HOOFDSTUK II.

DE AANKOMST VAN EEN IERSCHEN HEER, MET DE ZEER VERBAZENDE AVONTUREN IN

HET LOGEMENT, DIE DAAROP VOLGDEN.

Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de

vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe,

wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne

schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast

de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige

hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding

van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het

knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken

dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker

gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement,

de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s

avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid

was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de

armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.

Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden

daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij

haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of

er eenige dame in huis was?

Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het

rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig

antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de

waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te

hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.

„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee

plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het

oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in

het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór

mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet om haar te

ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van

het land maken!”

Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen

van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben

tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.

Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t

geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd

werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit

op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw

aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te

verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en

ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door

eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters

te brengen.

Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat

ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij

zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken.

Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen

voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de

dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk

voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin

eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou

willen laten zien.

Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder

beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts

formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel

degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval,

de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.

Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte

wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo

veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop

in de kamer viel.

Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het

bed verscheen (met schaamte en leedwezen moeten wij het bekennen)—onze

held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en

wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke

wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.

De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde

vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte

bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken,

mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz.,

alles door elkander op den grond.

Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij

werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te

antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.

Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling,

die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon

mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed

lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t

vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog

harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich

verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke

uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als

tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder

dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.

Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was

aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer

was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de

jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen

vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij

op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te

beproeven.

Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen

te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige

wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij

zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.

Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer,

sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het

licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw

Waters.

Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de

kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de

vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad,

riep hij uit:

„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”

Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:

„O, mijnheer Maclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze

schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed

gegaan!”

„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw

Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in

zijn hemd slaapt, iemand anders is!”

Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook

uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu

van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten

zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich

daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik

verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt

me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”

Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heer

Maclachlan hernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen

de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen

in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even

goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn

woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u

den nek omgedraaid hebben!”

Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame,

dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt

is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen.

Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare kamer

en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene

stoutheid, riep zij:

„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer!

Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de

kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende,

„dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet

in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in

hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen

aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”

De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed

gelegen had, pas gedaan had.

Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam

van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel

vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat

drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun

spektakel?”

Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist

had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn

landsman verwijderde.

Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de

schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen

aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich

verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te

bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide,

„dat te hebben belet.”

„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben,

mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene

straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem!

Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en

tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan

dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen

kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van

namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen

hebben om hier op te sommen.

Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in

de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo

ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de

vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had,

hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”

De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel

gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in

welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige

vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap

opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en

inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte

tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar

zouden kunnen overtreffen.

En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe

natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt

onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou

worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die

dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van

eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam

zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.

Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en

tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren

toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den

goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele

groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar

de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te

hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te

mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte

te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de

kamer verliet.

Tom Jones · 第 167 / 340 题