JONES KOMT TE GLOUCESTER AAN EN NEEMT ZIJN INTREK IN „DE KLOK;” WELKE
SOORT VAN LOGEMENT DAT WAS, EN HET KARAKTER VAN EEN BEUNHAAS, DIEN HIJ
DAAR ONTMOET.
De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam
hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna
zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene
wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig
meldingswaardig avontuur te beleven.
Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen,
een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen
lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat
huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel
onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of
van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer
eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk
onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen,
was vroeger, zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare
gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste
kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust
moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten
in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven
aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van
alle methodistische begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij
bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen
indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte
van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des
geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een
proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde
zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één
woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo
veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast
moet wezen, die in haar huis ontevreden is.
Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn
volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de
houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk
onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te
wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te
eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap
dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij
bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk
eene lange wandeling, welkom zijn geweest.
Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats
aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van
den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en
wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er
was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer
noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent,
zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een
verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een
van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou
kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van
huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te
verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.
Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het
gezigt van Jones, dien hij bij den heer Allworthy gezien had,—in wiens
keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze
gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die
gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van
den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best
te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de
eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den
keldermeester.
Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel
hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te
hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover
zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen
aanspraak kon maken.
Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor
ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel
genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig
de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze,
waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde
waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun
lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap
te houden.
Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht
fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge
kwast was?”
Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”
„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije
mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens
paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij
mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo
vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor
een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”
„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader
uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.
„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis
brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals iedereen weet, en
vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard
grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij
heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald
te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij
zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij
hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij
mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool
ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij
eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten
dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om
welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken
verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur
uitjoeg.”
„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon
de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u
vragen, hoe deze lieve jongen heet?”
„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”
„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij
mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten
heeft?”
„Juist,” zei de andere.
„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker
dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”
„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van
hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het
bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn
uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het
weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met
beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”
De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de
waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles
dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin
schrikte, en een eind aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren
dat zij alles geloofde wat hij vertelde.
Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij wel begrijpt dat ik er
niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist
dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te
lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets
dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek
bekend.”
Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas
eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de
lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen
hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen
op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar
gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.
Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer
Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd
had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met
onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem
kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn
knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk
man als de heer Jones zelf.”
Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de
vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar
eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk
van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote
haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te
moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en
wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig
plaatsen tegelijk te kunnen zijn.
De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw
Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken;
maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van
die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen
was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele
houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid, welke wij
reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat,
dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het
ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.
Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins
onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige
verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid,
begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te
schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die,
daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne
slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten
zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel
fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd
wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk,
hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem
dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in
haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag
goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het
gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.
Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand
onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat
hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover
ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest
eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest
gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd
beoordeeld en gelasterd wordt.
Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de
ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de
behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en
vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs
daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel
op te pakken en zijn vriend te volgen.