BEVATTENDE BREEDVOERIGE OPHELDERINGEN OMTRENT MEVROUW WATERS EN DE
WIJZE WAAROP ZIJ IN DIEN TREURIGEN TOESTAND GERAAKTE, WAARUIT ZIJ DOOR
JONES GERED WERD.
Hoewel de natuur volstrekt niet eene even groote hoeveelheid
nieuwsgierigheid of ijdelheid aan iederen mensch gegeven heeft, bestaat
er toch welligt niemand, die niet zooveel van beide bezit, dat het veel
kunst en moeite vereischt om ze te onderdrukken en te overwinnen. Eene
overwinning echter die bepaald noodzakelijk is voor iedereen, die
eenige aanspraak maakt op den naam van wijs of goed.
Daar Jones echter met regt een welopgevoed jongman mogt heeten, had hij
de nieuwsgierigheid onderdrukt, welke hij, naar men veronderstellen
zal, koesterde om te weten hoe mevrouw Waters in dien vreemden toestand
gekomen was waarin hij haar gevonden had. Hij had wèl in het begin de
dame eenige wenken gegeven; maar zoodra hij ontwaarde hoe zorgvuldig
zij elke verklaring vermeed, berustte hij in zijne ontwetendheid, te
meer, daar hij niet nalaten kon te veronderstellen dat er eenige
omstandigheden waren die haar hadden moeten doen blozen als zij hem de
geheele waarheid openbaren moest.
Daar het evenwel mogelijk is dat sommige onzer lezers niet even
gemakkelijk in hunne onwetendheid berusten, en wij zeer verlangend zijn
allen te voldoen, hebben wij ons ook buitengewone moeite getroost, om
achter de waarheid te komen, met welker vermelding wij dit boek
eindigen zullen.
Deze dame dan had verscheidene jaren geleefd met zekeren kapitein
Waters, van hetzelfde regiment als de heer Northerton. Zij ging door
voor de echtgenoote van dien heer, en voerde zijn naam ook, en toch,
zoo als de sergeant gezegd had, koesterde men eenigen twijfel omtrent
hun huwelijk,—welken wij nu niet op ons zullen nemen op te lossen.
Het spijt mij te moeten zeggen dat mevrouw Waters met bovengemelden
vaandrig omging op eene wijze, welke haar goeden naam in gevaar bragt.
Zeker is het, dat zij bijzonder verzot was op dien jongen; maar het
blijkt niet ten duidelijkste dat zij op eene misdadige wijze daaraan
toegaf, tenzij wij veronderstellen mogen dat de vrouwen nooit alle
gunsten, op ééne na, aan een man schenken,—zonder hem ook die gunst te
verleenen.
Het detachement van het regiment waartoe de kapitein Waters behoorde,
was twee dagen de compagnie vooruit, waarbij de heer Northerton
vaandrig was, zoodat eerstgenoemde Worcester bereikt had den dag
volgende op de laatste ongelukkige ontmoeting tusschen Jones en
Northerton, welke wij reeds beschreven hebben.
Mevrouw Waters en de kapitein hadden echter met elkaar afgesproken, dat
zij hem op marsch tot Worcester zou vergezellen, waar zij afscheid van
elkaar zouden nemen, en zij naar Bath zou terugkeeren, om daar te
blijven tot den afloop van den winterveldtogt tegen de opstandelingen.
De heer Northerton was met deze afspraak bekend. Om de waarheid te
zeggen, de dame had hem juist daarheen bescheiden, met belofte om te
Worcester te blijven tot zijn detachement aankwam; de lezer zal gissen
met welk doel de afspraak gemaakt werd; want hoewel het onze pligt is
om feiten te vermelden, zijn we niet genoodzaakt om onze natuur geweld
aan te doen, door aanmerkingen te maken ten nadeele van het schoonste
gedeelte der schepping.
Northerton dan, zoo als wij gezien hebben, was naauwelijks uit de
gevangenschap verlost, of hij spoedde zich om mevrouw Waters op te
zoeken, wat hem gelukte, daar hij een zeer vlugge jongen was, slechts
weinige uren nadat de kapitein Waters haar verlaten had. Zoodra hij
aankwam, schroomde hij niet haar met zijne ongelukkige omstandigheden
bekend te maken, die hij, inderdaad, als zeer ongelukkig voorstelde;
want hij zuiverde zich van allen schijn van schuld, ten minste waar de
eer beslissen moest, hoewel er eenige bijzonderheden bleven, die voor
eene regtbank niet vrij te pleiten waren.
Ter eere der vrouwen zij gezegd, dat zij, over het algemeen, vatbaarder
zijn voor dien hevigen en schijnbaar onbaatzuchtigen hartstogt der
liefde, die alleen het voordeel beoogt van zijn voorwerp, dan de
mannen. Zoodra dus mevrouw Waters het gevaar vernam waaraan haar
minnaar blootgesteld was, vergat zij alles behalve de zorg voor zijne
veiligheid, en daar die heer het volmaakt eens was met haar omtrent dit
punt, begonnen zij zamen onmiddellijk daarover te raadplegen.
Na lang overleg, besloten zij eindelijk dat de vaandrig dwars over land
zou gaan naar Hereford, van waar hij zich ligt zou kunnen doen brengen
naar eene der havens van Wallis en op die wijze naar het vaste land
ontsnappen. En op dezen togt verklaarde mevrouw Waters hem te willen
vergezellen;—vooral daar zij in staat was hem met geld te voorzien (een
zeer gewigtig iets voor mijnheer Northerton) want zij had op zak drie
banknoten ten bedrage van negentig pond sterling, behalve wat los geld
en een diamanten ring van eenige waarde aan den vinger. Dit alles
deelde zij den snoodaard met het meeste vertrouwen mede, weinig
vermoedende dat zij zoodoende hem met de gedachte zou bezielen om haar
te bestelen.
Daar zij nu door postpaarden te nemen te Worcester hunne vervolgers het
middel zouden verschaft hebben om hen na te sporen, stelde de vaandrig
voor, en de dame was dadelijk gereed, om het eerste gedeelte van den
togt te voet te doen;—waarbij de harde vorst zeer te pas kwam.
Het grootste gedeelte van de bagage der dame was reeds te Bath en zij
had niets bij zich voor het oogenblik dan wat linnengoed, dat haar
minnaar op zich nam voor haar te dragen. Dit alles den vorigen avond
afgesproken zijnde, stonden zij den volgenden morgen vroeg op en
vertrokken om vijf uur, twee uren vóór het aanbreken van den dag, van
Worcester, terwijl de volle maan hun voldoend licht verschafte.
Mevrouw Waters behoorde niet tot dat zwakke ras van vrouwen, die het
aan de uitvinding van rijtuigen te danken hebben, dat zij zich van de
eene plaats naar de andere begeven kunnen, en voor wie eene koets dus
eene levensbehoefte is. Naar ligchaam was zij krachtig en vlug, en daar
zij ook vol moed was, was zij volmaakt in staat om haren haastigen
minnaar bij te blijven.
Na eenige mijlen langs den straatweg gegaan te zijn, welke, volgens
Northerton, naar Hereford leidde, bereikten zij, bij het krieken van
den dag, den rand van een uitgestrekt bosch, waar hij op eens stil
bleef staan, en na zich een oogenblik schijnbaar bedacht te hebben,
zijne vrees uitdrukte om verder den grooten weg te volgen. Hij haalde
dus, zonder bezwaar, zijne schoone geleidster over met hem een pad te
volgen, dat midden door het bosch scheen te loopen, dat hen eindelijk
tot den voet van den Mazard Heuvel bragt.
Ik kan niet beslissen of het verfoeijelijke plan dat hij nu trachtte
ten uitvoer te brengen, eerst rijpelijk overlegd was, of dat het nu pas
bij hem opkwam. Maar toen zij deze eenzame plek bereikten, waar het
niet waarschijnlijk scheen, dat hij door iemand daarin verhinderd zou
worden, trok hij plotseling den kousenband van zijn been, en de arme
vrouw met geweld overvallende, beproefde hij die verschrikkelijke en
afschuwelijke daad te begaan, reeds door ons vermeld, en die zoo
gelukkig verijdeld werd door de verschijning van Jones.
Tot het geluk van mevrouw Waters behoorde zij niet tot de zwakste soort
van vrouwen; want zoodra zij zag dat hij een strik van zijn kousenband
wilde maken, en uit zijne woorden zijne duivelsche voornemens begreep,
stelde zij zich dapper te weer, en worstelde zoo krachtig met haren
vijand, tegelijk zoo hard zij kon om hulp roepende, dat zij gedurende
eenige minuten den schurk belette zijn doel te bereiken, toen Jones
aankwam op het oogenblik dat de krachten haar begaven, en zij bezweken
zou zijn, als Jones haar niet uit de handen van den moordenaar verlost
had, met geen ander verlies dan dat harer kleêren, die haar van het
lijf gescheurd waren, en van den diamanten ring, welke onder den
strijd, òf van haar vinger gegleden was, of door Northerton afgerukt
was.
Thans hebben wij u, lezer, den uitslag medegedeeld van een zeer
pijnlijk onderzoek, dat wij om uwentwil ingesteld hadden. Wij hebben u
ook een tooneel van dwaasheid en slechtheid laten zien, waaraan men
naauwelijks gelooven zou dat de menschelijke natuur zich schuldig zou
kunnen maken,—als men niet bedenkt dat de bedrijver er van vast
overtuigd was dat hij alreeds één moord begaan en zijn eigen leven
verbeurd had. Daar hij zich dus verbeeldde dat hij alleen door te
vlugten veilig kon zijn, dacht hij dat het bezit van het geld en van
den ring van de arme vrouw, hem den meerderen last zou vergoeden,
welken hij nu op zijn geweten wilde leggen.
En hier, lezer, moeten wij u waarschuwen, om uit het wangedrag van
dezen ellendeling geene gevolgtrekking te maken omtrent dat waardige en
eervolle korps, waartoe de officieren van ons leger over het algemeen
behooren. Gij zult de goedheid hebben van te onthouden, dat deze kerel,
zoo als wij u reeds verteld hebben, noch door geboorte, noch door
opvoeding, fatsoenlijk man was, en geen geschikt mensch om onder
fatsoenlijke lieden opgenomen te worden. Zoo dus zijne slechtheid een
blaam werpt op iemand anders dan op hem zelven, kan die alleen diegenen
treffen, welke hem zijne aanstelling verschaften.