HOOFDSTUK V.

EENE VERONTSCHULDIGING VOOR ALLE HELDEN DIE EENE GOEDE MAAG HEBBEN, EN

DE BESCHRIJVING VAN EEN STRIJD VAN VERLIEFDEN AARD.

De helden, niettegenstaande het verheven denkbeeld dat zij zelve, of de

wereld, van hen koesteren moge door middel van hunne vleijers, hebben

zeker veel meer sterfelijks dan onsterfelijks over zich. Hoe verheven

hun geest ook zij, is hun ligchaam (wat het voornaamste is bij de

meesten van hen), aan de treurigste zwakheden onderhevig, even als aan

de laagste behoeften der menschelijke natuur. Onder deze laatsten

behoort de verrigting van het eten, dat door vele wijze mannen als zeer

laag en vernederend voor de waardigheid van den wijsgeer beschouwd

wordt, en toch eenigzins in acht moet genomen worden zelfs door den

grootsten vorst, held, of wijsgeer ter wereld;—ja, de natuur is soms

zelfs zoo grillig geweest, dat zij van deze verhevene menschen veel

meer ten dezen opzigte gevorderd heeft dan van anderen van den laagsten

stand.

Om de waarheid te zeggen, daar er geen bekende bewoner van deze aarde

bestaat, die boven den mensch verheven is, zoo behoeft zich ook niemand

te schamen, als hij zich onderwerpt aan hetgeen de behoeften van den

mensch van hem eischen; maar, als voormelde verhevene wezens zich

verwaardigen dergelijke dingen tot zich zelven te willen beperken;—bij

voorbeeld, als zij door geld opleggen, of vernieling, begeerig schijnen

om anderen het eten te beletten, dan worden zij zeker ook gemeen en

verachtelijk.

Na deze korte inleiding, achten wij het volstrekt niet onzen held tot

schande te vermelden, met welk buitengewonen ijver hij op dit oogenblik

toetastte. Werkelijk, valt het te betwijfelen of Ulysses, die ter loops

gezegd, de beste maag van alle helden van dat eet-gedicht, de Odyssee,

schijnt gehad te hebben, ooit een beter maaltijd deed;—want ten minste

drie pond van het vleesch, dat vroeger tot het ligchaam van een os

behoord had, wedervoer nu de eer van opgenomen te worden in het

ligchaam van den heer Jones.

Wij achten ons verpligt deze bijzonderheid te vermelden, welke onzen

held verontschuldigt als hij tijdelijk zijne schoone dame

verwaarloosde, die slechts zeer weinig at, en die werkelijk met

beschouwingen van geheel anderen aard zich bezig hield, wat door Jones

onopgemerkt bleef, tot hij in alle opzigten aan den eetlust voldaan

had, welken vier-en-twintig uren vastens hem bezorgd had: maar

naauwelijks was zijn middagmaal afgeloopen, of hij begon op andere

zaken te letten, waarmede wij thans den lezer bekend zullen maken.

De heer Jones, van wiens uiterlijke gaven wij tot dus ver slechts

weinig gezegd hebben, was werkelijk een der schoonste mannen ter

wereld. Zijn gelaat, buiten en behalve dat het een beeld der gezondheid

opleverde, droeg den duidelijksten stempel van zachtheid en van een

goed humeur. Deze hoedanigheden waren, inderdaad, zoo kenmerkend, dat

terwijl het geestige en het gevoelige in zijne blikken (hoewel een

scherpe waarnemer het had moeten ontdekken) onopgemerkt had kunnen

blijven bij iemand, die minder naauwkeurig toezag, zijne goedaardigheid

zoo sterk uitgedrukt was op zijn gezigt, dat ze bijna iedereen, die hem

zag in het oog viel.

Het was misschien evenzeer hieraan toe te schrijven als aan eene zeer

doorschijnende huid, dat zijne gelaatstrekken iets bijna

onbeschrijfelijk fijns hadden, dat hem welligt eenigzins verwijfd had

doen schijnen, zoo dit alles niet vereenigd ware geweest met de meest

manhaftige gestalte en houding, die hem het voorkomen gaven van een

Herkules, even als zijn gelaat dat van een Adonis. Bovendien was hij

vlug, fatsoenlijk, opgeruimd en zoo levenslustig, dat hij elk

gezelschap waarin hij zich bevond, opvrolijkte.

Als de lezer behoorlijk nagedacht heeft over al de bekoorlijkheden,

welke in onzen held vereenigd waren, en hij tevens bedenkt welke groote

verpligtingen hij mevrouw Waters pas opgelegd had, zal hij meer

preutsch dan opregt zijn, als hij een slecht denkbeeld van haar

koestert, omdat zij eene zeer gunstige meening van Jones opvatte.

Maar, hoe men haar ook berispe,—het blijft mijn pligt de feiten zoo te

verhalen als ze gebeurden. Mevrouw Waters dan koesterde niet slechts

eene zeer gunstige meening omtrent onzen held,—maar gevoelde zich sterk

door hem aangetrokken. Ronduit gezegd: zij was op hem verliefd, in de

thans algemeen aangenomene beteekenis van dat woord, volgens welke men

liefde toedraagt aan al de begeerlijke voorwerpen van onze driften,

lusten en hartstogten,—of, eene zekere voorkeur toont voor het eene

voedsel boven het andere.

Maar, hoewel de liefde tot deze verschillende voorwerpen welligt in

alle gevallen van dezelfde soort is, moet men bekennen dat hare

uitwerkselen verschillend zijn; want hoezeer we ook verliefd mogen zijn

op eene heerlijke ossenrib, of eene flesch Bourgogne, op eene

bloeijende roos, of eene Cremonasche viool, geven wij ons toch niet de

moeite om daartegen te glimlagchen, of teedere blikken daarop te

werpen, of om ons opteschikken, of te vleijen, of eenige andere kunsten

of listen te gebruiken, om de liefde te winnen van genoemde ossenrib,

enz. Wij mogen welligt soms zuchten; maar dat is gewoonlijk in de

afwezigheid en niet in het bijzijn van het beminde voorwerp. Want

anders zouden wij misschien klagen over zijne ondankbaarheid en

ongevoeligheid, met even veel reden als Pasiphae over haren stier

klaagde, dien zij trachtte te lokken door al de coquetterie, welke met

zulk een goed gevolg gebruikt wordt in de receptiezaal, om de

meergevoelige en teedere harten van de groote heeren daar aanwezig te

treffen. Het tegendeel is het geval met die liefde welke heerscht

tusschen personen van hetzelfde ras maar van verschillend geslacht. Als

wij eens op die wijze verliefd zijn, wordt het ons hoofddoel om de

genegenheid van het beminde voorwerp te boeijen. Want, waartoe anders

leert onze jeugd al de kunsten om zich aangenaam te maken? Als het niet

was met een oog op deze liefde, dan twijfel ik of één van die

handwerken, die dienen moeten om het menschelijke ligchaam op te

sieren, ooit eene kostwinning zoude opleveren. Ja, zelfs de groote

beschavers onzer manieren, die, volgens de meening van velen, ons dat

leeren, wat ons hoofdzakelijk van de dieren onderscheidt, namelijk de

dansmeesters, zouden hunne plaats in de maatschappij missen. Met één

woord, al de aanvalligheden welke jonge heeren en dames van anderen

leeren, en de vele bekoorlijkheden welke zij zich zelven geven, met

behulp van den spiegel, zijn inderdaad die spicula et faces amoris zoo

dikwerf door Ovidius vermeld;—of zoo als men anders soms zegt, ze

behooren tot het arsenaal der liefde.

Mevrouw Waters en onze held hadden echter naauwelijks plaats genomen

naast elkaar, toen de dame hare artillerie begon te gebruiken tegen

hem. Maar hier, daar wij op het punt staan van eene tot dusver, zoo min

in prosa als in poëzy, ooit beproefde beschrijving te doen, achten wij

het noodig de hulp in te roepen van zekere hemelsche wezens, die,

zonder twijfel, bij deze gelegenheid ons niet in den steek zullen

laten.

Vermeldt dan, gij Gratiën, die uw hemelsch verblijf houdt op

Seraphina’s gelaat; want gij zijt waarlijk goddelijk, zijt steeds in

haar bijzijn, en kent best de kunst om te betooveren; vermeldt dan

welke wapens gebruikt werden om het hart van den heer Jones te treffen.

Eerst, uit twee prachtige blaauwe oogen, welke als de bliksem

schitterden, schoten twee verliefde schichten. Maar tot het geluk van

onzen held troffen ze slechts een groot stuk ossenvleesch, dat hij

bezig was met op zijn bord te leggen, en hunne kracht werd aldus

verspild. De schoone Amazone ontwaarde dat zij mis geschoten had en

slaakte dadelijk uit de blanke borst een diepen zucht. Een zucht,

welken niemand zonder aandoening had kunnen hooren en die krachtig

genoeg was om een dozijn minnaren te vellen; zoo zacht, zoo zoet, zoo

teeder, dat de doordringende lucht zich een weg had moeten banen naar

het hart van onzen held, als ze niet uit zijne ooren geweerd ware

geweest door het harde geklots van wat schuimend bier, dat hij bezig

was met zich in te schenken. Vele andere wapenen beproefde zij; maar de

God des etens (als die bestaat;—wat ik niet vast beweren wil), redde

zijn volgeling; of misschien was het niet dignus vindice nodus, en de

veiligheid van Jones zou welligt op de meest natuurlijke wijze kunnen

verklaard worden; want even als de liefde ons dikwerf voor den honger

bewaart, kan het ook wezen, in sommige gevallen, dat de honger ons van

de liefde redt.

De schoone, woedend over hare vele teleurstellingen, besloot om den

strijd een oogenblik te staken, en gebruikte den tusschentijd om alle

mogelijke verliefde wapenen gereed te maken, ten einde den aanval te

hernieuwen, zoodra het eten gedaan was.

Zoodra dus de tafel afgenomen was, begon zij weder den aanval. Eerst,

het regteroog op den heer Jones gerigt hebbende, schoot zij uit den

hoek er van een zeer doordringenden blik af, die, hoewel er veel van de

kracht verloren ging onderweg, niet geheel zonder uitwerking bleef op

onzen held. De schoone, zoodra zij dit zag, wendde de oogen af en sloeg

ze neder, alsof zij leed gevoelde over hetgeen zij gedaan had,—hoewel

zij hierdoor hem alleen overrompelen wilde en hem de oogen doen openen,

door welke zij voornemens was tot in zijn hart te dringen. Dus zachtjes

weder die schitterende oogen opslaande, die reeds eenigen indruk op den

armen Jones gemaakt hadden, gaf zij hem plotseling de volle laag van al

hare kleine bekoorlijkheden, in één streelenden glimlach. Het was geen

glimlach van vrolijkheid of vreugde; maar een glimlach der liefde,

welken de dames steeds tot hare beschikking hebben, en die tevens

strekt om haar goed humeur, de lieve kuiltjes harer wangen en hare

witte tandjes te doen zien.

Deze glimlach trof onzen held vlak in de oogen, met zoo veel kracht dat

hij dadelijk begon te wankelen. Hij ving aan de plannen zijner vijandin

te begrijpen, en inderdaad het welslagen er van te ondervinden.

Onderhandelingen werden nu geopend tusschen de partijen, gedurende

welke de listige schoone den aanval zoo sluw en ongevoelig voortzette

dat zij het hart van onzen held bijna overrompeld had eer zij weder tot

openlijke vijandelijkheden overging. Om de waarheid te zeggen, vrees ik

dat de heer Jones zich slechts zeer flaauwhartig verdedigde en de

wapenen neerlegde, zonder behoorlijk te denken aan de trouw, welke hij

de schoone Sophia verschuldigd was. Met één woord zoodra, de verliefde

onderhandeling afgebroken was, en de dame de hoofdbatterij ontmaskerd

had, door achteloos het halsdoekje te laten afvallen, bezweek het hart

van den heer Jones en de schoone overwinnaresse plukte de gebruikelijke

vruchten van hare zege.

Hier vinden het de Gratiën gepast om verder te zwijgen, en wij achten

het gepast, om ook een einde aan het hoofdstuk te maken.

Tom Jones · 第 162 / 340 题