HOOFDSTUK III.

DE AANKOMST VAN DEN HEER JONES MET DE DAME IN HET LOGEMENT; MET EENE

ZEER UITVOERIGE BESCHRIJVING VAN DEN SLAG VAN UPTON.

Hoewel de lezer, zonder twijfel, zeer verlangend is te weten wie deze

dame was en hoe zij in handen van den heer Northerton geraakt was,

moeten wij hem smeeken zijne nieuwsgierigheid een oogenblik te

bedwingen, daar wij, om zeer geldige redenen, welke hij later welligt

begrijpen zal, genoodzaakt zijn hem een tijdlang in onzekerheid te

laten.

Zoodra de heer Jones en zijne schoone gezellin de stad binnentraden,

gingen zij dadelijk naar de herberg welke het best er uitzag in die

straat. Hier beval Jones den knecht hem boven te brengen, naar eene

kamer—toen de ontredderde schoone, die hem op den voet volgde, gegrepen

werd door den waard, die uitriep: „Hola! Waar wil die bedelaarster

heen? Blijf hier, zeg ik!”

Maar op dit oogenblik bulderde Jones van boven aan de trap: „Laat de

dame naar boven komen!” met eene stem van zoo veel gezag, dat de goede

man haar dadelijk los liet, en de dame zich haastte om op de kamer te

komen.

Dáár wenschte Jones haar geluk met hare veilige aankomst, en ging naar

beneden, met de belofte om de waardin met eenige kleedingstukken

dadelijk naar boven te zenden.

Onze reizigers hadden toevallig hun intrek genomen in een huis dat een

zeer goeden naam had, waar Iersche dames van de strengste deugd en

Schotsche vrouwen van geen mindere gehalte haar intrek namen op weg

naar Bath. De waardin zou dus geen onbehoorlijke vrijheden onder haar

dak geduld hebben. Inderdaad, dergelijke dingen zijn zoo vuil en

besmettelijk, dat ze zelfs de plaats waar ze voorvallen bezoedelen, en

een huis, waar zoo iets gebeurt, spoedig een kwaden naam verschaffen.

Niet dat ik beweren wilde, dat het mogelijk zou zijn evenzeer op de

kuischheid te letten in een logement als in den tempel van Vesta. De

goede waardin hoopte ook niet op zulk een zegen, en geene der dames,

waarvan ik gesproken heb,—en inderdaad ook geene zelfs van de

allerstrengste deugd,—kon zoo iets verwachten of eischen. Maar het is

in de magt van iedereen, om alle gemeene wijven, en alle sletten, die

in lompen gehuld zijn, het huis uit te jagen. Hieraan hield zich de

waardin zeer streng, en dit mogten hare deugdzame gasten, die niet in

lompen gehuld waren, wel van haar eischen.

Nu vorderde het geene overgroote mate van ergdenkendheid, om zich te

verbeelden dat de heer Jones en zijne in lompen gehulde gezellin,

zekere voornemens koesterden, die hoewel ze in sommige christelijke

landen geduld, in anderen bevorderd en in alle landen in praktijk

gebragt worden, toch even streng verboden zijn als moord, of eenige

andere verschrikkelijke misdaad, door de godsdienst die algemeen in die

landen beleden wordt.

De waardin had dus naauwelijks kennis gekregen van de aankomst van

bovengemeld paar, of zij begon op de middelen bedacht te zijn om hen,

zoo spoedig mogelijk, de deur weer uit te krijgen. Ten einde dit doel

te bereiken, had zij zich gewapend met een lang en doodelijk werktuig,

waarmede, in tijden van vrede, de werkmeid gewoon was het weefsel van

de nijvere spin te vernielen. Met andere woorden, zij had den bezem

opgenomen, en was op het punt om de keuken te verlaten, toen Jones haar

aansprak en eene japon vroeg en andere kleedingstukken, ten behoeve der

halfnaakte vrouw, die zich boven bevond.

Niets is tergender voor de menschelijke natuur, noch gevaarlijker voor

die kardinale deugd, het geduld, dan het verzoek om eene buitengewone

liefdedienst te bewijzen aan menschen op wie men juist zeer vertoornd

is. Om deze reden heeft Shakespeare zijne Desdemona, met de meeste

kunst, haar man doen smeeken om gunsten te bewijzen aan Cassio, wat het

beste middel was, niet slechts om zijne ijverzucht, maar ook om zijne

woede tot den hoogsten graad van razernij te brengen; en wij zien den

ongelukkigen Moor bij deze gelegenheid minder in staat om zijne drift

te beheerschen, dan zelfs toen hij het geschenk, waaraan hij zoo veel

waarde hechtte, in handen van zijn gewaanden mededinger zag. Inderdaad,

wij beschouwen zoo iets als eene beleediging voor ons gezond verstand,

en hieraan onderwerpt zich de menschelijke hoogmoed zeer moeijelijk.

De waardin nu, hoewel eene zeer goedaardige vrouw, bezat denkelijk iets

van dezen hoogmoed, want Jones had naauwelijks zijn verzoek

uitgesproken, of zij viel hem aan met zeker wapen, dat hoewel het noch

lang, scherp of hard is, noch uiterlijk met wonden of dood schijnt te

dreigen, vele wijze, ja zelfs dappere mannen schrik en afschuw

aangejaagd heeft;—zoodat sommigen, die een geladen stuk geschut in de

monding zouden durven kijken, een mond niet hebben durven aanzien, waar

dit wapen gezwaaid werd, en eerder dan zich aan de uitwerking daarvan

bloot te stellen, zich getroost hebben eene treurige en lafhartige

vertooning te maken in de oogen hunner vrienden.

Om de waarheid te bekennen, vrees ik dat de heer Jones tot deze soort

van menschen behoorde; want hoewel hij aangevallen en hevig met

bovengenoemd wapen gekwetst werd, was hij er niet toe te brengen om

eenigen tegenstand te bieden, maar smeekte zijne vijandin, op de meest

lafhartige wijze, met hare slagen op te houden;—dat wil zeggen: hij

smeekte haar met den meesten ernst hem aan te hooren; maar eer hij dit

van haar verkrijgen kon, mengde zich de waard zelf in den strijd, en

trok partij voor de zaak, die zoo weinig bijstand scheen noodig te

hebben.

Er bestaat eene zekere soort van helden, die den strijd aannemen of

ontwijken naarmate van het karakter en het gedrag hunner tegenstanders.

Men zegt van dezen: „dat zij hunne menschen wel kennen,” en ik geloof

dat Jones deze vrouw wel kende; want hoewel hij zoo onderworpen was

gebleven tegenover haar, liet hij echter, zoodra hij door haar man

aangevallen werd, een zeer sterken geest van verzet blijken, en beval

hem te zwijgen, op zeer strenge straf,—niets minder namelijk, naar ik

meen, dan op zijn eigen keukenvuur gesmeten te worden.

De man, zeer verontwaardigd, maar met een mengsel van medelijden,

antwoordde: „Dan mag je wel eerst bidden om sterkte! Ik verbeeld me dat

ik jou maken en breken kan;—ja best!” Waarna hij er toe overging om de

dame die boven was, met een rist van scheldwoorden te overladen, van

welke het laatste hem naauwelijks over de lippen was, of er viel een

fiksche slag van den stok, welken Jones in de hand droeg, tusschen

zijne schouders.

Het blijft de vraag of de waard, of de waardin het vlugst was met den

slag terug te geven. De man, die niets in de handen had, viel aan met

de vuist, en zijne goede vrouw den bezemsteel opheffende en naar het

hoofd van Jones mikkende, zou waarschijnlijk dadelijk een einde aan den

strijd en aan Jones zelven gemaakt hebben, zoo de slag niet afgeweerd

ware geweest,—niet door de wonderlijke tusschenkomst van eene

heidensche godheid, maar door een natuurlijk, hoewel gelukkig toeval,

namelijk door de aankomst van Partridge, die op dat oogenblik het huis

binnen trad,—want de vrees had hem den heelen berg af doen vliegen—en

die nu het gevaar ziende, dat zijn heer, of zijn makker (naar gij

verkiest), dreigde, zulk een treurigen afloop voorkwam, door den

opgeheven arm der waardin te vatten.

De vrouw ontwaarde spoedig op welke wijze haar slag verijdeld was

geworden, en daar zij buiten staat was om haren arm uit Partridge’s

greep los te rukken, liet zij den bezemsteel vallen en Jones aan den

toorn van haren man overleverende, viel zij met de meeste woede den

armen jongen aan, die zich reeds aangekondigd had door den uitroep:

„Wat drommel! Wilt ge mijn vriend doodslaan?”

Partridge, hoewel hij niet veel op had met vechten, kon toch niet stil

zitten als zijn vriend aangevallen werd en was ook niet zeer ontevreden

met dat gedeelte van den strijd, dat hem toeviel. Hij gaf dus de

waardin hare slagen terug zoodra hij ze ontving; en het gevecht werd

van beide zijden met hardnekkigheid volgehouden, en het scheen

twijfelachtig voor wien de overwinning zich verklaren zou, toen de half

naakte dame, die boven aan den trap het gesprek aangehoord had, dat den

strijd voorafgegaan was, plotseling naar beneden vloog, en zonder de

onbillijkheid in aanmerking te nemen van twee tegen één te vechten,

dadelijk de arme vrouw aantastte, die tegen Partridge kampte, terwijl

die groote held, in plaats van er uit te scheiden slechts met te meer

woede streed, zoodra hij ontwaarde dat nieuwe hulp tot zijne

versterking opgedaagd was.

De overwinning zou nu naar den kant der reizigers overgeheld

hebben;—want de dapperste troepen moeten voor de meerderheid wijken,

als Suze, de werkmeid, niet gelukkig gekomen ware om hare meesteresse

te helpen. Deze Suze was, om het woord te gebruiken,—een der

„pootigste” meisjes uit de buurt, en zou, geloof ik, de beroemde

Thalestris zelve, of elke harer onderdanen onder de Amazonen verslagen

hebben; want hare gestalte was krachtig en manhaftig en in alle

opzigten voor den strijd geschikt.

Even als hare handen en armen geschapen waren om den vijand zeer

gevaarlijk te zijn, zoo was ook haar gezigt gevormd om slagen te

ontvangen zonder zeer benadeeld te worden; want haar neus was al zoo

plat, hare lippen zoo breed, dat men het onmogelijk zou hebben kunnen

zien als ze opgezwollen waren, en bovendien waren ze zoo hard dat eene

vuist met moeite eenigen indruk er op kon maken. Eindelijk waren de

wangbeenderen zoo vooruitstekend, dat ze bastions schenen te zijn door

de natuur opgerigt, om hare oogen te beschermen in die gevechten,

waarvoor zij zoo goed berekend en waartoe zij zoo wonderbaarlijk

geneigd was.

Dit schoone schepsel op het slagveld gekomen zijnde, wendde zich

dadelijk tot den vleugel, waar hare meesteresse zulk een ongelijk

gevecht volhield tegen twee personen van verschillend geslacht. Hier

daagde zij dadelijk Partridge tot het tweegevecht uit. Hij nam hare

uitdaging aan en een wanhopige strijd begon tusschen die beiden.

De bloedige trawanten van den god des oorlogs, nu eenmaal losgelaten

begonnen, zich de lippen te lekken;—de Overwinning met hare gouden

vleugelen zweefde omhoog; Fortuna, hare weegschaal van de plank

afnemende, begon het lot van Tom Jones, van zijne geleidster, en van

Partridge te wegen tegen dat van den waard, van zijne vrouw en hare

meid,—wat alles in volmaakt evenwigt vóór haar hing, toen een

vriendelijk toeval plotseling een einde maakte aan den bloedigen twist,

waarvan reeds de helft der strijdenden genoeg hadden. Dit toeval was de

aankomst van eene reiskoets, met vier paarden bespannen, waarop de

waard en zijne vrouw dadelijk het gevecht staakten, en op hun verzoek

dezelfde gunst van hunne tegenstanders verkregen; maar Suze had die

goedheid niet ten opzigte van Partridge; want de schoone Amazone haren

vijand nedergeveld hebbende, zat hem nu op het lijf, en sloeg dapper op

hem los, zonder acht te geven op zijn smeeken om den strijd te

eindigen, of op de luide moordkreten, welke hij slaakte.

Zoodra Jones echter den waard kwijt was, vloog hij ter hulpe van zijn

verslagen vriend, wien hij met groote moeite van de woedende werkmeid

bevrijdde; zonder echter dat Partridge dadelijk iets van zijne

verlossing merkte; want hij lag steeds plat op den rug, het gezigt met

beide handen bedekt, en hield niet op met brullen, tot Jones hem

noodzaakte om op te kijken, en te zien dat de slag gedaan was.

De waard, die geene zigtbare wonde ontvangen had, en de waardin haar

gekrabd gezigt verbergende onder haar zakdoek, liepen dadelijk naar de

deur om naar het rijtuig te zien, waaruit eene jonge dame met hare

kamenier stegen.

De waardin bragt beide onmiddellijk naar de kamer, waar de heer Jones

eerst zijn schoone buit gelaten had, daar dit het beste vertrek in huis

was. Om daarheen te komen, moesten zij over het slagveld, wat zij met

de meeste haast deden, hare gezigten met de zakdoeken verbergende,

alsof zij wenschten door niemand opgemerkt te worden. Maar deze

voorzorg was werkelijk geheel onnoodig; want de arme Helena, die de

aanleiding had gegeven tot al dit bloedvergieten, was geheel er mede

vervuld hoe haar eigen gelaat te verbergen; en Jones had het niet

minder druk met Partridge te redden van de woedende Suze,—wat pas

geschied was, toen de arme vent naar de pomp vloog om zijn gezigt te

wasschen en om dien bloedstroom te stuiten, welken Suze uit zijne

neusgaten had doen vloeijen.

Tom Jones · 第 160 / 340 题