HOOFDSTUK VIII.

JONES KOMT TE GLOUCESTER AAN EN NEEMT ZIJN INTREK IN „DE KLOK;” WELKE

SOORT VAN LOGEMENT DAT WAS, EN HET KARAKTER VAN EEN BEUNHAAS, DIEN HIJ

DAAR ONTMOET.

De heer Jones, met Partridge, of den Kleinen Benjamin, (welke bijnaam

hem waarschijnlijk uit ironie gegeven werd, daar hij wezenlijk bijna

zes voet lang was), hunne laatste kwartieren op de bovenbeschrevene

wijze verlaten hebbende, reisden naar Gloucester, zonder eenig

meldingswaardig avontuur te beleven.

Daar aangekomen, kozen zij „de Klok” uit, om er hun intrek te nemen,

een uitstekend huis, inderdaad, en dat ik ten ernstigste aan iederen

lezer aanbeveel, welke die aloude stad gaat bezoeken. De heer van dat

huis is de broeder van den grooten prediker Whitefield; maar is geheel

onbesmet met de verderfelijke grondbeginselen van het methodisme, of

van eenige andere kettersche sekte. Hij is, inderdaad, een zeer

eenvoudig, eerlijk mensch, en zal, naar mijn gevoelen, waarschijnlijk

onrust stoken noch in kerk noch in staat. Zijne vrouw, naar ik meen,

was vroeger, zeer schoon en is nog eene zeer knappe vrouw. Hare

gestalte en houding zouden opgang gemaakt hebben in de deftigste

kringen; maar ofschoon zij hiervan en van vele andere deugden bewust

moet wezen, schijnt zij zeer tevreden te zijn met en geheel te berusten

in hare bestemming, en deze tevredenheid is geheel toe te schrijven

aan hare voorzigtigheid en wijsheid; want zij is thans even vrij van

alle methodistische begrippen als haar man. Ik zeg thans, want zij

bekent gaarne dat in het begin de geschriften van haar zwager eenigen

indruk op haar gemaakt hadden; en dat zij zich de onkosten getroostte

van een langen mantel, om er in gehuld de buitengewone openbaringen des

geestes bij te wonen; maar daar zij, gelijk zij zegt, gedurende een

proeftijd van drie weken, niets ondervond dat een duit waard was, legde

zij zeer wijsselijk den mantel af en liet de sekte varen. Met één

woord, zij is eene vriendelijke, goedaardige vrouw, en geeft zich zoo

veel moeite om iedereen te verpligten, dat het een zeer norsche gast

moet wezen, die in haar huis ontevreden is.

Jufvrouw Whitefield was toevallig juist op de plaats toen Jones en zijn

volgeling binnenkwamen. Hare schranderheid deed haar spoedig iets in de

houding van onzen held ontdekken, dat hem van het gemeene volk

onderscheidde. Zij beval dus aan hare dienstboden hem eene kamer aan te

wijzen, en zond een oogenblik later om hem uit te noodigen bij haar te

eten; wat hij in dank aannam; want inderdaad, veel slechter gezelschap

dan dat van jufvrouw Whitefield, en een veel slechter onthaal dan hij

bij haar zou vinden, zouden, na zoo lang gevast te hebben, en na zulk

eene lange wandeling, welkom zijn geweest.

Behalve den heer Jones en de vriendelijke huisvrouw, namen er plaats

aan tafel een zaakwaarnemer uit Salisbury,—dezelfde die de tijding van

den dood van mevrouw Blifil bij den heer Allworthy gebragt had, en

wiens naam, welken wij vroeger niet vermeld hebben, Dowling was;—en er

was ook nog iemand anders tegenwoordig, die zich ook zaakwaarnemer

noemde, en die ergens bij Lichfield in Somersetshire woonde. Deze vent,

zeide ik, noemde zich zaakwaarnemer, maar was inderdaad slechts een

verachtelijke beunhaas, die verstand noch kennis van wat ook bezat;—een

van die menschen, die men slippendragers der regtsgeleerdheid zou

kunnen noemen, of surnumerairs bij het vak;—die eene soort van

huurpaarden zijn onder de zaakwaarnemers, en die om een daalder te

verdienen, verder zullen loopen dan een stalknecht.

Onder het eten herinnerde zich de zaakwaarnemer uit Somersetshire het

gezigt van Jones, dien hij bij den heer Allworthy gezien had,—in wiens

keuken hij dikwerf als gast verscheen. Hij maakte dus gebruik van deze

gelegenheid om naar de waardige familie te vragen, met al die

gemeenzaamheid, welke een vertrouwden vriend of eene goede kennis van

den heer Allworthy betaamd zou hebben; en inderdaad, hij deed zijn best

te doen verstaan, dat dit het geval met hem was, hoewel hij nooit de

eer had gehad daar met iemand van hoogeren rang te spreken dan den

keldermeester.

Jones beantwoordde al zijne vragen met de meeste beleefdheid, hoewel

hij zich niet herinnerde den beunhaas ooit van zijn leven gezien te

hebben, en uit zijn uiterlijk en gedrag opmaakte dat hij zich tegenover

zijne meerderen eene vrijheid aanmatigde, waarop hij hoegenaamd geen

aanspraak kon maken.

Daar het gesprek met menschen van dezen aard verfoeijelijk is voor

ieder die zijn gezond verstand heeft, was het eten pas van de tafel

genomen, of de heer Jones trok zich terug en liet eenigzins wreedaardig

de arme jufvrouw Whitefield achter, om boete te doen, op eene wijze,

waarover ik dikwerf door den heer Timotheus Harris en andere beschaafde

waarden heb hooren klagen, als het zwaarste gedeelte van hun

lot;—namelijk, dat zij soms genoodzaakt worden hunne gasten gezelschap

te houden.

Jones was naauwelijks de kamer uit toen de beunhaas, zacht

fluisterende, jufvrouw Whitefield vroeg, „of zij wel wist wie die jonge

kwast was?”

Zij hernam, „dat zij dien mijnheer nu voor het eerst zag.”

„Die mijnheer!” herhaalde de beunhaas; „’t is me waarlijk een mooije

mijnheer! Wel, het is de bastaardjongen van een kerel die wegens

paardenroof opgeknoopt werd! Men legde hem neêr voor de deur, bij

mijnheer Allworthy, waar een der dienstboden hem vond, in eene kist zoo

vol regenwater, dat hij zeker verdronken zou zijn, als hij niet voor

een andere soort van dood bewaard ware gebleven.”

„O ja,—ik vat je wel;—wij begrijpen best, zonder dat ge het nader

uitlegt, welken dood ge bedoelt!” riep Dowling, met een grijns.

„Nu,” hervatte de andere; „de heer Allworthy liet het kind in huis

brengen, want hij is een benaauwd mensch, zooals iedereen weet, en

vreesde anders last van de zaak te hebben, en daar werd me de bastaard

grootgebragt, opgevoed, en gekleed, precies of hij een heer was. En hij

heeft zelf een der meiden in huis een kind gemaakt en haar overgehaald

te zweren dat mijnheer Allworthy de vader was;—en later sloeg hij

zekeren mijnheer Thwackum, een dominé, den arm stuk, alleen omdat hij

hem verweet dat hij de meiden naliep;—en weêr wat later, wilde hij

mijnheer Blifil van achteren door het hoofd schieten;—maar de pistool

ketste;—en eens, toen mijnheer Allworthy zwaar ziek was, haalde hij

eene trom en liep het heele huis door er op te roffelen, om te beletten

dat hij slapen zou;—met een honderdtal meer dergelijke streken, om

welke, zoo wat vier of vijf dagen geleden, juist eer ik die streken

verliet, mijnheer Allworthy hem tot het hemd toe uitkleedde en de deur

uitjoeg.”

„Daar heeft hij goed aan gedaan,” riep Dowling; „ik zou mijn eigen zoon

de deur uitzetten, als hij maar de helft gedaan had. En mag ik u

vragen, hoe deze lieve jongen heet?”

„Hoe hij heet?” herhaalde de beunhaas. „Wel, hij heet Tom Jones.”

„Jones!” riep Dowling eenigzins driftig. „Hoe? Dezelfde Jones, die bij

mijnheer Allworthy in huis woonde? Is dat die heer die met ons gegeten

heeft?”

„Juist,” zei de andere.

„Ik heb hem dikwerf hooren noemen,” zei Dowling; „maar ik weet zeker

dat ik nooit eenig kwaad van hem vernomen heb.”

„En ik weet zeker,” riep jufvrouw Whitefield, „als maar de helft van

hetgeen deze mijnheer verteld heeft, waar is, dat de heer Jones het

bedriegelijkste gezigt heeft, dat ik ooit gezien heb; want zijn

uiterlijk belooft iets heel anders; en ik moet ook zeggen, na het

weinige dat ik van hem gezien heb, dat men nooit wenschen zou met

beleefder of beschaafder mensch om te gaan.”

De beunhaas, die zich herinnerde, dat hij geen eed gedaan had om de

waarheid te spreken eer hij zijne getuigenis aflegde, bevestigde alles

dat hij verteld had met zooveel eeden en vloeken dat de waardin

schrikte, en een eind aan zijn gevloek maakte, door hem te verzekeren

dat zij alles geloofde wat hij vertelde.

Hierop zeide hij: „Ik hoop, jufvrouw, dat gij wel begrijpt dat ik er

niet aan denken zou zoo iets van iemand te verhalen, als ik niet wist

dat het waar was. Welk belang zou ik er bij hebben om iemand te

lasteren, die mij nooit benadeeld heeft? Ik verzeker u, dat ik u niets

dan de waarheid verteld heb en het is ook aan iedereen in den omtrek

bekend.”

Daar jufvrouw Whitefield geene reden had te denken dat de beunhaas

eenige aanleiding of oorzaak kon hebben om Jones te lasteren, zal de

lezer het haar niet ten kwade duiden, dat zij geloof schonk aan hetgeen

hij met zoo vele eeden betuigde. Zij verloochende dus alle vertrouwen

op hare gelaatkunde en vatte thans zulk een slecht denkbeeld van haar

gast op, dat zij hartelijk wenschte hem te zien vertrekken.

Haar afkeer werd nog sterk vermeerderd door een berigt, hetwelk de heer

Whitefield uit de keuken bragt, waar Partridge de aanwezigen verzekerd

had, „dat ofschoon hij den randsel droeg, en zich tevreden stelde met

onder de dienstboden te blijven, terwijl Tom Jones (gelijk hij hem

kortaf noemde), in de huiskamer feest vierde, hij volstrekt niet zijn

knecht was, maar alleen zijn vriend en makker, en evenzeer fatsoenlijk

man als de heer Jones zelf.”

Dowling was inmiddels stil blijven zitten, bezig met aan de

vingertoppen te knagen, grijnzende en verbazend wijs kijkende;—maar

eindelijk deed hij weder den mond open en verklaarde dat het uiterlijk

van dien heer toch iets heel anders verried. Hierop vroeg hij in groote

haast om de rekening, verklaarde dienzelfden avond te Hereford te

moeten wezen, betreurde het dat hij het zoo razend druk had, en

wenschte dat hij zich in twintig stukken kon verdeelen, om op twintig

plaatsen tegelijk te kunnen zijn.

De beunhaas verliet ook het huis, en toen liet Jones jufvrouw

Whitefield vragen om hem het genoegen te doen thee met hem te drinken;

maar dit sloeg zij af, en op eene wijze, die zoo zeer verschilde van

die waarop zij hem aan tafel ontvangen had, dat hij er van getroffen

was. En spoedig merkte hij op eene groote verandering in hare geheele

houding; want, in plaats van die natuurlijke vriendelijkheid, welke wij

reeds geroemd hebben, was er iets strengs en gedwongens op haar gelaat,

dat de heer Jones zoo onaangenaam vond, dat hij besloot, hoe laat het

ook geworden was, dien avond nog het huis te verlaten.

Hij verklaarde zich inderdaad deze verandering op eene eenigzins

onbillijke wijze; want buiten en behalve eenige harde en onregtvaardige

verdenkingen omtrent vrouwelijke ligtzinnigheid en veranderlijkheid,

begon hij te veronderstellen dat dit gebrek aan beleefdheid toe te

schrijven was aan zijn gebrek aan paarden,—eene soort van dieren, die,

daar zij geene lakens vuil maken, in de logementen beter hunne

slaapplaats betalen dan hunne ruiters en daarom meer gewenschte gasten

zijn; maar jufvrouw Whitefield, om haar regt te doen, dacht er veel

fatsoenlijker over. Zij was zelve volmaakt opgevoed en kon zeer beleefd

wezen jegens een fatsoenlijk man, al ging hij te voet. Maar, wezenlijk,

hield zij onzen held voor een gemeenen schelm en behandelde hem

dienovereenkomstig, wat zelfs Jones, als hij het geweten had, niet in

haar had kunnen berispen;—ja, integendeel; hij zou haar gedrag

goedgekeurd hebben en haar te meer geacht hebben juist wegens het

gebrek aan achting, dat zij voor hem toonde.

Dit is inderdaad een der hatelijkste gevolgen daarvan dat men iemand

onregtvaardig van zijn goeden naam berooft; want iemand, die weet dat

hij een slechten naam heeft, kan zich niet met eenig regt daarover

ergeren dat de menschen hem verwaarloozen en minachten; maar moest

eerder zelf diegenen verachten die zijn omgang zoeken, tenzij de meest

gemeenzame vertrouwelijkheid hun bewezen heeft dat hun vriend verkeerd

beoordeeld en gelasterd wordt.

Dit was echter niet het geval met Jones; want, daar hij niets van de

ware toedragt der zaak wist, was hij, met groot regt, beleedigd door de

behandeling welke hij ondervond. Hij betaalde dus zijne rekening en

vertrok, zeer tegen den zin van den heer Partridge, die te vergeefs

daartegen geprutteld hebbende, zich eindelijk verwaardigde den randsel

op te pakken en zijn vriend te volgen.

Tom Jones · 第 144 / 340 题