HOOFDSTUK III.

EEN GESPREK TUSSCHEN DE WAARDIN EN SUZE DE WERKMEID, DAT GELEZEN MOEST

WORDEN DOOR ALLE LOGEMENTHOUDERS EN HUNNE DIENSTBODEN,—ALSMEDE DE

AANKOMST EN DE VRIENDELIJKHEID VAN ZEKERE SCHOONE JONGE DAME, WAARUIT

MENSCHEN VAN HOOGEN STAND LEEREN MOGEN HOE ZIJ ZICH ALGEMEEN BEMIND

KUNNEN MAKEN.

De waardin, zich herinnerende dat Suze de eenige was die niet te bed

lag toen de deur opengebroken werd, ging dadelijk bij haar, om naar de

aanleiding van het schandaal te vernemen, en te vragen naar den

vreemden heer en op welke wijze hij aangekomen was.

Suze vertelde alles wat de lezer al weet; de waarheid slechts in enkele

gevallen, waar zij zulks noodig achtte, verdraaijende, en het geld dat

zij ontvangen had, verzwijgende. Daar echter hare meesteresse, bij het

begin van haar onderzoek, met veel deelneming gesproken had over den

angst, welken de dame uitgestaan had, wegens een aanval op hare deugd,

kon Suze niet nalaten te trachten de schijnbare ongerustheid harer

meesteresse te sussen, door opregt te verklaren, dat zij Jones uit haar

bed had zien springen.

Bij deze woorden werd de waardin woedend: „Een waarschijnlijk verhaal,

inderdaad!” riep zij, „dat eene vrouw aan het gillen zou gaan en zich

in zulk een geval zelve verraden! Ik woû wel weten welk beter bewijs

van hare deugd eene vrouw geven kan, dan door gillen! En ik geloof wel

dat ik twintig getuigen bij kan brengen, dat zij dat deed. Ik verzoek u

zulke lastertaal van mijne gasten niet verder te verspreiden; want dat

zou niet slechts hen zelven, maar ook den goeden naam van het huis

benadeelen; en ik weet zeker dat er geene landloopers, of gemeen, laag

volk hier komen!”

„Nu”, hernam Suze, „dan moet ik mijne eigene oogen niet meer gelooven!”

„Neen, dat moet ge ook niet altijd doen,” antwoordde hare meesteresse:

„ik zou mijne eigene oogen niet gelooven tegen zulke echt fatsoenlijke

lieden! Er is in geen half jaar zulk een goed souper besteld als door

hen gisteren avond, en zij waren zoo gemakkelijk en vriendelijk, dat

zij volstrekt niet klaagden over den bessenwijn, welken ik hun als

champagne verkocht,—en ’t is waar, het goed is even lekker en gezond

als de beste champagne in het land;—anders zou ik er voor bedanken het

te schenken; en zij dronken er twee flesschen van. Neen, neen, ik zal

nooit iets kwaads gelooven van zulke goede, bescheidene menschen.”

Daar Suze nu tot stilzwijgen gebragt was, ging hare meesteresse tot

iets anders over. „En ge zegt,” hervatte zij, „dat die mijnheer met

postpaarden gekomen is, en dat er een knecht buiten staat bij de

paarden;—nu, dan zal hij ook wel een deftige mijnheer zijn. Waarom hebt

ge hem niet gevraagd, of hij niet souperen wilde? Ik geloof dat hij bij

den anderen heer op de kamer is. Ga naar boven en vraag of hij geroepen

heeft? Misschien zal hij iets bestellen als hij merkt dat er nog

menschen op zijn, om het voor hem klaar te maken. En bega geene van uwe

gewone domheden door hem te vertellen dat het vuur uit is en dat de

kippen nog niet geslagt zijn! En als hij schapenvleesch wil, verklap

niet dat wij het niet in huis hebben. Ik weet dat de slagter pas een

schaap geslagt heeft eer ik naar bed ging en hij heeft er nooit iets

tegen het stuk te hakken terwijl het nog warm is, als ik iets noodig

heb. Ga maar, en vergeet niet dat er schapenvleesch en kippen genoeg

zijn! Ga maar, zeg ik; doe de deur open en begin met: „Heeren, hebt gij

geroepen?” en als zij niets bestellen, vraag dadelijk, wat mijnheer

voor zijn avondeten verkiest te gebruiken? Vergeet dat niet zoo beleefd

mogelijk te doen;—als ge iets daarvan vergeet, zult gij het nooit ver

brengen in de wereld!”

Suze vertrok en keerde weldra terug met het berigt dat de beide heeren

het bed met elkaar deelden.

„Twee heeren,” riep de waardin, „in hetzelfde bed! Dat is onmogelijk!

Ik wed dat het twee gemeene schooijers zijn! En ik verbeeld me dat de

jonge mijnheer Allworthy het bij het regte einde had toen hij giste dat

die twee kerels de dame wilden bestelen; want als de ééne de deur van

de dame open gebroken had met eenige van de booze bedoelingen van een

fatsoenlijk man, zou hij zich nooit uit de voeten gemaakt hebben en op

de kamer van iemand anders zich schuil houden, om zelf de onkosten van

een bed en een souper uit te winnen. Het zijn zeker dieven, en al dat

zoeken naar eene vrouw is slechts een voorwendsel!”

Met deze verdenking van den heer Fitzpatrick deed de waardin hem groot

onregt; want hij was wezenlijk van fatsoenlijke afkomst, hoewel hij

geen duit bezat, en ofschoon hij eenige gebreken van hoofd en hart had,

behoorden laagheid en schrielheid daar niet onder. Inderdaad, hij was

zulk een mild mensch, dat hij een aanzienlijk vermogen met zijne vrouw

gekregen hebbende, er nu bijna elken stuiver van uitgegeven had,

behalve een karig jaargeld dat op hem gemaakt was, en ten einde in het

bezit daarvan te komen, had hij haar zoo wreedaardig behandeld, en zich

zoo woest en ijverzuchtig betoond, dat de arme vrouw zich eindelijk

genoodzaakt had gezien van hem weg te loopen.

Deze heer nu, zeer vermoeid zijnde door de lange reis van Chester,

welke hij in één dag afgelegd had, en die, met de slagen, welke hij in

den strijd gekregen had, hem aan alle leden pijnlijk maakte, terwijl de

zedelijke pijn, waaraan hij leed, daardoor nog vermeerderd was,

gevoelde hoegenaamd geen eetlust, en daar hij zich zoo teleurgesteld

zag in de vrouw, welke hij op het zeggen der meid voor zijne eigene

echtgenoote had gehouden, kwam het volstrekt niet bij hem op dat zij

wèl in huis kon wezen, hoewel hij zich nu in den persoon vergist had.

Hij luisterde dus naar den raad van zijn vriend, om van alle verdere

vervolging dien avond af te zien, en nam het vriendelijke aanbod aan om

zijn bed met hem te deelen.

De knecht en de postiljon waren anders gestemd. Zij waren vlugger in

het bestellen dan de waardin in het opdragen, die echter eindelijk door

hen omtrent de waarheid van de zaak ingelicht, en overtuigd dat de heer

Fitzpatrick geen dief was, zich liet overhalen om hun wat koud vleesch

voor te zetten, dat zij bezig waren met groote graagte te verslinden,

toen Partridge in de keuken trad. Hij was eerst gewekt door al het

leven, dat wij beschreven hebben, en toen hij zich weder ter rust

begeven wilde, had een nachtuil hem zulk eene serenade gebragt onder

zijn venster, dat hij in den grootsten angst uit het bed sprong en de

kleeren met den meesten spoed aantrekkende, naar beneden liep om de

bescherming te zoeken van het gezelschap, dat hij in de keuken hoorde

praten.

Zijne aankomst belette de waardin om weder naar bed te gaan; want zij

was juist op het punt om de beide anderen aan Suze’s zorg over te

laten; maar de vriend van den jongen heer Allworthy mogt niet op die

wijze verwaarloosd worden, vooral daar hij een pintje warmen wijn

bestelde. Zij gehoorzaamde onmiddellijk door die hoeveelheid bessenwijn

op het vuur te zetten; daar dit vocht de plaats van allerlei soorten

van wijn verving.

De Iersche knecht was al naar bed gegaan, en de postiljon wilde hem

volgen; maar Partridge noodigde hem uit om te blijven en wat wijn mede

te drinken,—wat de jongen zeer dankbaar aannam. De schoolmeester

vreesde inderdaad om alleen weer naar zijn bed te moeten gaan, en daar

hij niet wist hoe spoedig hij van het gezelschap der waardin zou kunnen

beroofd worden, besloot hij zich van den postiljon te verzekeren, in

wiens bijzijn hij spook noch duivel vreesde.

Op dit oogenblik verscheen er een tweede postiljon aan de poort, waarop

Suze bevolen werd naar buiten te gaan, en terug kwam met twee jonge

dames in rijkostuum, waarvan het eene zoo rijk geborduurd was, dat

Partridge en de postiljon dadelijk van hunne stoelen opsprongen en de

waardin niet diep genoeg buigen, of eerbiedige complimenten genoeg

vinden kon.

De dame in het geborduurde gewaad zeide met een vriendelijken glimlach:

„Met uw goedvinden, jufvrouw, zal ik me een paar minuten hier bij het

keukenvuur warmen; want het is waarlijk zeer koud;—maar ik sta er op

dat ik niemand hier van zijne plaats jaag.”

Dit laatste voegde zij er bij om den wille van Partridge, die, met het

diepste ontzag en bewondering over de rijke kleeding der dame, in een

hoek der kamer gevlugt was. Maar bovendien, had zij wel andere

aanspraken op eerbied; want zij was een der schoonste vrouwen die men

zich verbeelden kan.

De dame smeekte Partridge ernstig naar zijne plaats terug te keeren;

maar kon dit niet van hem verkrijgen. Daarop trok zij de handschoenen

uit, en hield twee handjes vóór het vuur, welke, behalve dat ze niet

smolten, alle eigenschappen van den sneeuw bezaten. Hare gezellin, die

hare kamenier was, trok ook de handschoenen uit, en liet handen zien,

die volmaakt, wat koude en kleur aangaat, op een stuk bevroren

rundvleesch geleken.

„Ik zou u toch in bedenking geven,” sprak de kamenier tot de dame, „om

heden nacht niet verder te gaan:—ik vrees wezenlijk dat de jufvrouw

niet meer tegen de vermoeijenis bestand zal wezen.”

„Wel, mijn tijd!” riep de waardin; „de dame denkt daar zeker niet aan!

Mijn hemel! Heden nacht nog doorreizen! Och! laat ik toch de dame

smeeken niet daaraan te denken!—Maar dat zal ook wel niet noodig wezen!

Wat zullen de dames voor het souper gelieven te gebruiken? Ik heb

schapenvleesch genoeg en heerlijke kippen!”

„Ik geloof, jufvrouw,” zei de dame, „dat gij ons eerder van ontbijten

dan van souperen moest spreken; maar ik heb hoegenaamd geen trek in

eten, en als ik blijf, zal het slechts zijn om een paar uren rust te

nemen. Als het u echter niet te veel moeite kost, zou ik gaarne een

weinig warme Madera met water hebben;—maar zeer weinig wijn er in, als

het u belieft!”

„O, jufvrouw!” riep de waardin; „wij hebben heerlijken witten wijn!”

„Dus hebt ge geen Madera?” zei de dame.

„O ja! Madera genoeg! Betere is in het heele land niet te

krijgen!—maar, laat me u toch overhalen om iets daarbij te gebruiken!”

„Wezenlijk;—ik heb geen trek in eten,” hernam de dame, „en ik zou u

zeer dankbaar wezen als gij zoodra mogelijk eene kamer voor mij in

gereedheid wildet laten brengen; want ik heb me vast voorgenomen om na

een uur of drie weder te paard te zijn.”

„Wel, Suze,” riep de waardin; „brandt het vuur nog niet in de „Wilde

Gans?”—Het spijt me, dames, maar de beste kamers in huis zijn al bezet.

Eenige menschen van de deftigste soort liggen al hier te bed. Wij

hebben een rijken jongen landjonker hier, en vele andere groote luî.”

Suze gaf tot antwoord, „dat de Iersche heeren in „de Wilde Gans”

waren.”

„Wel, hoe ongelukkig!” riep de waardin. „Wat drommel! Waarom hebt ge

niet een paar van de beste vertrekken open gehouden voor de groote lui,

die, zoo als ge weet, bijna dagelijks hier komen?—Als het maar echt

fatsoenlijke heeren zijn, zullen zij zeker dadelijk met genoegen

opstaan als zij hooren dat de dame de kamer noodig heeft.”

„Ik wil volstrekt niet dat iemand om mijnentwil gestoord worde,” hernam

de dame. „Als ge maar eene redelijk goede kamer voor mij hebt, kan ik

me best behelpen;—hoe eenvoudig alles ook zij. Ik verzoek u slechts,

jufvrouw, om mijnentwil zooveel drukte niet te maken.”

„O, wat dat betreft,” riep de andere, „wij hebben goede vertrekken in

overvloed;—maar geen een er van is goed genoeg voor u, mejufvrouw! Daar

de jufvrouw zich echter verwaardigen wil om het voor lief te nemen, met

het beste dat ik aan te bieden heb, loop, Suze, vlug, en leg vuur aan

in de Roos. Zal de jufvrouw nu dadelijk naar boven gaan, of zoo lang

wachten tot het vuur brandt?”

„Ik gevoel me nu al weêr wat verkwikt,” hernam de dame, „dus, zal ik

maar dadelijk gaan, als ’t u belieft. Ik vrees dat ik eenige menschen

en vooral dien heer,” (Partridge bedoelende), „reeds te lang van het

vuur beroofd heb. Ik kan er wezenlijk niet toe besluiten om wien ook

bij deze verschrikkelijke koude van het vuur af te houden.”

Hierop verwijderde zij zich met hare kamenier, terwijl de waardin met

twee opgestoken kaarsen haar vóór ging.

Toen de goede vrouw in de keuken terugkeerde, liep het heele gesprek

over de bekoorlijkheden der jonge dame. Er is ook werkelijk in de

volmaakte schoonheid eene betoovering, waartegen haast niemand bestand

is; want de waardin, hoewel zij niet in haar schik was over de

weigering van een souper, verklaarde dat zij nooit zoo’n bekoorlijk

wezen gezien had. Partridge roemde op de meest overdrevene wijze hare

gelaatstrekken, ofschoon hij niet nalaten kon ook eenigen lof te

besteden aan de rijke gouden borduursels van haar kleed; de postiljon

roemde hare goedheid, wat bevestigd werd door den anderen postiljon,

die nu binnen gekomen was.

„’t Is eene echte dame, daar durf ik voor in staan,” zeide hij; „want

zij heeft ook medelijden met de stomme dieren, en vroeg me telkens

onderweg, of het de paarden geen kwaad zou doen om zoo hard te rijden,

en toen we hier aankwamen, gelastte zij mij om hun volop haver te

voeren.”

De ware vriendelijkheid is zoo bekoorlijk, dat ze zeker aan iedereen

loftuitingen afperst. Ze mag zelfs vergeleken worden bij de beroemde

jufvrouw Hussey; [9] want ze weet iedere vrouwelijke volmaaktheid in

het prachtigste licht te doen uitkomen en elk gebrek te verzachten en

te verbergen. Wij konden deze korte opmerking niet achterwege houden op

deze plaats, waar de lezer in de gelegenheid is geweest te zien hoe

schoon de beminnelijkheid is,—en de waarheid dwingt ons dit nu des te

sterker te doen uitkomen door juist het tegenovergestelde daarvan te

laten zien.

Tom Jones · 第 168 / 340 题