DE AANKOMST VAN DEN HEER JONES MET DE DAME IN HET LOGEMENT; MET EENE
ZEER UITVOERIGE BESCHRIJVING VAN DEN SLAG VAN UPTON.
Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze
dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was,
moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te
bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt
begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te
laten.
Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden,
gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die
straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene
kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen
werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster
heen? Blijf hier, zeg ik!”
Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de
dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede
man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te
komen.
Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar
beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken
dadelijk naar boven te zenden.
Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een
zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en
Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg
naar Bath. De waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar
dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en
besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en
een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.
Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de
kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De
goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames,
waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de
allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is
in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die
in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de
waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in
lompen gehuld waren, wel van haar eischen.
Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te
verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin,
zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke
landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk
gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige
andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die
landen beleden wordt.
De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van
bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen,
zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel
te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig,
waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van
de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem
opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar
aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der
halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.
Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor
die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone
liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd
is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste
kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het
beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne
woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den
ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift
te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel
waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad,
wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand,
en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.
De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets
van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek
uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch
lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te
dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw
aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de
monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar
dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan
bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige
vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.
Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort
van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met
bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om
eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest
lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij
smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit
van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en
trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te
hebben.
Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of
ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders.
Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof
dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was
gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man
aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval
hem te zwijgen, op zeer strenge straf,—niets minder namelijk, naar ik
meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.
De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden,
antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat
ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de
dame die boven was, met een rist van scheldwoorden te overladen, van
welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een
fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen
zijne schouders.
Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den
slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met
de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het
hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den
strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd
ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene
heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval,
namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis
binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en
die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij
verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den
opgeheven arm der waardin te vatten.
De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was
geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s
greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den
toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den
armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep:
„Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”
Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil
zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden
met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de
waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd
van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen
twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half
naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den
strijd voorafgegaan was, plotseling naar beneden vloog, en zonder de
onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten,
dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl
die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer
woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne
versterking opgedaagd was.
De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld
hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken,
als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse
te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der
„pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde
Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen
hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle
opzigten voor den strijd geschikt.
Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer
gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te
ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo
plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen
zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene
vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de
wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door
de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten,
waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk
geneigd was.
Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich
dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk
gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier
daagde zij dadelijk Partridge tot het tweegevecht uit. Hij nam hare
uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.
De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten
begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden
vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank
afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van
Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare
meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar hing, toen een
vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist,
waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de
aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de
waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek
dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die
goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren
vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op
hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te
eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.
Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn
verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid
bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne
verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met
beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem
noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.
De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar
gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de
deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare
kamenier stegen.
De waardin bragt beide onmiddellijk naar de kamer, waar de heer Jones
eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis
was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met
de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende,
alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze
voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de
aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede
vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet
minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas
geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te
wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne
neusgaten had doen vloeijen.