HOOFDSTUK VI.

EEN VRIENDSCHAPPELIJK GESPREK IN DE KEUKEN, DAT OP EENE ZEER GEWONE,

HOEWEL NIET AL TE VRIENDSCHAPPELIJKE WIJZE AFLIEP.

Terwijl onze minnenden zich op de wijze vermaakten, welke in het vorige

hoofdstuk gedeeltelijk beschreven is, verschaften zij tevens vermaak

aan hunne goede vrienden in de keuken. En dit in eene dubbele

beteekenis, door hun tegelijk stof tot spreken en iets te drinken te

geven, en zich zoodoende wat op te vrolijken.

Rondom het keukenvuur waren nu bijeen gekomen, behalve de waard en de

waardin, die telkens heen en weer liepen, de heer Partridge, de

sergeant en de voerman, die de jonge dame en haar kamenier gereden had.

Zoodra Partridge het gezelschap medegedeeld had wat de oude man van den

Berg hem verteld had van den toestand waarin mevrouw Waters door Jones

gevonden werd, ging de sergeant er toe over om zoo veel van hare

geschiedenis als hem bekend was, mede te deelen.

Hij zeide, dat zij de vrouw was van zekeren kapitein Waters van zijn

regiment, en dikwijls hem op marsch vergezeld had. „Sommige menschen,”

ging hij voort, „twijfelen wel eens, of zij ooit wettig in de kerk

getrouwd zijn of niet. Maar, wat mij betreft, dat gaat mij niet aan, en

ik moet bekennen, dat als ik er een eed op afleggen moest, ik geloof

dat zij niet veel meer is dan een van ons;—en dat, als de zon eens

schijnt bij een betrokken lucht, de kapitein ook in den hemel zal

komen. Maar of hij dat doet, of niet, daarover behoeven wij ons niet te

bekommeren;—aan gezelschap zal het hem niet ontbreken. En de dame, om

van den duivel geen kwaad te spreken, is een best soort van mensch, en

houdt van den soldatenstand, en verlangt dat er ook niemand

verongelijkt wordt; want zij is voor menigen armen soldaat een goede

voorspraak geweest, en, met haar zin, zou er nooit iemand gestraft

worden. Maar waar is het dat zij en de vaandrig Northerton elkaar heel

goed kenden,—dat is onloochenbaar; maar de kapitein, die weet daar

niets van, en zoo lang hij maar tevreden is, raakt dat niemand! Hij

houdt geen greintje minder van haar daarom, en ik weet zeker dat hij

iedereen overhoop zou steken, die kwaad van haar sprak;—dus zal ik, van

mijn kant, dat wel laten. Ik herhaal maar wat anderen zeggen;—en ’t is

zeker, als iedereen wat zegt, moet er iets van waar zijn.”

„Ja, ja, een heele boel! Daar sta ik voor in,” riep Partridge. „Veritas

odium parit.”

„Allemaal lastertaal en onzin!” hernam de huisvrouw. „Ik verklaar,

nadat zij gekleed is, dat zij er als eene echte dame uitziet,—en zij

gedraagt zich ook als eene; want zij gaf me een guinje voor het gebruik

mijner kleêren.”

„’t Is eene echte dame, dat is waar,” zei de waard, „en als gij niet

wat al te driftig waart geweest, zoudt ge in ’t begin ook geen ruzie

met haar gekregen hebben.”

„Gij moest waarlijk daarvan zwijgen!” antwoordde zij: „zonder uwe

dwaasheid, zou er niets gebeurd zijn. Maar gij moest u bemoeijen met

wat u niet aanging en met uwe malle praatjes er tusschenkomen!”

„Nou, nou!” zeide hij; „gedane zaken nemen geen keer; en daarmede uit!”

„Ja,” riep zij, „daarmede uit,—voor het oogenblik! Maar zal het altijd

zoo blijven? ’t Is de eerste keer niet, dat ik voor uwe zotte praatjes

heb moeten boeten! Ik wilde maar dat gij in huis altijd zwijgen kondt,

en u buiten ’s huis alleen bemoeidet met hetgeen u aangaat! Weet gij

niet meer wat er zoo ongeveer zeven jaren geleden gebeurd is?”

„Kom, kom, vrouwtje,” hernam hij; „we moeten geene oude koeijen uit de

sloot halen! Komaan! alles is best afgeloopen en ik heb berouw over

hetgeen ik gedaan heb”

De vrouw wilde hierop antwoorden, maar werd in de rede gevallen door

den vredelievenden sergeant, tot groot verdriet van Partridge, die veel

hield van hetgeen men een grap noemt, en een groot bevorderaar was van

die onschuldige twisten, welke nog meer tot komische dan tot tragische

gebeurtenissen aanleiding geven.

De sergeant vroeg aan Partridge, waarheen hij met zijn heer reisde?

„Praat me niet van heer!” hernam Partridge. „Ik verzeker u dat ik

niemands knecht ben; want hoewel ik mijne ongelukken te dragen heb

gehad, ben ik een fatsoenlijk man, en arm en eenvoudig als ik schijne,

heb ik toch eens eene school bestuurd! Sed, heu mihi! non sum quod

fui!”

„Neem het me niet kwalijk, mijnheer,” zei de sergeant; „mag ik dan zoo

vrij zijn om te vragen, waarheen gij met uw vriend reist?”

„Zoo drukt ge ’t goed uit”, hernam Partridge. „Amici sumus. En ik

verzeker u dat mijn vriend een der grootste heeren in het land is”. Bij

deze woorden spitsten de waard en zijne huisvrouw de ooren. „Hij is de

erfgenaam van mijnheer Allworthy.”

„Hoe? van dien heer die zoo veel goed doet overal in den omtrek?” riep

de waardin.

„Juist!” zei Partridge.

„Nu, dan heeft hij wel een boel geld te wachten, daar sta ik u borg

voor!” hernam zij.

„Wel zeker,” antwoordde Partridge.

„Nu,” zei de waardin, „het eerste oogenblik dat ik hem zag, dacht ik

dat hij een echt fatsoenlijk uiterlijk had; maar mijn man hier, die

natuurlijk de wijsheid in pacht heeft—”

„Ik beken gaarne, vrouwtje, dat ik me vergiste,” viel hij in.

„U vergissen!” riep zij. „Hebt ge ooit van uw leven gezien dat ik me

vergiste?”

„Maar hoe komt het toch, mijnheer,” vroeg de waard, „dat zulk een

groote mijnheer zoo te voet het land doortrekt!”

„Dat weet ik niet,” hernam Partridge. „De groote luî hebben soms rare

kuren! Hij heeft nu wel een dozijn bedienden en paarden te Gloucester;

maar gisteren avond kreeg hij het in de hersenen, daar hij het zeer

warm had, om zich af te koelen door eene wandeling dien hoogen heuvel

daar op, en ik ging mede, om hem gezelschap te houden;—maar men zal mij

er nooit weer snappen;—want ik ben van mijn leven zoo bang niet

geweest! Wij hebben daar den raarsten vent ontmoet dien ik ooit gezien

heb.”

„Wat drommel!” riep de waard; „dat zal zeker de oude man van den Berg

geweest zijn, zoo als hij heet,—als het maar een man is: maar ik ken

een boel menschen, die meenen dat het de Satan zelf is.”

„O ja,” zei Partridge, „dat kan ook best. En nu ge me er aan doet

denken, geloof ik wezenlijk dat het de Satan zelf was; hoewel ik de

gespleten hoef niet zag; maar misschien heeft hij de magt om die te

verbergen; daar de booze geesten alle gestalten kunnen aannemen die zij

goed vinden.”

„En mag ik u vragen, mijnheer, zonder onbescheidenheid, wat soort van

mensch de duivel is? Want ik heb vele onzer officieren hooren beweren,

dat hij niet bestond; en dat hij alleen een uitvinding der dominés is,

om te beletten dat zij uit de dienst weggejaagd worden; want als het

algemeen bekend was dat er geen duivel bestaat, zouden de geestelijken

van even weinig nut wezen als wij soldaten in vredestijd.”

„Die officieren zullen wel groote geleerden zijn!” zei Partridge.

„Neen; groote geleerden zijn het niet,” antwoordde de sergeant; „ik

geloof niet dat zij half zoo geleerd zijn als gij, mijnheer; en ’t is

waar, in weerwil van al hunne praatjes,—ofschoon er een van kapitein

was,—dacht ik bij mij zelven dat er wel een duivel zijn moest;—want,

zoo redeneerde ik, als er geen duivel is, hoe zal hij dan de

boosdoeners halen?—En dat heb ik toch in een boek gelezen.”

„Denkelijk,” zei de waard, „zullen sommige uwer officieren tot hun

nadeel ondervinden dat er wel een duivel bestaat! Hij zal, zonder

twijfel, eenige oude schulden, die ze aan mij hebben, met hen

verrekenen. Daar was er een hier een half jaar in kwartier, die, op

mijn woord, een mijner beste slaapkamers innam, hoewel hij naauwelijks

een schelling daags in huis verteerde, en zijne manschappen kool liet

stoven bij het keukenvuur, omdat ik ’s zondags voor hem geen eten koken

wilde. Alle goede christenen moeten wenschen dat er een duivel bestaat

om zulke ellendelingen te straffen!”

„Hoor eens, baas,” zei de sergeant, „respekt voor het leger! Dat eisch

ik!”

„De drommel zal het leger halen!” riep de waard; „dat heeft me al geld

genoeg gekost!”

„Mijne heeren,” zei de sergeant, „ik neem u tot getuigen; hij vloekt

den koning en dat is hoogverraad!”

„Ik den koning vloeken! Gij schelm!” riep de waard.

„Ja, dat hebt ge gedaan!” hernam de sergeant; „ge hebt het leger

verwenscht,—en dat is juist hetzelfde; want iedereen die het leger

verwenscht, zou den koning ook verwenschen, als hij durfde;—dus komt

het precies op hetzelfde neder!”

„Met uw verlof, mijnheer de sergeant,” riep Partridge, „daar zeg ik

neen. Non sequitur!”

„Schei maar uit met die vreemde wartaal,” hernam de sergeant van zijn

stoel opspringende; „ik zal niet stil zitten en het leger hooren

verwenschen!”

„Ge vergist u, vriend,” antwoordde Partridge; „ik wilde volstrekt niet

op het leger schelden! Ik zeide slechts dat uwe gevolgtrekking een non

sequitur was.”

„En gij zijt er ook een, als ge ’t hebben wilt!” riep de sergeant.

„Zelf sequitur! Ge zijt een pak schelmen bij elkaar, en ik zal dat

bewijzen door het tegen den besten onder u op te nemen om twintig

pond!”

Deze uitdaging deed den armen Partridge verder zwijgen, daar zijn lust

tot vechten, na hetgeen hij er pas van genoten had, nog niet

teruggekeerd was; maar de voerman, die niet blond en blaauw geslagen,

en strijdlustiger was, kon minder goed de beleediging verkroppen, van

welke hij begreep dat een gedeelte ten minste hem toekwam. Hij sprong

dus ook van den stoel op, trad op den sergeant toe, verklaarde dat hij

zich bestand achtte tegen iedereen bij het geheele leger, en bood aan

om een guinje met hem te vechten. De krijgsman nam den strijd aan, maar

sloeg de weddingschap af, waarop beiden onmiddellijk de rokken

uittrokken en aan het kloppen gingen, tot dat de paardenmenner door den

menschenmenner zoo onbarmhartig afgerost werd dat hij naauwelijks adem

genoeg overhield om genade te vragen.

De jonge dame verlangde nu weder te vertrekken, en had bevolen de koets

weder vóór te brengen; maar te vergeefs, want de voerman was buiten

staat om dien avond iets meer te verrigten. Een heiden uit den ouden

tijd zou welligt dit onvermogen evenzeer aan den god des wijns als aan

den god des oorlogs toegeschreven hebben; want werkelijk, hadden beide

strijders evenveel aan de eene als aan de andere godheid geofferd. Met

een woord, zij waren beide stom dronken en Partridge was er niet veel

beter aan toe. Wat den waard betreft, het drinken was zijn beroep, en

de drank had geene andere uitwerking op hem dan op eenig ander vat in

huis.

De waardin, die geroepen was om den heer Jones en zijne gezellin bij de

thee te bedienen, gaf eene uitvoerige beschrijving van den afloop van

het tooneel in de keuken, en drukte tegelijk veel leedwezen uit over de

jonge dame, „die,” gelijk zij zeide, „zeer ongerust was, omdat zij nu

belet werd hare reis voort te zetten. Het is een beeld van een meisje,”

voegde zij er bij, „en ik weet zeker dat ik haar vroeger ergens gezien

heb. Ik verbeeld me dat zij verliefd is en van hare vrienden wegloopt.

Wie weet of niet de eene of, andere jonge heer, met een hart even

bezwaard als het hare op haar zit te wachten!”

Jones slaakte een zwaren zucht bij deze woorden, die wel door mevrouw

Waters opgemerkt werd, hoewel zij er geene notitie van nam tot de

waardin de kamer weer verlaten had, toen zij niet nalaten kon om onzen

held eenige wenken te geven omtrent hare stellige vermoedens dat zij

eene gevaarlijke mededingster had in zijne liefde.

De groote verlegenheid van den heer Jones bij deze beschuldiging

overtuigde haar dat zij gelijk had, zonder dat hij haar regtstreeks

antwoordde op hare vragen; maar zij was niet zoo kiesch in hare liefde,

dat zij zich deze ontdekking zeer aantrok. De schoonheid van Jones

bekoorde haar oog; maar, daar zij hem niet in het hart kon zien,

bekommerde zij zich daar weinig om. Zij kon aan de tafel der liefde

gaan zitten en lekker smullen, zonder te bedenken dat iemand anders

reeds hare plaats ingenomen had, of dat welligt in de toekomst zou

doen. Dit is een gevoel dat aan het stoffelijke wint wat het aan het

verhevene mist; en dat minder grillig en welligt ook minder zelfzuchtig

is dan de wenschen van die vrouwen, welke heel kalm het bezit van een

minnaar kunnen missen,—mits zij overtuigd zijn, dat hij ook door geene

andere bezeten wordt.

Tom Jones · 第 163 / 340 题