OVER DIEGENEN DIE HET REGT HEBBEN, EN DIEGENEN DIE HET REGT NIET HEBBEN
OM EENE GESCHIEDENIS ALS DEZE TE SCHRIJVEN.
Onder de nuttige oogmerken, waarom ik goedgevonden heb deze inleidende
hoofdstukken te schrijven, behoort ook, dat—ik ze eenigzins beschouw
als een merk of stempel, dat den dagelijkschen lezer in staat moet
stellen om later hetgeen echt en degelijk is in deze soort van
historische geschriften te onderscheiden van hetgeen valsch en
nagemaakt is. En werkelijk, er zal waarschijnlijk binnen kort een werk
van dezen aard noodig wezen, daar het gunstige onthaal dat een stuk of
twee drie schrijvers gevonden hebben bij het publiek voor soortgelijke
werken, denkelijk vele anderen aanmoedigen zal om iets dergelijks te
ondernemen. Zoodoende zullen er eene menigte dwaze novellen en
monsterachtige romans het licht zien, hetzij tot groot nadeel van de
boekverkoopers, of tot groot tijdverlies, of zedenbederf van den
lezer;—werken, die zelfs dikwerf dienen zullen om laster en
kwaadsprekendheid te verspreiden en om vele waardige en eerlijke lieden
in naam en faam te benadeelen.
Het staat bij mij vast dat de vernuftige schrijver van den Spectator
hoofdzakelijk er toe gebragt werd om Grieksche of Latijnsche
opschriften te plaatsen boven elk zijner opstellen, ten einde zich te
beveiligen tegen de navolging van die papierverknoeijers, die van het
schrijven niets wetende dan wat zij van den schrijfmeester geleerd
hebben, toch evenmin schroomen, of zich schamen, de titels aan te nemen
van het grootste genie, als hun langoorige broeder in de fabel zich
schaamde in de leeuwenhuid te balken.
Door de list met de opschriften, werd het voor iedereen onmogelijk om
den Spectator na te volgen als hij ten minste niet een enkelen volzin
in de oude talen lezen kon. Op dezelfde wijze heb ik me gewaarborgd
tegen de navolging van diegenen die geheel onbekwaam zijn om over iets
na te denken, en wier geleerdheid niet toereikende is om eene
verhandeling te schrijven.
Men begrijpe dit echter niet zoo, alsof ik te verstaan wilde geven, dat
de grootste verdienste van zulke historische geschriften ooit liggen
zou in deze inleidende hoofdstukken; maar inderdaad, leveren die
gedeelten er van, welke alleen het verhaal bevatten, veel meer
aanmoediging voor den navolger op, dan al hetgeen bestaat uit
overpeinzingen en opmerkingen. En hier spreek ik van navolgers van dien
aard als Rowe was van Shakespeare, of als sommige Romeinen die barvoets
liepen en zure gezigten trokken (volgens Horatius) van Cato waren.
Het is welligt eene zeldzame gave om een goed verhaal te bedenken en
het goed te vertellen; en toch, heb ik opgemerkt, dat er slechts
weinige menschen zijn, die niet naar beide streven; en als wij de
romans en novellen, waarmede wij overstelpt worden, onderzoeken, geloof
ik dat wij te regt zouden mogen besluiten, dat de meeste schrijvers het
niet gewaagd zouden hebben met de klompen op het ijs te komen (men
vergeve mij die uitdrukking), in eenig ander genre van schrijven;—noch
dat zij over eenig ander onderwerp een dozijn volzinnen hadden kunnen
bijeenbrengen. Scribimus indocti doctique passim, [6] kan men waarlijk
eerder zeggen van den geschiedschrijver en den biograaf dan van eenigen
anderen schrijver, daar alle kunsten en wetenschappen,—zelfs het
recenseren—een weinig geleerdheid en kennis eischen.
Men zou welligt kunnen denken dat de poëzy hierop eene uitzondering
maakt; maar die eischt maat, of iets dat op maat gelijkt; terwijl men
voor het opstellen van novellen en romans niets noodig heeft dan pen en
inkt, met de bedrevenheid om ze te gebruiken. Ik geloof dat de
schrijvers zelve door hunne voortbrengselen bewijzen, dat dit ook hun
denkbeeld is, en dit moet ook het gevoelen hunner lezers zijn,—als zij
er eenige hebben.
Daaraan moeten wij ook de algemeene minachting toeschrijven, waarmede
de wereld, die steeds de geheele klasse naar de meerderheid daarvan
beoordeelt, steeds alle geschiedkundige schrijvers behandeld heeft, die
hun stof niet uit de archieven gehaald hebben. Het was ook de vrees
voor deze minachting, welke ons zoo streng de benaming van roman heeft
doen ontwijken, waarmede wij, voor dit werk, ons anders wel tevreden
stellen konden. Maar, daar wij goede autoriteiten hebben voor al onze
karakters,—namelijk die van het groote boek der natuur zelve,—zooals
wij reeds vroeger te kennen gaven,—heeft ons werk wel degelijk
aanspraak op den naam van geschiedenis. ’t Is waar, dat het eenigzins
onderscheiden is van die werken, welke een der geestigste menschen
beschouwde als enkel voortbrengselen van een pruritus, of nog liever,
van een ziekelijk brein.
Maar, behalve de schande welke nu een der nuttigste en vermakelijkste
schrijftranten aankleeft, bestaat er grondige reden te veronderstellen,
dat wij door zulke schrijvers aantemoedigen, veel schande van een
anderen aard zullen verspreiden namelijk die, dat wij den naam van vele
goede en waardige leden der maatschappij zullen bezoedelen; want de
stomste schrijvers zijn, evenmin als de stomste makkers, altijd de
meest onschuldige. Zij kennen woorden genoeg om onbetamelijk en
beleedigend te zijn. En zeker, als dit geen ongegrond denkbeeld is, dan
kan het ons niet verwonderen, dat werken die zulk eene vuile bron
hebben, zelve vuil zijn en de strekking hebben om anderen ook te
besmetten.
Ten einde dus in de toekomst zulk schandelijk misbruik van tijd, van
letterkunde en van persvrijheid te voorkomen,—vooral omdat de wereld
thans meer dan anders daarmede bedreigd wordt, zal ik het wagen hier
eenige gaven te noemen, welke alle, in redelijk hooge mate, vereischt
worden bij geschiedschrijvers van dezen aard.
Het eerste is het genie, zonder hetwelk, zoo als Horatius zegt, geen
studie ons helpen kan. Onder genie, versta ik het vermogen, of liever
de vermogens van den geest, die in staat zijn om door te dringen in
alle dingen welke binnen ons bereik zijn, en om hun wezenlijk onderling
verschil op te merken. Dit is niets anders dan vinding en oordeel, en
beide worden met den collectieven naam van genie bestempeld, daar ze
onder die gaven der natuur behooren, welke wij met ons ter wereld
brengen, en betreffende welke vele menschen zeer schijnen te dwalen;
want onder vinding verstaat men, geloof ik, algemeen, zeker
scheppings-vermogen,—hetwelk inderdaad bewijzen zou dat de meeste
romanschrijvers daarop aanspraak maken;—terwijl men er eigenlijk niets
meer mede bedoelt, volgens de ware beteekenis van het woord, dan de
gave van iets te vinden, of te ontdekken;—of, om het breedvoeriger te
beschrijven, een vlug en verstandig inzigt in het wezen van alle
voorwerpen die wij beschouwen. Dit kan, dunkt me, naauwelijks bestaan
zonder de bijkomende hulp van het oordeel; want hoe men zou kunnen
zeggen dat men het wezenlijke onderscheid tusschen twee dingen
begrijpt, zonder dat onderscheid opgemerkt te hebben, schijnt
moeijelijk te vatten. Dit laatste is echter de onbetwiste taak van het
oordeel, en toch zijn sommige knappe menschen het met al de domkoppen
ter wereld eens geworden, dat deze twee gaven zelden of nooit bij één
en denzelfden persoon gevonden worden.
Maar zelfs waar dit het geval is, zijn ze onvoldoende zonder eenige
kennis;—en hier zou ik weder het gezag van Horatius kunnen inroepen, en
van vele anderen ook, als het noodig was te bewijzen, dat werktuigen
den werkman niet baten, als ze niet door de kunst geslepen zijn, of het
hem aan regels ontbreekt waarnaar zijn werk in te rigten, of aan stof
om te bewerken. In dit een en ander wordt door kennis voorzien; want de
natuur kan ons allen bekwaamheid schenken, of, zoo als ik het
uitgedrukt heb, de werktuigen voor ons beroep:—de kennis moet ze
geschikt maken voor het gebruik, moet ze daarbij bestieren, en
eindelijk, ten minste, een deel der grondstoffen leveren. Eene
voldoende kennis der geschiedenis en der schoone letteren is hier
bepaald noodzakelijk; en zonder deze kennis, is het even dwaas de rol
van schrijver op zich te willen nemen, als te trachten een huis te
bouwen zonder hout of kalk, ijzer of steen. Homerus en Milton, hoewel
zij hun werk met maat en rijm opsierden, waren beide geschiedschrijvers
van onzen aard, en ervaren in al de geleerdheid van hun tijd.
Van den anderen kant, is er ééne soort van kennis welke de geleerdheid
niet schenken kan, en die verkrijgt men door den omgang. Deze is zoo
noodzakelijk om het karakter der menschen te leeren kennen, dat niemand
daarin onwetender is dan die geleerde pedanten, die hun leven gesleten
hebben op het studeervertrek en onder boeken; want hoe voortreffelijk
ook de menschelijke natuur door sommige schrijvers afgeschilderd moge
zijn, kan het ware, praktische stelsel alleen in de wereld aangeleerd
worden. En dit is ook het geval met iedere andere soort van wetenschap.
Noch de natuurkunde, noch de regtsgeleerdheid zijn praktisch uit de
boeken te leeren. Zelfs de landbouwer, de planter, de tuinier, moet
door ondervinding datgene volmaken, waarvan hij de grondbeginselen uit
de boeken gehaald heeft. Hoe naauwkeurig ook de kundige Miller eene
plant beschreven heeft, raadt hij den leerling toch aan ze in den tuin
te gaan bezigtigen. Even als wij zien dat onder het lezen, sommige der
fijnste zetten van een Shakespeare, een Johnson, of een Wycherly ons
ontgaan, welke ons eerst in het oog vallen bij het oordeelkundig spel
van een Garrick, eene Cibber, of eene Clive, [7] dus toont zich ook op
het levenstooneel het karakter in een sterker en stouter licht dan men
wel beschrijven kan. En als dit het geval is met die fijne en krachtige
schilderingen, welke groote schrijvers zelve naar het leven geteekend
hebben, hoeveel te meer zal dit niet blijken als de schrijver zelf
zijne karakters niet naar de natuur, maar naar de boeken teekent! Zulke
karakters zijn alleen de flaauwe copijen eener copij en kunnen de
juistheid noch den geest van het oorspronkelijke bezitten.
En onze geschiedschrijver moet een algemeenen omgang hebben met
menschen van allerlei stand en rang; want de kennis van hetgeen men de
groote wereld noemt, zal hem niets leeren omtrent de lagere klassen,—en
e converso, zal hij uit den omgang met zijne minderen, de manieren
zijner meerderen niet leeren kennen. En, hoewel men zou kunnen denken,
dat de kennis van een van beide hem ten minste in staat zou stellen te
beschrijven wat hij gezien heeft, zal hij toch zelfs hierin ver van de
volmaaktheid blijven; want de dwaasheden van alle standen dienen
werkelijk om elkaar ten sterkste te doen uitkomen. Bij voorbeeld: de
gemaaktheid in de groote wereld toont zich te duidelijker en
bespottelijker als men ze vergelijkt bij de eenvoudigheid der mindere
klassen; en de ruwheid en woestheid dezer laatsten komt ons te
ongerijmder voor, als ze tegenover de beschaving der hoogere klassen
staat. Bovendien, zullen de manieren van onzen geschiedschrijver zelven
verbeterd worden door een gemengden omgang; want bij de eene zal hij,
zonder bezwaar, voorbeelden vinden van eenvoudigheid, eerlijkheid en
opregtheid, en bij de andere verfijning, sierlijkheid en vrijzinnigheid
van oordeel, welke laatste hoedanigheid ik zelf haast nooit gevonden
heb bij menschen van lage afkomst en weinige opvoeding.
Maar al de gaven welke ik nu mijn schrijver geschonken heb, zullen hem
weinig baten, ten zij hij ook bezit hetgeen men over het algemeen noemt
een goed hart en gevoel. De schrijver, zegt Horatius, die mij wil doen
weenen, moet beginnen met zelf tranen te storten. Werkelijk, kan ook
geen mensch een leed goed beschrijven, dat hij zelf niet voelt onder de
schildering daarvan, en ik twijfel ook niet of de aandoenlijkste en
treffendste tooneelen zijn onder tranen geschreven. Hetzelfde geldt van
het belagchelijke. Ik ben overtuigd dat ik den lezer nooit hartelijk
kan doen lagchen zonder met hem te lagchen,—ten zij ik hem zelf de
gelegenheid geef, om over mij, in plaats van met mij te lagchen. Dit is
welligt het geval geweest bij sommige punten van dit hoofdstuk,—eene
vrees, die mij het hier doet eindigen.