BEVATTENDE EEN ZEER WONDERLIJK AVONTUUR VAN DEN HEER JONES, ONDER DE
WANDELING MET DEN OUDEN MAN VAN DEN BERG.
Aurora had nu pas de hemelvensters geopend,—wat zeggen wil, dat het
begon dag te worden, toen Jones en de vreemdeling zamen uitgingen en
den Mazard Heuvel beklommen, op welks top zij een der heerlijkste
gezigten ter wereld ontdekten, dat wij den lezer, zonder twee geldige
redenen daartegen, ook zouden laten zien. Ten eerste: wanhopen wij op
de goedkeuring van diegenen die het tooneel gezien hebben; en ten
tweede, twijfelen wij ten sterkste, of zij, die het niet gezien hebben,
er iets van begrijpen zouden.
Jones bleef eenige oogenblikken onbewegelijk staan, zijne blikken
zuidwaarts rigtende, waarop de oude heer hem vroeg, waar hij zoo
oplettend naar keek?
„Helaas, mijnheer,” hernam hij met een zucht; „ik trachtte mijne reis
herwaarts na te gaan. Goede hemel, hoe ver is Gloucester niet van hier!
Welk een afstand ligt er niet tusschen mij en mijn eigen te huis!”
„Ja, ja, jonge heer,” riep de andere, „en, naar uw zuchten te
oordeelen, is er iets dat gij meer bemint dan uw te huis, of ik vergis
me zeer! Ik zie nu dat hetgeen waaraan ge denkt buiten het bereik uwer
oogen is, en toch verbeeld ik me dat het u goed doet dien kant uit te
kijken.”
Jones hernam met een glimlach; „Naar ik zie, oude vriend, hebt gij de
gewaarwordingen uwer jeugd nog niet vergeten.—Ik beken dat ik in mijne
gedachten bezig was op de door u bedoelde wijze.”
Zij wandelden nu naar dat gedeelte van den heuvel dat noord-westwaarts
ligt, en dat over een groot en uitgestrekt bosch ziet. Zij waren pas
hier gekomen, toen zij in de verte in het bosch onder hunne voeten,
luide hulpkreten hoorden van eene vrouwenstem. Jones luisterde een
oogenblik en toen, zonder één woord te spreken tegen zijn makker,—want
de nood scheen dringend,—liep, of liever rolde hij den heuvel af, en
zonder te vreezen voor, of te denken aan zijne eigene veiligheid,
spoedde hij zich naar de plaats vanwaar de kreten schenen te komen.
Hij was pas in het bosch geraakt, toen hij werkelijk een
allerverschrikkelijkst gezigt ontwaarde, namelijk eene vrouw, die half
ontkleed was, in handen van een schurk, die zijn kousenband om haren
hals geslagen had, en haar aan een boom trachtte op te trekken. Jones
hield zich met geene vragen op, maar viel den ellendeling dadelijk aan
en maakte zoo goed gebruik van zijn eiken knuppel, dat hij hem ter
aarde velde eer hij er aan denken kon om zich te verdedigen, of
inderdaad, bijna eer hij wist dat hij aangevallen werd; en Jones hield
ook niet op met zijne slagen, tot de vrouw zelve hem smeekte, zeggende,
dat zij geloofde dat haar aanvaller er meer dan genoeg van had.
De arme vrouw viel toen voor Jones op de knieën en dankte hem wel
duizend maal voor hare redding, en hij rigtte haar dadelijk op en
vertelde haar hoe gelukkig hij zich gevoelde over het buitengewone
toeval dat hem tot haar bijstand daarheen gebragt had, waar het zoo
onwaarschijnlijk was, dat zij hulp zou vinden;—terwijl hij er bij
voegde, dat de hemel hem scheen uitgezocht te hebben tot het gelukkige
werktuig harer redding.
„Ja,” hernam zij, „ik zou u haast voor een beschermengel houden, en om
de waarheid te zeggen, hebt gij in mijne oogen meer van een engel dan
van een mensch.”
Inderdaad, zijn uiterlijk was bekoorlijk, en als eene zeer schoone
gestalte, met fraaije gelaatstrekken, opgeluisterd nog door jeugd,
gezondheid, kracht, frischheid, moed en goedaardigheid, den mensch op
een engel kunnen doen gelijken, was die gelijkenis bij hem te vinden.
De geredde zelve had niet in alle opzigten zoo veel van een
menschelijken engel. Zij scheen ten minste van middelbaren leeftijd te
zijn, en haar gezigt was ook niet zeer schoon: maar, daar haar
kleederen van het bovenlijf afgescheurd waren, trok haar boezem, die
zeer schoon gevormden blank was, de oogen van haren bevrijder, en
eenige oogenblikken bleven zij elkaar zwijgend aanzien, tot dat de
schurk, die op den grond uitgestrekt lag, zich begon te bewegen, waarop
Jones den kousenband greep, die tot een ander doel bestemd was geweest,
en hem beide handen achter den rug vast bond. En nu, hem in het gezigt
ziende, ontdekte hij, tot zijne groote verbazing en welligt met geene
geringe voldoening, dat deze mensch niemand anders was dan de vaandrig
Northerton. De vaandrig had ook zijn vorigen tegenstander niet
vergeten, dien hij herkende zoodra hij bijkwam. Zijne verbazing
evenaarde die van Jones; maar hij zal wel bij die gelegenheid wat
minder voldoening gesmaakt hebben.
Jones hielp Northerton op de beenen en hem vast in de oogen ziende,
zeide hij:
„Naar ik me verbeeld, mijnheer, verwachttet ge niet mij ooit weder op
aarde te ontmoeten, en ik beken dat ik er even weinig om dacht u hier
te vinden. Evenwel, naar ik merk, heeft het noodlot ons weder bij
elkaar gebragt, en mij ook voldoening verschaft voor de beleediging,
welke ik van u ondervonden had.”
„Het lijkt waarlijk veel op een man van eer,” hernam Northerton, „om
zich voldoening te verschaffen door iemand van achteren op het hoofd te
slaan! Ik kan u ook hier geene voldoening geven, daar ik geen degen
heb: maar indien ge u als eerlijk man durft te gedragen, laat ons
ergens heengaan waar ik een wapen kan krijgen, en ik zal me als man van
eer tegenover u houden.”
„Betaamt het zulk een schurk als gij zijt,” riep Jones, „om het woord
van „eer” te besmetten door zich zoo iets aan te matigen? Maar ik zal
geen tijd meer aan u verspillen; de wetten eischen voldoening van u en
zullen ze ook krijgen!”
Zich daarop tot de vrouw wendende, vroeg hij haar, of zij ver van huis
was, en zoo ja, of zij iemand in de buurt kende, waar zij zich eenige
betamelijke kleeding kon verschaffen eer zij bij den vrederegter
gingen?
Zij hernam dat zij in die streken vreemd was. Jones bedacht zich daarop
en zeide, dat hij een vriend in de nabijheid had, die hen helpen zou;
inderdaad, het verbaasde hem dat de grijsaard hem nog niet gevolgd was;
maar het ware van de zaak was, dat de oude man van den Berg, zoodra
onze held vertrokken was, op den heuvel was blijven zitten, waar hij,
hoewel hij een geweer in de hand had, met veel geduld en
onverschilligheid den uitslag afwachtte.
Jones trad nu van onder de boomen, en zag den ouden man daar zitten,
zoo als wij beschreven hebben, waarop onze held al zijne vlugheid te
baat nam en met verbazenden spoed den heuvel beklom.
De oude man gaf hem den raad om de vrouw naar Upton te brengen, de
digtst bijzijnde stad, naar hij zeide, waar hij zeker was haar van
alles te kunnen voorzien dat zij noodig mogt hebben. Jones, de
vereischte inlichtingen omtrent den weg nu verkregen hebbende, nam
afscheid van den ouden man van den Berg, na hem verzocht te hebben hem
Partridge na te zenden, en keerde in haast naar het bosch terug.
Toen onze held zich verwijderd had, om inlichtingen bij zijn vriend te
zoeken, had hij overlegd dat, daar hij den schelm de handen achter den
rug vast gebonden had, deze buiten staat was om de arme vrouw eenig
kwaad te doen. Bovendien wist hij dat hij binnen het bereik harer stem
was en vlug genoeg terugkeeren kon om alle kwaad te voorkomen. Hij had
ook den ellendeling verklaard, dat als hij iets beleedigends ondernam,
hij dadelijk zelf wraak op hem uitoefenen zoude. Maar ongelukkig had
Jones vergeten dat hoewel Northerton’s handen gebonden waren, zijne
beenen vrij waren, en hij den gevangene ook niet verboden had, om ze
naar goedvinden te gebruiken. Daar Northerton dus zijn woord niet
gegeven had, dacht hij, zonder oneerlijkheid, te kunnen vertrekken,
daar hij zich verbeeldde dat er geene regels bestonden, die hem noopten
te wachten tot hij in behoorlijken vorm op vrije voeten gesteld werd.
Hij maakte dus gebruik van zijne beenen, die hem ten dienste stonden,
en ontsnapte onder het geboomte, dat zijne vlugt begunstigde, terwijl
de vrouw, wier blikken welligt haren bevrijder volgden, niet eens om
zijne ontsnapping dacht, of zich eenige moeite gaf om die te beletten.
Toen Jones dus terugkeerde, vond hij de vrouw alleen. Hij zou nu wat
tijd er aan hebben willen besteden om Northerton op te zoeken; maar de
vrouw liet dit niet toe, terwijl zij hem ernstig smeekte haar naar de
stad te vergezellen, die hun aangewezen was.
„Wat de ontsnapping van dien schelm aangaat, mijnheer,” zeide zij,
„daar geef ik niet om; want de wijsbegeerte en het christendom leeren
ons onze vijanden te vergeven. Maar, ten uwen opzigte, mijnheer, raak
ik in verlegenheid wegens al de moeite die ik u veroorzaak;—ja, de
gehavende toestand mijner kleeding maakt me beschaamd, als ik u in de
oogen zie, en ware het niet om den wille uwer bescherming, zou ik
liefst alleen gaan.”
Jones bood haar zijn jas aan; maar, (ik weet niet om welke reden), zij
weigerde stellig er gebruik van te maken, hoe sterk hij er ook op
aandrong. Daarop smeekte hij haar beide oorzaken van hare verlegenheid
te vergeten: „Wat de eerste daarvan betreft,” zeide hij, „heb ik alleen
mijn pligt gedaan met u te beschermen, en wat de tweede aangaat, die
zal ik uit den weg ruimen, door den heelen weg vóór u te gaan; want ik
wilde u niet door mijne blikken beleedigen, en zou er toch niet voor
kunnen instaan, dat ik aan de verleiding van zoo vele schoonheid zou
kunnen weerstaan.”
Dus trokken onze held en de bevrijde dame, even als weleer Orpheus en
Eurydice op; maar hoewel ik niet gelooven kan dat de schoone Jones
opzettelijk verleidde om achterom te kijken, was hij echter—daar zij
dikwerf bijstand van hem noodig had om haar over de vonders te helpen
en zij bovendien menigmaal struikelde en andere ongelukken had,—telkens
genoodzaakt om zich om te keeren. Hij was echter op den duur gelukkiger
dan de arme Orpheus; want hij bragt zijne geleidster, of liever haar
die hem volgde, veilig de beroemde stad Upton binnen.