BEVATTENDE VERSCHEIDENE GESPREKKEN TUSSCHEN JONES EN PARTRIDGE OVER DE
LIEFDE, DE KOUDE, DEN HONGER EN ANDERE DINGEN, MET DE GELUKKIGE EN
WONDERBAARLIJKE REDDING VAN PARTRIDGE, TOEN HIJ OP HET PUNT WAS VAN
EENE NOODLOTTIGE ONTDEKKING AAN ZIJN VRIEND TE DOEN.
De lange schaduwen begonnen nu van de hooge bergen te dalen; de vogelen
waren te rust gegaan; stervelingen van den meest verheven rang gingen
hun middagmaal, en die van den laagsten stand hun avondeten gebruiken.
Met één woord, de klok sloeg juist vijf uur toen de heer Jones afscheid
van de stad Gloucester nam, een uur waarop (daar het midden in den
winter was), de zwarte vingers van den Nacht den donkeren sluijer over
het heelal toegetrokken zouden hebben, indien de maan dit niet belet
had,—door met een gezigt, zoo breed en rood als dat van sommige
vrolijke zielen, die even als zij den nacht in dag veranderen,—uit haar
bed op te komen, waar zij den heelen dag gesluimerd had, ten einde ook
den heelen nacht te kunnen opblijven.
Jones was nog niet ver gekomen, of hij begon zijne hulde te bewijzen
aan de schoone bijplaneet, en zich tot zijn medgezel wendende, vroeg
hij hem, of hij ooit een heerlijker avond beleefd had? Daar Partridge
niet onmiddellijk op deze vraag antwoordde, ging hij voort met de
schoonheid der maan te prijzen, en zeide eenige verzen van Milton op,
die zeker, in zijne beschrijvingen der hemellichten alle andere
dichters overtroffen heeft. Daarop vertelde hij aan Partridge het
verhaal uit den Spectator van de twee minnenden, die afgesproken
hadden, toen zij op verren afstand van elkaar gaan moesten, om zich te
troosten door op een bepaald uur naar de maan te kijken, en zich
verheugden in de gedachte dat zij beide, op hetzelfde oogenblik bezig
waren met naar hetzelfde voorwerp te kijken.
„Die minnaren,” zeide hij, „moeten zielen geweest zijn, die waarlijk in
staat waren om al de teederheid van den meest verheven der menschelijke
hartstogten te gevoelen.”
„Dat is best mogelijk,” hernam Partridge; „maar ik zou hen meer
benijden als zij ligchamen hadden, die niet gevoelig waren voor de
koude; want ik vries haast dood, en vrees zeer dat ik den top van mijn
neus kwijt zal wezen eer wij eene andere herberg bereiken. En waarlijk,
wij mogen wel een Godsoordeel over ons wachten, na onze dwaasheid om ’s
nachts weg te loopen uit een der beste herbergen waarin ik ooit den
voet gezet heb. Van mijn leven heb ik zooveel lekkers niet bij elkaar
gezien, en de grootste heer in het heele land kan het te huis niet
beter hebben dan daar. En dan zulk eene schuilplaats te verlaten en
hier rond te dwalen, de hemel weet waarheen,—per devia rura viarum! Ik
zeg niets; maar er zijn liefdelooze menschen genoeg in de wereld, die
daaruit opmaken zouden dat wij niet regt bij ons verstand zijn!”
„Foei, mijnheer Partridge,” riep Jones. „Houd maar goeden moed!
Herinner u dat wij den vijand te gemoet gaan, en gij zijt al bevreesd
voor een weinig koude? Maar ik wenschte ook wel dat wij een gids
hadden, om ons te zeggen, welken weg wij nu inslaan moeten.”
„Mag ik zoo vrij zijn u een raad aan te bieden?” vroeg Partridge:
„Interdum stultus opportune loquitur.”
„Nu?” zei Jones. „Welken weg zoudt gij aanraden?”
„Wel, geen van deze beide,” hernam Partridge. „De eenige weg dien wij
zeker weten te vinden, is de terugweg. Een flinke stap zal ons binnen
het uur weer naar Gloucester brengen; maar als wij voortgaan, dan weet
de drommel wanneer wij ergens aankomen zullen; want ik kan ten minste
vijftig mijlen ver zien zonder een enkel huis te ontdekken.”
„’t Is inderdaad een heel mooi gezigt van hier,” zei Jones; „en de
heldere maneschijn maakt het nog veel prachtiger. Maar wij zullen den
weg links inslaan, daar die regtstreeks schijnt te loopen naar die
heuvels, die men ons vertelde niet ver van Worcester zijn. En hier, als
gij er lust toe gevoelt, kunt gij mij verlaten en terugkeeren; want ik
heb vast besloten om verder te gaan.”
„Het is in het geheel niet lief van u, mijnheer, mij van zoo iets te
verdenken,” zei Partridge, „Wat ik u aanraadde was evenzeer om uwentwil
als om den mijne; en daar gij besloten hebt om verder te gaan, heb ik
ook besloten u te volgen. I prae, sequar te.”
Zij legden nu eenige mijlen af, zonder elkaar iets te zeggen, gedurende
welk stilzwijgen Jones dikwerf zuchtte en Benjamin even dikwerf
steunde, ofschoon om zeer verschillende redenen. Eindelijk bleef Jones
echter pal staan, en zich omkeerende, riep hij uit: „O Partridge, wie
zal zeggen of het schoonste meisje ter wereld de oogen nu niet
gevestigd heeft op die maan, welke ik nu aanschouw?”
„Dat is best mogelijk, mijnheer,” hernam Partridge, „en als mijne oogen
gevestigd waren op eene mooije ossenrib, dan kon, voor mijn part, de
drommel de maan halen, met hare horens er bij!”
„Heeft men ooit zulk een dolzinnig antwoord gehoord!” riep Jones.
„Vertel me toch Partridge: zijt ge ooit in uw leven vatbaar geweest
voor de liefde, of heeft de tijd alle herinnering daaraan uit uw
geheugen gewischt?”
„Helaas!” zuchtte Partridge; „het zou een geluk voor mij geweest zijn
als ik nooit de liefde gekend had. Infandum, regina jubes renovare
dolorem! Ja, zeker heb ik al de teederheid, al het verhevene, al het
bittere van dien hartstogt leeren kennen!”
„Was uwe beminde dan zoo wreed?” vroeg Jones.
„Ja, mijnheer; mijne beminde was zoo wreed,” hernam Partridge; „want
zij nam mij tot man en werd eene der lastigste vrouwen ter wereld. Dank
zij den hemel, zij is heengegaan, en als ik geloofde dat zij in de maan
was, volgens zeker boek, dat ik eens las en hetwelk beweert, dat de
maan de verblijfplaats is van de zielen der afgestorvenen, zou ik er
nooit naar kijken, uit vrees van haar te zien; maar, om uwentwil,
mijnheer, wenschte ik wel dat de maan een spiegel ware, en dat
mejufvrouw Sophia Western er nu vóór stond.”
„Mijn beste Partridge,” riep Jones, „welk eene heerlijke gedachte! Eene
gedachte, daar ben ik van overtuigd, die alleen in het brein van een
minnaar kon opkomen. O, Partridge, als ik maar hopen kon ooit haar
gelaat weêr te zien;—maar, helaas, die gouden droomen zijn vervlogen
voor altijd en mijne eenige toevlugt tegen toekomstige ellende, is om
het voorwerp dat mij vroeger zoo gelukkig maakte, te vergeten.”
„Wanhoopt gij er wezenlijk aan om jufvrouw Western ooit weer te zien?”
antwoordde Partridge. „Als gij mijn raad maar volgen wilt, sta ik u
borg dat gij haar niet slechts zien zult, maar dat gij haar ook in uwe
armen zult hebben.”
„O wek geene gedachten van dien aard op,” riep Jones; „ik heb al genoeg
moeten worstelen, eer ik zulke wenschen kon overwinnen.”
„Wel,” zei Partridge, „als gij niet wenscht uwe beminde in uwe armen te
zien, dan zijt gij werkelijk een wonderlijke soort van minnaar!”
„Kom, kom,” zei Jones, „laat ons van dit onderwerp afstappen. Maar,
welken raad wildet gij me geven?”
„Om het op zijn soldaatsch uit te drukken,” antwoordde Partridge, „daar
wij soldaten zijn: Regtsomkeert! Laten wij eenvoudig denzelfden weg
terugkeeren. Wij kunnen nog heden nacht Gloucester bereiken, hoe laat
ook, terwijl, indien wij verder gaan, voor zoo ver ik zien kan, wij
kans hebben om in het oneindige te loopen, zonder huis of afdak te
vinden.”
„Ik heb u al gezegd,” hernam Jones, „dat het mijn voornemen was om
verder te gaan; maar ga gij terug. Ik dank u voor uw gezelschap tot
hiertoe, en verzoek u een guinje te willen aannemen als een blijk
mijner dankbaarheid. Ja, het zou wreed van me wezen als ik u verder
liet gaan; want, om u de waarheid te zeggen, mijn hoofddoel en mijn
vurigst verlangen is om op eene eervolle wijze te sneuvelen in de
dienst van Koning en vaderland.”
„Wat uw geld betreft, mijnheer,” zei Partridge, „ik verzoek u zoo goed
te zijn het weêr te willen opsteken. Op dit oogenblik wil ik niets van
u hebben; want thans ben ik, naar ik meen, de rijkste van ons beiden.
En als gij vast besloten hebt om verder te gaan, dan heb ik ook vast
besloten om u te volgen. Ja, nu gij zulke wanhopige voornemens schijnt
te koesteren, is mijn bijzijn volstrekt noodzakelijk, om voor u te
zorgen; want ik verklaar u, dat mijne plannen veel voorzigtiger zijn.
Even als gij besloten hebt, als ge kunt, in den strijd te vallen, heb
ik even vast besloten, als ik het maar redden kan, geen schade te
lijden. En werkelijk, ik troost me met de hoop dat er slechts weinig
gevaar bestaan zal; want een Roomsche priester vertelde me een dag of
wat geleden, dat alles spoedig gedaan zou zijn, en, naar hij geloofde,
zonder dat het zelfs tot een slag kwam.”
„Men heeft mij wel eens verteld, dat men een Roomschen priester niet
altijd gelooven moet,” zei Jones, „als hij in het belang van zijne
godsdienst spreekt.”
„Ja maar,” hernam de andere, „verre van zijne godsdienst voor te
spreken, verzekerde hij mij dat de katholieken niet veel voordeel van
de verandering wachtten; want dat Prins Karel een even goed protestant
was als de beste in geheel Engeland, en dat niets dan achting voor het
regt, hem en de overige Roomschen tot Jakobieten maakte.”
„Ik geloof evenmin dat hij protestant is, als ik geloof dat hij eenig
regt op den troon heeft,” zei Jones, „en ik twijfel niet aan onzen
voorspoed;—maar, zonder slag of stoot zal het niet afloopen. Dus ben ik
niet zoo zeker van de zaak als uw vriend, de priester.”
„’t Is waar, mijnheer,” hernam Partridge, „dat er in al de profetiën
welke ik gelezen heb, sprake is van veel bloed, dat in dezen twist
vergoten zal worden, en de molenaar met de drie duimen, die nog leeft,
zal de paarden van drie koningen houden en tot de knieën in het bloed
staan. De hemel zij ons genadig en zende ons betere tijden!”
„Welken bespottelijken onzin hebt ge in het hoofd?” hernam Jones. „Dat
zal ook wel van den Roomschen priester komen? Monsters en wonderen zijn
de meest geschikte argumenten om eene monsterachtige en ongerijmde zaak
te verdedigen. De zaak van Koning George is de zaak der vrijheid en der
ware godsdienst. Met andere woorden, het is de zaak van het gezond
verstand, mijn jongen, en ik sta u er voor in, dat ze gelukken zal, al
stond Briareus met zijne honderd duimen zelf op, om molenaar te
worden.”
Hierop gaf Partridge geen antwoord. Hij was inderdaad in
verschrikkelijke verlegenheid geraakt door deze verklaring van Jones;
want, om den lezer een geheim te ontdekken, dat wij geen gelegenheid
hadden vroeger te openbaren, Partridge was in stilte een Jakobiet en
had meenen op te merken dat Jones tot dezelfde partij behoorde, en nu
op weg was om zich bij de opstandelingen te voegen. En deze meening was
niet van allen grond ontbloot; want de lange, ranke dame, door Hudibras
vermeld,—het veeloogige, veelmondige, veeloorige monster van
Virgilius,—had het verhaal van den twist tusschen den officier en Jones
met haar gewonen eerbied voor de waarheid verteld. Zij had alleen maar
den naam van Sophia in dien van den Pretendent veranderd, en had
verhaald, dat Jones den slag gekregen had, wegens het instellen van een
toast op dien vorst. Dit had Partridge vernomen en geloofde het ook.
Geen wonder dus dat hij bovengemelde meening omtrent Jones koesterde,
welke hij hem ook haast medegedeeld had, eer hij inzag hoe zeer hij
zich vergiste.
Dit zal den lezer te minder verwonderen, als hij zich de dubbelzinnige
bewoordingen herinnert, waarin de heer Jones eerst zijn besluit aan den
heer Partridge had medegedeeld, en inderdaad, al waren de woorden
duidelijker geweest, Partridge had ze best zoo kunnen uitleggen als hij
dat deed, daar hij overtuigd was dat het geheele volk, in zijn hart, er
ook zoo over dacht;—het deed hem ook niet wankelen in zijn gevoelen
omdat Jones in het gezelschap der krijgslieden gereisd had; want hij
dacht juist zoo over het leger als over alle andere menschen.
Maar hoe zeer hij ook ingenomen mogt wezen met Jakobus of Karel, was
hij toch nog meer ingenomen met den kleinen Benjamin; om welke reden
hij ook, zoodra hij begrepen had welke de grondbeginselen waren van
zijn medereiziger, goed vond de zijnen te verbergen en schijnbaar op te
offeren aan den man, die zijn fortuin zou maken, daar hij volstrekt
niet geloofde dat de zaak van Jones bij den heer Allworthy zoo wanhopig
was. Want, sedert hij die streken verlaten had, had hij eene geregelde
briefwisseling onderhouden met sommige zijner buren, en had veel
vernomen;—inderdaad, veel meer dan waar was, van de groote liefde,
welke de heer Allworthy den jongeling toedroeg, die, gelijk men
Partridge gemeld had, de erfgenaam zou worden van dien heer, voor wiens
zoon hij hem ook stellig hield.
Hij verbeeldde zich dus, dat om welke reden zij ook getwist hadden, de
zaak zeker bijgelegd zou worden bij den terugkeer van Jones, eene
gebeurtenis waarvan hij zich groote voordeelen beloofde, als hij maar
gebruik maakte van deze gelegenheid om de gunst van den jongeling te
verwerven;—en als hij, op de eene of andere wijze zijn terugkeer naar
huis kon bewerken, twijfelde hij niet, zoo als wij reeds gezegd hebben,
of dit zou hem groote verdiensten geven in de oogen van den heer
Allworthy.
Wij hebben al opgemerkt, dat hij een zeer goedaardig mensch was, en hij
heeft zelf verklaard hoe vurig hij gehecht was aan den persoon en aan
het karakter van Jones; maar het is mogelijk, dat de inzigten, welke ik
pas vermeld heb, eenigzins er toe bijdroegen om hem deel te doen nemen
aan dezen togt,—of ten minste, om hem aan te moedigen te volharden,
nadat hij ontdekt had dat zijn heer en hij (even als sommige
voorzigtige vaders en zonen), hoewel zij vriendschappelijk met elkaar
omgingen, in de staatkunde verschillende partijen omhelsd hadden.
Ik ben tot dit vermoeden gekomen, door de opmerking, dat hoewel liefde,
vriendschap, hoogachting en dergelijke, zeer veel uitwerken bij den
mensch, het eigenbelang een spoorslag is, die zelden vergeten wordt
door verstandige lieden, als zij anderen tot hunne doeleinden willen
doen medewerken. Dit is inderdaad een heerlijk middel, en even als de
pillen van Ward, vliegt het dadelijk naar dat gedeelte van het
ligchaam, waarop men werken wil,—onverschillig of het de tong, de hand
of eenig ander ligchaamsdeel zij,—waar het ook bijna altijd dadelijk de
meest gewenschte uitwerking heeft.