BEVATTENDE BETERE REDENEN DAN TOT DUSVER GEBLEKEN ZIJN VOOR HET GEDRAG
VAN PARTRIDGE;—EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ZWAKHEID VAN JONES, EN
NOG ENKELE ANEKDOTEN OMTRENT DE WAARDIN.
Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij
naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen
van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit
op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging
over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy
zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit
zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte
dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat
deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der
dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders
huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den
jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende
den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren
toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts
geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd
had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien
uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid
jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet
begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en
eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte
ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en
welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor
onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de
menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere
liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan
eene andere beweegreden toe te schrijven.
Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer
naar huis terug te keeren, dan twijfelde hij niet dat hij weder in
genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim
beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats
weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte
dan de arme Partridge.
Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de
andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door
liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een
berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de
geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er
zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van
deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige
ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het
genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op
verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in
ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en
beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen
is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die
van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is,
zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om
zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de
natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen
te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te
verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden
welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te
minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.
Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap
van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever
de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een
aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar
op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in
huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken
met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard
ook, in te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot
gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer
klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd
had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door
de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert
lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke
reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van
mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke
vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare
tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne
zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van
de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche
worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.
’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een
kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.
„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien
heer, naar ik zie.”
„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n
zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis
bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet
gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”
„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel
fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke
heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben.
Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”
„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”
„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt
te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog
doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen
zien!”
„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.
„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als
hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”
„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb
zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”
„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw
over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift
gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet,
om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik
ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch
nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten
had.”
Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde;
want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij
kon, de kamer uit.
Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe
langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit
verhaal vermeld te worden.
’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de
reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want
behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker.
Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden
bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones
voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen
huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die
niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.
De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en
het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening
dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen
verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons
eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de
groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit
iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het
alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten
tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen
als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun
alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde
neêrkomt.
Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met
Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich
verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd
deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet
hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de groote
luî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk
zelven tot de groote wereld behoorden.