HOOFDSTUK I.

BEVATTENDE ZEER NOODZAKELIJKE ONDERRIGTING VOOR DE HEDENDAAGSCHE

RECENSENTEN.

Het is onmogelijk, lezer, voor ons te weten welke soort van mensch ge

zijt; want welligt zijt gij een even groot menschenkenner als

Shakespeare zelf,—of even onwetend als sommige zijner uitgevers.

Uit vrees dan dat dit laatste het geval moge wezen, achten wij het

noodzakelijk, eer we verder gaan, u eenigen goeden raad te geven, opdat

wij niet door u glad verkeerd verstaan en voorgesteld worden, zoo als

sommige der genoemde uitgevers hun schrijver slecht begrepen en

verkeerd voorgesteld hebben.

Ten eerste dan, waarschuwen wij u, om niet al te overhaast eenige der

gebeurtenissen in deze onze geschiedenis af te keuren als ongepast en

vreemd aan ons hoofdplan, omdat het u niet onmiddellijk duidelijk is op

welke wijze zulk eene gebeurtenis met het geheel in verband staat. Men

moet dit werk, inderdaad, als eene grootsche schepping van ons

beschouwen, en het zou bespottelijke verwaandheid zijn in zoo een klein

ongedierte als een recensentje, om te wagen eenig deel er van af te

keuren, zonder te weten hoe het geheel in elkaar zit, en eer hij het

slot er van gezien heeft.

Het beeld en de vergelijking welke wij hier gebruikt hebben, is, dat

bekennen wij, niet al te verheven voor ons doel; maar er bestaat

werkelijk geen ander, dat geschikt ware om zelfs in de verte het

verschil aan te wijzen tusschen een uitmuntenden schrijver en een

slechten recensent.

Eene andere raadgeving, welke wij het goede ongedierte inprenten

wilden, is om niet al te vele onderlinge gelijkenis te vinden tusschen

zekere karakters hier ingevoerd, zoo als, bij voorbeeld, tusschen de

waardin die in het zevende boek optreedt en die in het negende.

Ge moet weten, vriend, dat er zekere kenmerken zijn, eigenaardig aan de

meeste individuën van elk beroep en leefwijze. Het is één der gaven van

een goeden schrijver, om die kenmerken te bewaren en tevens in hunne

uitwerking afwisseling te brengen. Eene andere gave is het om het fijne

onderscheid op te merken tusschen twee personen met dezelfde ondeugd of

dwaasheid behebt;—en deze laatste gave wordt bij zeer weinige

schrijvers gevonden, en door zeer weinige lezers begrepen; hoewel, naar

het mij voorkomt, de opmerking daarvan een der hoofdgenoegens is van

diegenen die in staat zijn het te zien. Iedereen kan, bij voorbeeld,

het onderscheid zien tusschen den heer Vlinder en den heer Geldwolf;

maar het eischt een fijner oordeel om het onderscheid te ontdekken

tusschen den heer Vlinder en den heer Bontemot;—en uit gemis daarvan

zijn de onwetende theaterbezoekers dikwerf onregtvaardig ten opzigte

van het drama, terwijl ik menigen dichter als letterdief heb hooren

veroordeelen, wegens eene slechts schijnbare overeenkomst van zijn werk

met dat van een ander. Waarlijk, ik geloof ook dat iedere verliefde

weduwe op het tooneel gevaar zou loopen als eene slaafsche navolging

van Dido afgekeurd te worden, zoo niet, gelukkig, slechts zeer weinige

tooneelrecensenten Latijn genoeg kenden om Virgilius te verstaan.

Ten tweede, moet ik u, geachte vriend, waarschuwen (daar uw hart

welligt meer waard is dan uw hoofd), om een karakter niet als slecht af

te keuren, omdat het niet volmaakt goed is. Als gij echter behagen

schept in dergelijke voorbeelden van volmaaktheid, zijn er boeken

genoeg om u te voldoen; daar ik echter in den omgang nooit het geluk

heb gehad zoo iemand te ontmoeten, heb ik ook niet goedgevonden iemand

van dien aard hier te doen optreden. Om de waarheid te zeggen, twijfel

ik eenigzins, of de mensch ooit die hooge trap van volmaaktheid bereikt

heeft, en ook of er ooit een monster bestaan heeft, om het gezegde van

Juvenalis te wettigen:

„—Nulla virtute redemptum

A vitiis.” [8]

Ik weet ook waarlijk niet, waartoe het dient om zulke volmaakt

engelachtige of duivelsche karakters in eenig verdichtsel in te

vlechten, daar uit de beschouwing daarvan de menschelijke geest eerder

overstelpt zal worden met leedwezen en schaamte dan dat die eenig nut

zal trekken uit zulke voorbeelden; want in het eerste geval mag hij te

regt bedroefd en beschaamd zijn als hij een voorbeeld van uitnemendheid

ziet, dat hij redelijkerwijze nooit hopen kan te evenaren, en in de

beschouwing van het laatste, zal hij niet minder onaangenaam aangedaan

worden door de natuur, welke ook hij bezit, in zulk een verachtelijk en

verfoeijelijk wezen verlaagd te zien.

Inderdaad, als er maar goedheid genoeg in een karakter is, om de

bewondering en de liefde van een welgeaarden mensch te boeijen, al

vertoonen zich dan ook sommige dier kleine smetten, quas humana parum

cavit natura, zullen ze eerder ons medelijden dan onzen afschuw

opwekken. Werkelijk, bestaat er geene betere zedeles dan die men halen

kan uit voorbeelden van onvolmaaktheden van dezen aard, daar ze eene

soort van verrassing opleveren, die ons eerder treft en bijblijft dan

de gebreken van zeer slechte en boosaardige wezens. De zwakten en

ondeugden van menschen, die veel goeds bezitten, vallen te meer in het

oog door de tegenstelling met hunne deugden en vertoonen zich in hare

naaktheid, en als wij zulke ondeugden vergezeld zien van hare treurige

gevolgen voor onze lievelingskarakters, leeren wij niet slechts ze om

ons zelfs wille vermijden, maar ook om ze te haten, wegens het kwaad

dat ze diegenen van wie wij houden, gedaan hebben.

En nu, vriend, na deze weinige raadgevingen, zullen wij met uw

goedvinden, ons verhaal weder opvatten.

Tom Jones · 第 166 / 340 题