DE AANKOMST VAN EEN IERSCHEN HEER, MET DE ZEER VERBAZENDE AVONTUREN IN
HET LOGEMENT, DIE DAAROP VOLGDEN.
Nu dartelt vrolijk op het groene gras de sidderende haas, die door de
vrees voor zijne talrijke vijanden, en voornamelijk voor dat sluwe,
wreede, vleeschetende dier, den mensch, den heelen dag in zijne
schuilplaats gekluisterd is geweest; nu, op een hollen boomstam, krast
de uil, die schelle nachtelijke zanger, toonen, welke sommige
hedendaagsche muziekliefhebbers bekoren zouden; nu roept de verbeelding
van den halfdronken boer, als hij over het kerkhof, langs het
knekelhuis naar huis strompelt, voor hem allerlei spoken op; nu waken
dieven en boeven, en eerlijke nachtwakers—slapen;—duidelijker
gesproken, middernacht was geslagen, en het gezelschap in het logement,
de menschen die reeds vermeld zijn, zoowel als eenige anderen die ’s
avonds aangekomen waren, lagen allen te bed. Alleen Suze, de werkmeid
was nog op, daar zij de keuken nog schrobben moest eer zij zich in de
armen wierp van den liefdevol wachtenden stalknecht.
Zoo stonden de zaken in het logement, toen een mijnheer met postpaarden
daar aankwam. Hij steeg dadelijk af, en Suze aansprekende, vroeg hij
haar zeer kortaf en verward, daar hij bijna ademloos was van drift, of
er eenige dame in huis was?
Het nachtelijke uur en het gedrag van dezen mensch, die woest in het
rond keek, deed Suze schrikken, die dus aarzelde eer zij hem eenig
antwoord gaf, waarop de heer, met verdubbelde drift haar smeekte hem de
waarheid te zeggen, terwijl hij verklaarde zijne vrouw verloren te
hebben, en dat hij bezig was met haar te zoeken.
„Bij mijne ziel,” riep hij, „ik was op het punt van haar op twee
plaatsen in te halen, als zij niet juist weggegaan ware op het
oogenblik mijner aankomst. Als zij in huis is, bid ik u, breng me in
het donkere naar boven en laat me haar zien;—en als zij nu weer vóór
mij vertrokken is, wijs me maar den weg dien ik volgen moet om haar te
ontmoeten, en ik zal u voor een arm mensch, tot de rijkste vrouw van
het land maken!”
Met deze woorden haalde hij een handvol goudstukken uit, die personen
van veel meer gewigt dan deze arme dienstbode omgekocht zouden hebben
tot veel slechtere dingen dan van haar gevergd werden.
Na hetgeen zij van mevrouw Waters gehoord had, twijfelde Suze in ’t
geheel niet, dat zij juist de vrouw was, die door haar man vervolgd
werd. Daar zij ook, met grooten schijn van regt, besloot, dat zij nooit
op eene eerlijker wijze aan geld zou kunnen komen, dan door eene vrouw
aan haar man terug te geven, schroomde zij niet om den heer te
verzekeren, dat de dame, die hij zocht, zeker in het logement was, en
ze werd dan ook spoedig overgehaald (door zeer milde beloften en door
eene kooppenning in de hand), om hem naar de kamer van mevrouw Waters
te brengen.
Het is een sedert lang aangenomen gebruik in de beschaafde wereld,—dat
ook op degelijke en deugdzame gronden berust,—dat een man nooit bij
zijne vrouw op de kamer mag komen, zonder eerst aan de deur te tikken.
Wij behoeven de voortreffelijkheid van deze gewoonte niet aan te wijzen
voor den lezer die eenige wereldkennis heeft;—want daardoor heeft de
dame den tijd om zich gereed te maken, of het een of ander onoogelijk
voorwerp uit den weg te ruimen; want er zijn sommige toestanden, waarin
eene beschaafde en kiesche vrouw zich niet gaarne door haar man zou
willen laten zien.
Om de waarheid te zeggen, er zijn vele plegtigheden ingesteld onder
beschaafde menschen, die hoewel ze, voor een onbeschaafd gemoed slechts
formaliteiten schijnen, toch voor iemand, die dieper ziet, veel
degelijks bevatten, en het zou gelukkig geweest zijn als, in dit geval,
de vreemdeling ze niet verwaarloosd had.
Hij klopte inderdaad wel aan; maar niet op de gebruikelijke, zachte
wijze. Integendeel, de deur gesloten vindende, sloeg hij er met zoo
veel geweld tegen, dat het slot dadelijk bezweek en hij hals over kop
in de kamer viel.
Hij was naauwelijks weer op de been, toen, ook op zijne beenen, uit het
bed verscheen (met schaamte en leedwezen moeten wij het bekennen)—onze
held zelf, die met eene dreigende stem den heer vroeg, wie hij was en
wat het te beteekenen had, dat hij het waagde, op die schandelijke
wijze, met geweld, zijn slaapvertrek binnen te dringen.
De vreemdeling dacht eerst dat hij zich vergist had, en wilde
vergiffenis vragen en zich verwijderen, toen hij plotseling ontdekte
bij den helderen maneschijn, een keurslijf, een japon, onderrokken,
mutsen, linten, kousen, kousenbanden, schoentjes, overschoenen, enz.,
alles door elkander op den grond.
Dit alles diende slechts om zijn ijverzuchtig gemoed aan te vuren; hij
werd zoo woedend, dat hij geen woord uitbrengen kon, en zonder Jones te
antwoorden, trachtte hij het bed te naderen.
Daar Jones zich dadelijk verzette, ontstond er eene hevige worsteling,
die weldra van weerskanten door slagen gevolgd werd. En nu begon
mevrouw Waters,—want wij moeten bekennen dat zij ook in het bed
lag,—denkelijk uit den slaap gewekt zijnde en twee mannen aan ’t
vechten ziende op hare kamer,—hevig te gillen: „Moord, roof!” en nog
harder „geweld!” uitroepende. En slechts diegenen zullen zich
verwonderen dat zij dit laatste woord gebruikte, die vergeten dat zulke
uitroepingen door verschrikte dames gebezigd worden even als
tra-la-riri! in het gezang, alleen om den wille van het geluid, zonder
dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hecht.
Naast de kamer van de dame, lag ook een Iersche heer, die te laat was
aangekomen in het logement, om vroeger vermeld te worden. Deze mijnheer
was hetgeen de Ieren een „cavalier,” noemen: dat wil zeggen, hij was de
jongere broeder, uit eene goede familie, en daar hij van huis geen
vermogen had, moest hij het ergens elders zoeken: om die reden, was hij
op weg naar Bath, om met de kaarten en de vrouwen zijn geluk te
beproeven.
Dit jong mensch lag te bed, bezig met een van mevrouw Behn’s novellen
te lezen; want een vriend had hem gezegd, dat de meest krachtdadige
wijze om zich bij de vrouwen aan te bevelen, daarin bestond dat hij
zijn verstand beschaafde en zijn geest ontwikkelde door goede lektuur.
Zoodra hij echter het geweldige leven hoorde in de aangrenzende kamer,
sprong hij van zijn bed op, greep den degen in de eene hand en het
licht in de andere, en liep dadelijk naar het vertrek van mevrouw
Waters.
Zoo het gezigt van een derden man, in zijn hemd, eerst op nieuw de
kieschheid der dame schokte, werd dit echter vergoed door de
vermindering harer vrees; want zoodra de cavalier in de kamer trad,
riep hij uit:
„Wat drommel! mijnheer Fitzpatrick, wat beteekent dat?”
Hierop gaf de andere dadelijk tot antwoord:
„O, mijnheer Maclachlan, wat ben ik blijde dat gij hier zijt! Deze
schurk heeft eerst mijne vrouw verleid en is daarop met haar naar bed
gegaan!”
„Vrouw! Welke vrouw?” riep de andere; „ik ken toch uwe vrouw, mevrouw
Fitzpatrick, best, en ik zie wel dat de dame, bij wie de heer hier in
zijn hemd slaapt, iemand anders is!”
Daar Fitzpatrick ook nu uit hetgeen hij van de dame gezien had, en ook
uit hare stem, die wel op een grooteren afstand dan waarop hij zich nu
van haar bevond, had kunnen herkend worden, begreep dat hij zich ten
zeerste vergist had, begon hij de dame vergiffenis te vragen, en zich
daarop tot Jones wendende, voegde hij er bij: „Maar wat u betreft, ik
verzoek u op te letten, dat ik u geene vergiffenis vraag; want ge hebt
me een slag gegeven, en dat eischt bloed morgen vroeg!”
Jones behandelde deze bedreiging met de meeste minachting, en de heer
Maclachlan hernam: „Werkelijk, mijnheer Fitzpatrick, ge moest u schamen
de menschen zoo midden in den nacht te storen; want als alle menschen
in het logement niet sliepen, zoudt ge hen wakker gemaakt hebben, even
goed als mij. Die mijnheer heeft u naar verdienste behandeld! Op mijn
woord, ik, die geene vrouw heb, als gij haar zoo mishandeld hadt, zou u
den nek omgedraaid hebben!”
Jones was zoodanig vervuld met vrees voor den goeden naam zijner dame,
dat hij niet wist wat hij zeggen of doen zou; maar, gelijk opgemerkt
is, de vindingrijkheid der vrouwen is veel vlugger dan die der mannen.
Zij herinnerde zich dan dat er gemeenschap bestond tusschen hare kamer
en die van Jones, en vertrouwende op zijne eer en hare eigene
stoutheid, riep zij:
„Ik weet niet wat ge wilt, ellendeling! Ik ben de vrouw van geen uwer!
Hulp! Hulp! Geweld! Moord!—” En daar de waardin op dit oogenblik in de
kamer trad, viel haar mevrouw Waters met de meeste drift aan, zeggende,
„dat zij zich verbeeld had in een fatsoenlijk logement te zijn, en niet
in een publiek huis; maar dat een bende schurken haar overvallen had in
hare kamer, die hare eer, zoo niet haar leven hadden willen
aanranden;—die haar beide (naar zij verzekerde), even dierbaar waren.”
De waardin begon nu even hard te gillen als de arme vrouw, die te bed
gelegen had, pas gedaan had.
Zij riep uit, „dat men haar te gronde rigtte, dat men den goeden naam
van haar huis, waarop tot dusver nooit een smet gerust had, geheel
vernietigd had.” Zich daarop tot de heeren wendende, vroeg zij: „Wat
drommel, zij daar te maken hadden in de kamer van de dame, met hun
spektakel?”
Fitzpatrick, die het hoofd liet hangen, herhaalde dat hij zich vergist
had, en dat hij ootmoedig vergiffenis vroeg; waarop hij zich met zijn
landsman verwijderde.
Jones, die te slim was om den wenk niet te verstaan, die hem door de
schoone gegeven was, beweerde stout, „dat hij tot hare hulp was komen
aansnellen zoodra hij de deur had hooren openbreken, wat, naar hij zich
verbeeldde, alleen had kunnen geschieden met het voornemen om haar te
bestelen,—en als dat zoo was, verheugde hij zich,” gelijk hij zeide,
„dat te hebben belet.”
„Er is nooit een diefstal hier in huis gepleegd zoo lang ik er ben,
mijnheer,” riep de waardin; „ik verzoek u te bedenken dat ik geene
straatroovers,—God vergeve mij dat leelijke woord!—bij mij opneem!
Niemand dan brave, eerlijke lieden worden hier in huis ontvangen, en
tot mijn geluk mag ik zeggen, dat ik nog nooit gebrek heb gehad aan
dergelijke klanten. Neen, ik had er altijd zooveel als ik maar bergen
kon. Daar is hier geweest Milord—” en zij begon met eene lijst van
namen en titels op te dreunen, die wij de onbescheidenheid niet zullen
hebben om hier op te sommen.
Na lang met geduld geluisterd te hebben, viel haar Jones eindelijk in
de rede, en verontschuldigde zich bij mevrouw Waters dat hij zoo
ongekleed bij haar verschenen was, haar verzekerende „dat alleen de
vrees, welke hij omtrent hare persoonlijke veiligheid gekoesterd had,
hem tot zoo iets zou hebben kunnen verleiden.”
De lezer kan zich haar antwoord voorstellen, en inderdaad haar geheel
gedrag, tot het einde van het tooneel toe, als hij maar bedenken wil in
welken toestand zij veinsde te zijn,—namelijk, in dien van eene zedige
vrouw, die door drie vreemde mannen op hare kamer uit den slaap
opgewekt wordt. Dit was de rol, welke zij op zich nam te spelen, en
inderdaad het gelukte haar zoo goed, dat geene onzer echte
tooneelspeelsters in wat ze ook doen, op of van het tooneel, haar
zouden kunnen overtreffen.
En daarin mogen wij denkelijk zeer billijk het bewijs zien, hoe
natuurlijk de deugd is bij het schoone geslacht; want hoewel welligt
onder tienduizend er geen eene is, die eene goede tooneelspeelster zou
worden,—en er zelfs onder die weinigen zelden twee gevonden worden die
dezelfde rol even goed weten te spelen,—kunnen alle vrouwen de rol van
eene deugdzame op zich nemen, en diegenen die werkelijk deugdzaam
zijn—en die het niet zijn, spelen allen even volmaakt die rol.
Zoodra de heeren weg waren, herstelde mevrouw Waters van hare vrees, en
tevens van haar toorn, terwijl zij de waardin op een veel zachteren
toon aansprak, die echter niet zoo spoedig tot bedaren kwam over den
goeden naam van haar huis, om welken te bewijzen zij weder de vele
groote luî begon op te sommen, die onder haar dak geslapen hadden;—maar
de dame sneed het kort af, sprak haar volmaakt vrij van eenig deel te
hebben gehad aan hetgeen gebeurd was, en smeekte verder hare rust te
mogen nemen, welke zij voor het overige van den nacht ongestoord hoopte
te genieten; waarop de waardin, na vele pligtplegingen en buigingen, de
kamer verliet.