WAARIN DE AANKOMST VAN EEN KRIJGSMAN VOOR GOED EEN EINDE MAAKT AAN DE
VIJANDELIJKHEDEN EN EEN VASTEN EN DUURZAMEN VREDE TUSSCHEN ALLE
PARTIJEN DOET SLUITEN.
Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten
en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den
magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat
ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een
kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het
keukenvuur.
De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame
te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op
den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde
mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid
te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van
boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij
daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet
gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.
Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem
wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een
oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende,
zeide:
„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de
vrouw van den kapitein Waters?”
De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek
pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam
noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die
hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het
mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te
herkennen!”
Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest
mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat hij vreesde dat haar het een of
ander ongeluk overkomen was.”
„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb
het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik
nu nog leef om er van te kunnen spreken.”
„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de
kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn,
zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als
het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook
iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”
De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen
den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den
meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te
smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven
zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,”
riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo
gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had
kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever
de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop
ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare
eigene zaken komen.”
„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe
malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de
lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch
verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd
is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen!
Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”
Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin
vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,”
zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons
hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede
vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting
voor den goeden naam van haar huis.”
„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een
echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en
’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van
alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den
hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen
te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat
mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers
afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote
luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich
ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer
luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit
medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar
pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet
meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van
ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw
mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene
aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”
Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer
Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich
tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met
die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.
De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de
rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de
hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl
hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik
het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden
zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks
één slag ontvangen had.
Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen
had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de
waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen
hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige
sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde
hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te
verbeteren door dien te hernieuwen.
De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar
het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin
van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een
verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd
waren geweest, bezegelden nu den vrede.
Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe
strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover,
en zeide:
„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als
ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar
geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de
zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met
de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet
het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd,
dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een
Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”
Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle
verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat
hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst
waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij
geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is
echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden
berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.
Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den
geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol
van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf
de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en
de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit
en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn
voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid
uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die
drankoffers, die zoo dikwerf vermeld zijn door de ouden en hunne
hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee
punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen
in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad,
het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw,
door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige
der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan
zijne goede diensten bij de plegtigheid.
De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede
luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne
schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats
van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een
tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen
naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld
had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het
gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest
en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.