HOOFDSTUK IV.

WAARIN DE AANKOMST VAN EEN KRIJGSMAN VOOR GOED EEN EINDE MAAKT AAN DE

VIJANDELIJKHEDEN EN EEN VASTEN EN DUURZAMEN VREDE TUSSCHEN ALLE

PARTIJEN DOET SLUITEN.

Ongeveer te dezen tijd, kwam er een sergeant aan, met eenige soldaten

en een deserteur onder hunne hoede. De sergeant vroeg dadelijk naar den

magistraat van het stadje, en vernam van den waard, dat hij zelf dat

ambt bekleedde. Daarop eischte hij zijne inkwartieringsbiljetten en een

kan bier, en klagende over de koude, strekte hij zich uit vóór het

keukenvuur.

De heer Jones was op dit oogenblik bezig met de arme, ongelukkige dame

te troosten, die aan eene tafel zittende in de keuken, met het hoofd op

den arm liggende, luide over hare rampen jammerde;—maar, ten einde

mijne schoone lezeressen alle ongerustheid omtrent zekere omstandigheid

te benemen, is het noodig haar hier te doen weten dat eer de dame van

boven gekomen was, zij zich zoo goed gehuld had in een sloop, die zij

daar vond, dat het gevoel van welvoegelijkheid in het minst niet

gekwetst werd door het bijzijn van nog zoo vele mannen in de kamer.

Een der soldaten stond nu op, naderde den sergeant en fluisterde hem

wat in het oor, waarop deze het oog op de vrouw vestigde en haar een

oogenblik vast aangekeken hebbende, opstond en zich tot haar rigtende,

zeide:

„Vraag excuus, mevrouw, maar als ik me niet vergis, zijt gij zeker de

vrouw van den kapitein Waters?”

De arme vrouw, die in haren nood, op niemand bijzonder gelet had, keek

pas den sergeant aan, of zij herkende hem dadelijk, en hem bij den naam

noemende, deed zij hem weten, dat zij wezenlijk de ongelukkige was die

hij bedoelde, terwijl zij er bijvoegde: „Maar ik begrijp niet hoe het

mogelijk is voor iemand mij in dezen rampzaligen toestand te

herkennen!”

Waarop de sergeant hernam: „Dat hij ook zeer verwonderd was geweest

mevrouw zoo toegetakeld te zien, en dat hij vreesde dat haar het een of

ander ongeluk overkomen was.”

„Dat is ook het geval,” antwoordde zij, op Jones wijzende, „en ik heb

het dezen heer te danken dat het geen noodlottig toeval was,—en dat ik

nu nog leef om er van te kunnen spreken.”

„Wat ook mijnheer gedaan heeft,” zei de sergeant, „ik weet zeker dat de

kapitein hem dankbaar zal wezen, en als ik van eenige dienst kan zijn,

zal mevrouw wel over mij beschikken en ik zal me gelukkig achten, als

het in mijne magt staat u eenige hulp te verleenen,—en dat zou ook

iedereen; want de kapitein zal zeker iedereen daarvoor beloonen.”

De waardin, die op den trap staande, alles gehoord had wat er tusschen

den sergeant en mevrouw Waters voorgevallen was, kwam nu met den

meesten spoed naar beneden loopen, en begon haar om vergiffenis te

smeeken voor al hare beleedigingen, die zij hoopte dat toegeschreven

zouden worden aan onwetendheid omtrent haren stand; „Heere! mevrouw,”

riep zij, „hoe had ik kunnen gissen dat iemand van uw rang zich zoo

gekleed zou laten zien? Ik weet zeker, mevrouw, dat als ik maar had

kunnen veronderstellen dat mevrouw eene echte mevrouw was, ik me liever

de tong afgebeten zou hebben, dan te zeggen wat ik gezegd heb. Ik hoop

ook dat mevrouw nu een japon van mij zal willen aantrekken,—tot hare

eigene zaken komen.”

„Wat ik u bidden mag, vrouw,” hernam mevrouw Waters, „houd op met uwe

malle praatjes;—hoe kunt ge denken dat ik iets geef om al wat over de

lippen komt van zulke verachtelijke wezens als gij! Maar ik sta toch

verstomd over uwe onbeschaamdheid, als ge denkt,—na al hetgeen gebeurd

is,—dat ik me verwaardigen zou iets van uwe vuile lompen aan te doen!

Neen, schepsel, daartoe ben ik te trotsch!”

Hier kwam Jones tusschenbeide en smeekte mevrouw Waters de waardin

vergiffenis te schenken en gebruik van hare kleeren te maken; „want,”

zeide hij, „ik moet bekennen dat wij eenigzins den schijn tegen ons

hadden bij onze aankomst, en ik ben overtuigd dat al wat deze goede

vrouw deed, alleen geschiedde, zoo als zij zelve verklaart, uit achting

voor den goeden naam van haar huis.”

„Ja, dat is ook waarlijk zoo,” zeide zij; „mijnheer spreekt als een

echte mijnheer, zoo als hij er werkelijk een is, gelijk ik zien kan, en

’t is waar, dit huis staat bekend als den besten naam te hebben van

alle huizen langs den weg, en het wordt bezocht door lieden van den

hoogsten stand, Ierschen en Engelschen. Daar zet ik iemand iets tegen

te zeggen! En, gelijk ik u verzekerd heb, als ik geweten had dat

mevrouw eene fatsoenlijke dame was, had ik me liever de vingers

afgebrand, dan haar te beleedigen, maar waarlijk, hier, waar de groote

luî komen en hun geld verteren, zou ik niet gaarne hebben, dat zij zich

ergerden over een troep kaal volk, dat waar het ook heen gaat, meer

luizen dan geld achter laat;—met zulke menschen heb ik nooit

medelijden; want dat zou zeer dwaas zijn, en als onze overheden haar

pligt deden, zouden zij ze allen het land uitjagen;—want dat is niet

meer dan wat haar toekomt. Maar wat mevrouw betreft, het spijt me van

ganscher harte, dat mevrouw een ongeluk overkomen is, en als mevrouw

mij de eer wil aandoen om mijne kleederen te dragen, tot hare eigene

aankomen, staat het beste dat ik heb, volkomen tot mevrouws dienst.”

Hetzij nu dat koude, schaamte, of de overtuigingskracht van den heer

Jones bij mevrouw Waters werkte,—dat laat ik daar,—maar zij stelde zich

tevreden met deze redevoering van de waardin en verwijderde zich met

die goede vrouw, ten einde zich op eene passende wijze te kleeden.

De waard begon ook nu eene aanspraak tot Jones, maar werd spoedig in de

rede gevallen door dien edelmoedigen jongeling, die hem hartelijk de

hand drukte en hem van zijne volkomene vergiffenis verzekerde, terwijl

hij er bijvoegde: „Ik verzeker u, vriend, dat als gij voldaan zijt, ik

het ook ben;” en wezenlijk, in zeker opzigt, mogt de waard wel tevreden

zijn; want hij had een geducht pak gekregen, terwijl Jones naauwelijks

één slag ontvangen had.

Partridge, die inmiddels zijn bloedenden neus aan de pomp afgewasschen

had, keerde in de keuken terug op het oogenblik dat zijn heer en de

waard elkaar de hand gaven. Daar hij vreedzaam van aard was, bevielen

hem deze blijken van verzoening, en hoewel zijn gelaat nog eenige

sporen droeg van Suze’s vuistslagen, en nog meer van hare nagels, wilde

hij liever in zijn lot berusten in den strijd dan trachten het te

verbeteren door dien te hernieuwen.

De heldhaftige Suze was ook tevreden met hare overwinning, hoewel haar

het ééne oog blond en blaauwgeslagen was, wat Partridge in het begin

van het gevecht gedaan had. Tusschen deze beide werd er dan ook een

verbond gesloten en de handen, welke pas de werktuigen van den strijd

waren geweest, bezegelden nu den vrede.

Toen de rust aldus volmaakt hersteld was, betuigde de sergeant, hoe

strijdig dit ook schijne met zijn beroep, zijne tevredenheid daarover,

en zeide:

„Zie zoo! Dat noem ik vriendschappelijk! Ik kan het niet verdragen als

ik zie dat menschen elkaar haat toedragen als zij eens met elkaar

geklopt hebben. Als vrienden ruzie krijgen, blijft er niets over dan de

zaak eerlijk en vriendschappelijk uit te maken, zoo als men zegt,—met

de vuist, de pistool, of den degen,—ieder naar zijn zin;—en dan moet

het uit zijn;—want, verdraaid! als ik ooit meer van een vriend houd,

dan wanneer ik met hem aan het kloppen ben! Het lijkt eerder op een

Franschman dan op een Engelschman, om wrok te koesteren!”

Hij stelde toen een drankoffer voor, als een noodzakelijk iets bij alle

verbonden van dezen aard. Misschien zal de lezer hieruit opmaken dat

hij zeer ervaren was in de oude geschiedenis; maar hoewel dit hoogst

waarschijnlijk is, durf ik het met geene zekerheid beweren, daar hij

geene autoriteiten aanhaalde om zijn eisch te ondersteunen. Het is

echter ook zeer waarschijnlijk, dat zijn gevoelen op goede gronden

berustte, want hij bevestigde het met eene heele reeks van vloeken.

Zoodra Jones het voorstel vernam, stemde hij volmaakt in met den

geleerden sergeant, en bestelde eene kom, of liever eene groote kan vol

van het vocht dat bij die gelegenheid gebruikt wordt:—waarop hij zelf

de plegtigheid begon. Hij legde de regterhand in die van den waard, en

de kan met de linker grijpende, sprak hij de gebruikelijke woorden uit

en bragt toen zijn drankoffer. Hierop volgden alle aanwezigen zijn

voorbeeld. Inderdaad, het is niet noodig om de geheele plegtigheid

uitvoerig te beschrijven, daar ze weinig verschilde van die

drankoffers, die zoo dikwerf vermeld zijn door de ouden en hunne

hedendaagsche naschrijvers. Het voornaamste verschil bestond in twee

punten: ten eerste, goot het aanwezige gezelschap zich het vocht alleen

in de keel, en ten tweede dronk, de sergeant, die als priester optrad,

het laatste; maar, naar ik meen, bleef hij het oude gebruik getrouw,

door zelf het meeste van allen te drinken, terwijl hij ook de eenige

der aanwezigen was, die niets anders tot de onkosten bijdroeg, dan

zijne goede diensten bij de plegtigheid.

De goede menschen gingen nu rondom het keukenvuur zitten, waar de goede

luim onbeperkt scheen te heerschen en Partridge niet alleen zijne

schandelijke nederlaag vergat, maar deed alsof hij dorst had in plaats

van honger, en weldra buitengewoon grappig werd. Wij moeten echter een

tijdlang dit aangenaam gezelschap verlaten en den heer Jones volgen

naar de kamer van mevrouw Waters, waar het middagmaal, dat hij besteld

had, op tafel gezet werd. Inderdaad, het vorderde niet veel tijd om het

gereed te maken, daar het al drie dagen van te voren klaar was geweest

en er niets aan te doen viel, dan het op te warmen.

Tom Jones · 第 161 / 340 题