EEN GESPREK TUSSCHEN DE WAARDIN EN SUZE DE WERKMEID, DAT GELEZEN MOEST
WORDEN DOOR ALLE LOGEMENTHOUDERS EN HUNNE DIENSTBODEN,—ALSMEDE DE
AANKOMST EN DE VRIENDELIJKHEID VAN ZEKERE SCHOONE JONGE DAME, WAARUIT
MENSCHEN VAN HOOGEN STAND LEEREN MOGEN HOE ZIJ ZICH ALGEMEEN BEMIND
KUNNEN MAKEN.
De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed
lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de
aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den
vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.
Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele
gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat
zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het
begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den
angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd,
kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer
meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar
bed had zien springen.
Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal,
inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich
in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs
van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel
dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u
zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat
zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis
benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag
volk hier komen!”
„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”
„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse:
„ik zou mijne eigene oogen niet gelooven tegen zulke echt fatsoenlijke
lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door
hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat
zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als
champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond
als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het
te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal
nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”
Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot
iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met
postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de
paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt
ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij
den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen
heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog
menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe
gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de
kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap
niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een
schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets
tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig
heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg
zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij
geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer
voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd
mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver
brengen in de wereld!”
Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren
het bed met elkaar deelden.
„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk!
Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de
jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat
die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur van
de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een
fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op
de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van
een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat
zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”
Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot
onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij
geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had,
behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was
zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw
gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had,
behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het
bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich
zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk
genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.
Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester,
welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in
den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de
zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was,
gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld
zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene
echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij
wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had.
Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere
vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om
zijn bed met hem te deelen.
De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in
het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door
hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer
Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch
voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden,
toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het
leven, dat wij beschreven hebben, en toen hij zich weder ter rust
begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder
zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de
kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de
bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde
praten.
Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij
was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te
laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die
wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn
bestelde. Zij gehoorzaamde onmiddellijk door die hoeveelheid bessenwijn
op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten
van wijn verving.
De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem
volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede
te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester
vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar
hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen
beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in
wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.
Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop
Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge
dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat
Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de
waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg
vinden kon.
De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:
„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het
keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op
dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”
Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het
diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een
hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere
aanspraken op eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men
zich verbeelden kan.
De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren;
maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen
uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet
smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die
hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien,
die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren
rundvleesch geleken.
„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om
heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw
niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”
„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan!
Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame
smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen!
Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb
schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”
„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten
dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in
eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te
nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een
weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als
het u belieft!”
„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”
„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.
„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te
krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”
„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u
zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in
gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na
een uur of drie weder te paard te zijn.”
„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde
Gans?”—Het spijt me, dames, maar de beste kamers in huis zijn al bezet.
Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij
hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”
Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans”
waren.”
„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge
niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui,
die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt
fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen
opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”
„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam
de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik
me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts,
jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”
„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in
overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar
de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met
het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan
in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang
wachten tot het vuur brandt?”
„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik
maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen
en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het
vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook
bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”
Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met
twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.
Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek
over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de
volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand
is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de
weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk
wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare
gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te
besteden aan de rijke gouden borduursels van haar kleed; de postiljon
roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon,
die nu binnen gekomen was.
„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want
zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens
onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden,
en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te
voeren.”
De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen
loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde
jufvrouw Hussey; [9] want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in
het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en
te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op
deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe
schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te
sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te
laten zien.