HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE BREEDVOERIGE OPHELDERINGEN OMTRENT MEVROUW WATERS EN DE

WIJZE WAAROP ZIJ IN DIEN TREURIGEN TOESTAND GERAAKTE, WAARUIT ZIJ DOOR

JONES GERED WERD.

Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid

nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat

er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel

kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene

overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die

eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.

Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij

de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen

zal, koesterde om te weten hoe mevrouw Waters in dien vreemden toestand

gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de

dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig

zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te

meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige

omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de

geheele waarheid openbaren moest.

Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even

gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn

allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om

achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek

eindigen zullen.

Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein

Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door

voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch,

zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent

hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.

Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden

vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt.

Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het

blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan

toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle

gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te

verleenen.

Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde,

was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton

vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag

volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en

Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.

Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat

zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van

elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te

blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.

De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om de waarheid te

zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te

Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen

met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is

om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld

aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste

gedeelte der schepping.

Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de

gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te

zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts

weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij

aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden

bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde;

want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de

eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor

eene regtbank niet vrij te pleiten waren.

Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder

zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der

liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de

mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar

minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne

veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit

punt, begonnen zij zamen onmiddellijk daarover te raadplegen.

Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land

zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen

naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land

ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen

vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een

zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie

banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld

en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles

deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig

vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar

te bestelen.

Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het

middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig

voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den

togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.

Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij

had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar

minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond

afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en

vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van

Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.

Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het

aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de

eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus

eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar

zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen

minnaar bij te blijven.

Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens

Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van

den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil

bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben,

zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde

dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te

volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk

tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.

Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte

ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas

bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het

niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou

worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme

vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en

afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo

gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.

Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort

van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband

wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep,

stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren

vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende

eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones

aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken

zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost

had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het

lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den

strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt

was.

Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer

pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u

ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men

naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou

kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast

overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven

verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te

vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van

den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden,

welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.

En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van

dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en

eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen

behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel,

zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door

opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder

fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een

blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen

treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.

Tom Jones · 第 164 / 340 题