HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN TUSSCHEN JONES EN PARTRIDGE OVER DE

LIEFDE, DE KOUDE, DEN HONGER EN ANDERE DINGEN, MET DE GELUKKIGE EN

WONDERBAARLIJKE REDDING VAN PARTRIDGE, TOEN HIJ OP HET PUNT WAS VAN

EENE NOODLOTTIGE ONTDEKKING AAN ZIJN VRIEND TE DOEN.

De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen

waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen

hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken.

Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid

van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den

winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over

het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet

had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige

vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar

bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook

den heelen nacht te kunnen opblijven.

Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen

aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg

hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge

niet onmiddellijk op deze vraag antwoordde, ging hij voort met de

schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op,

die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere

dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het

verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken

hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te

troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich

verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig

waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.

„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in

staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke

hartstogten te gevoelen.”

„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer

benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de

koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn

neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk,

wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s

nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den

voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar

gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet

beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en

hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum! Ik

zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die

daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”

„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed!

Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd

voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids

hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”

„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge:

„Interdum stultus opportune loquitur.”

„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”

„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij

zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen

het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet

de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste

vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”

„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de

heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den

weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die

heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als

gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik

heb vast besloten om verder te gaan.”

„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te

verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil

als om den mijne; en daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik

ook besloten u te volgen. I prae, sequar te.”

Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende

welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf

steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones

echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie

zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet

gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”

„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen

gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de

drommel de maan halen, met hare horens er bij!”

„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones.

„Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest

voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw

geheugen gewischt?”

„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn

als ik nooit de liefde gekend had. Infandum, regina jubes renovare

dolorem! Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het

bittere van dien hartstogt leeren kennen!”

„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.

„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want

zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank

zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan

was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de

maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er

nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil,

mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat

mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”

„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene

gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een

minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar

gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen

voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om

het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”

„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?”

antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u

borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe

armen zult hebben.”

„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg

moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”

„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te

zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”

„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar,

welken raad wildet gij me geven?”

„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar

wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg

terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat

ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij

kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te

vinden.”

„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om

verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot

hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk

mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder

liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn

vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de

dienst van Koning en vaderland.”

„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed

te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van

u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden.

En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast

besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt

te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te

zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn.

Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb

ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te

lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig

gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde me een dag of

wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde,

zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”

„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet

altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne

godsdienst spreekt.”

„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te

spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van

de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant

was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het

regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”

„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig

regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen

voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik

niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”

„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën

welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist

vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft,

zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed

staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”

„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat

zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn

de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak

te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der

ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond

verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al

stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te

worden.”

Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in

verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones;

want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid

hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en

had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu

op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was

niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke dame, door Hudibras

vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van

Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones

met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar

den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had

verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een

toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook.

Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde,

welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij

zich vergiste.

Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige

bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den

heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden

duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij

dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er

ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen

omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij

dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.

Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was

hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden

hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van

zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te

offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt

niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig

was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde

briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel

vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde,

welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men

Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens

zoon hij hem ook stellig hield.

Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de

zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene

gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar

gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te

verwerven;—en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar

huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben,

of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer

Allworthy.

Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij

heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan

het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik

pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen

aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden,

nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige

voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar

omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.

Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde,

vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den

mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt

door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen

doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de

pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het

ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand

of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de

meest gewenschte uitwerking heeft.

Tom Jones · 第 145 / 340 题