoofd met hersenen te voorzien.
Het gaat dezen menschen even als slechte speurhonden, die zelve nooit
een spoor vinden, maar die dadelijk mede blaffen zoodra een goede hond
den bek opendoet en zonder door eenige reuk geleid te zijn, zoo snel
mogelijk vooruit zoeken te komen. Op deze wijze, stemde de heer
Fitzpatrick toe zoodra de heer Maclachlan zijne vrees uitte, en vloog
onmiddellijk de trap op, om zijne vrouw te overvallen, eer hij zelfs
wist waar hij haar zoeken moest; en ongelukkig (daar het noodlot er
behagen in schept die heeren streken te spelen, die zich blindelings
aan de fortuin toevertrouwen), stootte hij het hoofd te vergeefs tegen
vele deuren en stijlen. Zij begunstigde mij veel meer toen zij mij het
beeld met de honden, waarvan ik me pas bediend heb, ingaf, daar eene
arme vrouw, bij gelegenheden als deze, zoo juist vergeleken mag worden
bij een gejaagden haas. Gelijk dat ongelukkig dier, spitst zij de ooren
om naar de stem van haren vervolger te luisteren; even zoo, vlugt zij,
bevende zoodra zij ze verneemt, en op dezelfde wijze wordt zij, over
het algemeen, ingehaald en vernield.
Dit was echter thans niet het geval; want na lang en vergeefs gezocht
te hebben, keerde de heer Fitzpatrick naar de keuken terug, waar (alsof
dit eene wezenlijke jagt geweest ware), een heer binnentrad,
schreeuwende op zijn jagers, even als men doet wanneer de honden het
spoor kwijt zijn geworden. Hij was pas van het paard gestegen en werd
door tal van dienaren op de hielen gevolgd.
Thans, lezer, is het welligt noodig u eenige bijzonderheden mede te
deelen, welke u niet bekend kunnen wezen, tenzij ge veel slimmer zijt,
dan waarvoor ik u houd. En deze mijne mededeeling zult gij in het
volgende hoofdstuk vinden.