HOOFDSTUK VII.

BEVATTENDE BETERE REDENEN DAN TOT DUSVER GEBLEKEN ZIJN VOOR HET GEDRAG

VAN PARTRIDGE;—EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ZWAKHEID VAN JONES, EN

NOG ENKELE ANEKDOTEN OMTRENT DE WAARDIN.

Hoewel Partridge een der bijgeloovigste der menschen was, zou hij

naauwelijks verlangd hebben om Jones te vergezellen alleen om redenen

van de bank en de merrie, en in de hoop om deel te hebben aan den buit

op het slagveld gemaakt. Maar wezenlijk, toen Partridge nadenken ging

over het verhaal van Jones, kon hij niet gelooven dat de heer Allworthy

zijn zoon (want hij was overtuigd dat Jones diens zoon was) de deur uit

zou zetten om eene van die redenen, welke aangevoerd waren. Hij maakte

dus uit alles op, dat het verhaal van Jones geheel verdicht was, en dat

deze, die hij van zijne correspondenten gehoord had, een der

dolzinnigste jongens in de omstreken was, wezenlijk uit zijn vaders

huis weggeloopen moest zijn. Hij verbeeldde zich dus dat als hij den

jongeling overhalen kon tot zijn vader terug te keeren, hij zoodoende

den heer Allworthy eene dienst zou bewijzen, welke diens vroegeren

toorn zou uitwisschen;—hij geloofde zelfs dat die toorn slechts

geveinsd was en dat Allworthy hem aan zijn eigen goeden naam opgeofferd

had. En deze verdenking grondde hij op het liefderijke gedrag van dien

uitstekenden man jegens den vondeling;—op diens groote gestrengheid

jegens hem (Partridge), die wetende dat hij zelf onschuldig was, niet

begrijpen kon dat iemand anders hem voor schuldig kon houden,—en

eindelijk, op de geldelijke ondersteuning, welke hij in stilte

ontvangen had lang nadat hij openlijk daarvan beroofd was geworden; en

welke hij beschouwde als eene soort van rouw-geld, of vergoeding voor

onregtvaardigheid;—want het geschiedt zeer zelden, geloof ik, dat de

menschen de weldaden welke zij ontvangen op rekening der zuivere

liefdadigheid stellen, als zij maar de mogelijkheid inzien, om ze aan

eene andere beweegreden toe te schrijven.

Kon hij dus op de eene of andere wijze den jongeling overhalen om weer

naar huis terug te keeren, dan twijfelde hij niet dat hij weder in

genade zou opgenomen worden door den heer Allworthy, en bovendien ruim

beloond worden voor zijne moeite,—ja, en zelfs zijne geboorteplaats

weer kunnen bewonen,—een geluk waarnaar Ulysses zelf niet meer snakte

dan de arme Partridge.

Wat Jones betreft, hij was overtuigd van de waarheid van hetgeen de

andere beweerd had, en geloofde dat Partridge alleen bezield was door

liefde tot hem en door ijver voor de goede zaak. Dit was een

berispenswaardig gebrek aan voorzigtigheid en aan wantrouwen aan de

geloofwaardigheid van anderen, dat zeer te laken was. En werkelijk, er

zijn slechts twee wijzen, waarop de menschen in het bezit komen van

deze schoone hoedanigheid:—de eerste is door de langdurige

ondervinding; de andere—door de natuur;—welke laatste men dikwerf „het

genie” noemt, of „groote aangeborene gaven,”—en deze is van beide op

verre na de verkieselijkste, niet alleen omdat wij ze veel vroeger in

ons leven meester worden, maar omdat ze veel onfeilbaarder en

beslissender is; want een man, die door nog zoo vele anderen bedrogen

is, mag hopen om anderen te vinden die eerlijker zijn; terwijl hij, die

van zijn hart zekere waarschuwingen ontvangt, dat dit onmogelijk is,

zeer weinig verstand moet bezitten als hij zich er aan blootstelt om

zelfs ééns bedrogen te worden. Terwijl Jones deze gave niet van de

natuur bezat, was hij ook te jong om ze door de ondervinding verkregen

te hebben; want de wantrouwende wijsheid, langs dezen weg te

verkrijgen, bereiken wij meestal heel laat in het leven;—om welke reden

welligt sommige oude lieden geneigd zijn het verstand van diegenen te

minachten die iets jeugdiger zijn dan zij zelven.

Jones bragt het grootste gedeelte van dezen dag door in het gezelschap

van eene nieuwe kennis;—dit was niemand anders dan de waard,—of liever

de man van de waardin. Hij was pas onlangs naar beneden gekomen, na een

aanval van jicht, om welke ziekte hij gewoonlijk de helft van het jaar

op zijne kamer moest blijven, terwijl hij de andere helft sleet met in

huis rond te slenteren, zijne pijp te rooken en zijne flesch te drinken

met zijne vrienden, zonder zich in het minst met zaken, van welken aard

ook, in te laten. Hij was, zooals men het noemde, „fatsoenlijk” groot

gebragt; dat wil zeggen,—tot geen beroep hoegenaamd, en had een zeer

klein vermogen,—dat hij van een oom, een nijveren pachter, geërfd

had,—met jagen, wedrennen en hanen-gevechten doorgebragt, en was door

de waardin tot zekere doeleinden als man genomen,—terwijl hij sedert

lang niet meer in staat was aan hare verwachtingen te voldoen; om welke

reden zij hem ook opregt haatte. Daar hij echter een ruw soort van

mensch was, moest zij zich vergenoegen met veelvuldige hatelijke

vergelijkingen tusschen hem en haren eersten man, van wiens lof hare

tong overvloeide, en daar zij grootendeels over de winsten van hunne

zaak kon beschikken, berustte zij er in om de zorgen en het bestier van

de huishouding op zich te nemen, en na eene lange, vergeefsche

worsteling, haren man zijn eigen zin te laten volgen.

’s Avonds, toen Jones naar zijne slaapkamer ging, ontstond er een

kleine twist over hem tusschen dit liefderijke paar.

„Zoo!” zei de vrouw; „ge zijt weêr aan ’t drinken geweest met dien

heer, naar ik zie.”

„Ja,” hernam de man; „we hebben zamen eene flesch geledigd. ’t Is ’n

zeer fatsoenlijk jong mensch, die ook een heele boel paardenkennis

bezit. Maar jong is hij en veel van de wereld heeft hij nog niet

gezien; want ik geloof dat hij nog nooit op een wedren geweest is.”

„O zoo? ’t Is me er een, die naar u aardt!” riep de vrouw. „Hij zal wel

fatsoenlijk man wezen! als hij van wedrennen houdt! De Satan hale zulke

heeren! Ik weet wel dat ik wenschte er nooit iets van gezien te hebben.

Ik heb waarlijk reden om van die paardenliefhebbers te houden!”

„Ja, dat is waar,” zei de man; „want ik was er een, weet ge?”

„Ja,” riep zij, „gij zijt me een lievert! Zoo als mijn eerste man plagt

te zeggen, ik kan al het goed, dat ik van u ooit kreeg, in mijn oog

doen, zonder gevaar te loopen van zoodoende iets minder goed te zullen

zien!”

„De drommel hale jou eersten man!” riep hij.

„Verwensch geen beteren man dan gij zijt,” antwoordde de vrouw. „Als

hij in leven ware, zoudt ge dat niet durven doen.”

„Gelooft ge dan, dat ik banger ben dan gij?” vroeg hij. „Want ik heb

zelf dikwerf gehoord hoe gij hem vloektet!”

„Als ik dat ooit deed,” zeide zij, „heb ik er dikwerf genoeg berouw

over gehad. En als hij de goedheid had een woord of wat, in drift

gesproken, te vergeven, dan betaamt het zoo’n mensch als gij zijt niet,

om mij er mede te sarren. Hij was wezenlijk een man voor mij, en als ik

ooit in de drift een kwaad woord of wat gebruikte, noemde ik hem toch

nooit schelm;—ik zou gelogen hebben, als ik hem een schelm geheeten

had.”

Zij voegde nog een heelen boel hierbij, dat hij echter niet hoorde;

want na zijne pijp opgestoken te hebben, waggelde hij, zoo snel hij

kon, de kamer uit.

Wij zullen dus niets meer van hare redevoering weêrgeven, daar die hoe

langer zoo meer een onderwerp naderde, dat te onkiesch is om in dit

verhaal vermeld te worden.

’s Morgens vroeg verscheen Partridge naast het bed, gereed voor de

reis, met den randsel op den rug. Dit stuk was zijn eigen werk, want

behalve zijne overige bedrijven, was hij ook een handige kleermaker.

Hij had reeds zijn geheelen voorraad linnengoed, uit vier hemden

bestaande, er in gestopt, waarbij hij nu acht van den heer Jones

voegde, en daarop het valies oppakkende, wilde hij het naar zijn eigen

huis brengen, toen hij onderweg door de waardin tegengehouden werd, die

niets wilde laten wegbrengen, tot hare rekening voldaan was.

De waardin, gelijk wij gezegd hebben, heerschte onbepaald in huis en

het was noodig zich aan hare wetten te houden; dus werd de rekening

dadelijk uitgeschreven, tot een veel hooger bedrag dan men had kunnen

verwachten na het onthaal door Jones genoten. En dit noodzaakt ons

eenige der stelregels te openbaren, welke de logementhouders als de

groote mysteriën van hun beroep beschouwen. De eerste is, als zij ooit

iets goeds in huis hebben (wat slechts zeer zelden het geval is), het

alleen te geven aan menschen die met een grooten omslag rondreizen. Ten

tweede: om de allerslechtste levensmiddelen even duur te laten betalen

als de beste. En eindelijk, als de gasten slechts weinig bestellen, hun

alles dubbel te laten betalen, zoodat het bedrag per hoofd op hetzelfde

neêrkomt.

Zoodra de rekening opgemaakt en betaald was, vertrok Jones met

Partridge, die den randsel droeg, zonder dat de waardin zich

verwaardigde hem goede reis te wenschen; want, naar het schijnt, werd

deze herberg door menschen van hoogen stand bezocht, en ik weet niet

hoe het komt, maar al diegenen die den kost verdienen door de groote

luî, worden even onbeschoft tegen andere menschen, alsof zij werkelijk

zelven tot de groote wereld behoorden.

Tom Jones · 第 143 / 340 题