HOOFDSTUK VI.

WAARIN DE BEGAAFDHEDEN VAN DEN HEER BENJAMIN ZIGTBAAR WORDEN;—ALSMEDE

WIE DEZE BUITENGEWONE MENSCH EIGENLIJK WAS.

’s Morgens werd Jones eenigzins ongerust over het wegblijven van den

dokter, daar hij vreesde voor eenig ongemak, of zelfs gevaar, bij het

verbinden zijner wonde; hij vroeg dus den knecht, welke andere

heelmeesters er in de buurt te vinden waren. De knecht vertelde hem dat

er één vlak in de nabijheid woonde; maar dat hij dikwerf gezien had dat

hij zijne diensten weigerde als men eerst iemand anders ingeroepen had;

„maar, mijnheer,” voegde hij er bij, „als gij mijn raad volgen wilt,

geloof me dat er in het heele land geen mensch is die u beter helpen

kan, dan de barbier, die gisteren avond hier was. Wij allen beschouwen

hem als een der knapste menschen om eene snede te behandelen, die in

den omtrek te vinden is. Want, hoewel hij pas eene maand of drie hier

is, heeft hij reeds eenige verbazende genezingen gedaan.”

De knecht werd er nu op uitgezonden om den kleinen Benjamin te halen,

die verwittigd van het vak, tot welks beoefening hij nu geroepen werd,

zich dienovereenkomstig voorbereidde en dadelijk bij Jones ging, echter

met zulk een verschil in zijn uiterlijk en zijne houding van die,

waarmede hij met het scheerbekken onder den arm verscheen, dat men hem

ter naauwernood herkend zou hebben.

„Zoo, mijnheer de barbier!” zei Jones; „ik zie dat ge meer dan één

beroep uitoefent; hoe komt het dat ge me dit niet verteldet gisteren

avond?”

„Van heelmeester zegt men vak en niet beroep,” antwoordde Benjamin met

den meesten ernst. „Ik vertelde u gisteren avond niet, dat ik de

heelkunst beoefende, omdat ik begreep dat gij onder de behandeling van

iemand anders waart, en ik er niet van houd mijne collegas in hun vak

te benadeelen. Ars omnibus communis. Maar nu, mijnheer, met verlof, zal

ik naar uw hoofd zien, en als ik u in den schedel gekeken heb, zal ik u

zeggen wat ik van uw geval denk.”

Jones stelde niet heel veel vertrouwen in dezen nieuwen geneesheer;

evenwel liet hij toe dat hij het verband opligtte, en naar de wond

keek, waarop Benjamin begon te steunen en geweldig het hoofd te

schudden. Jones beval hem nu gemelijk, om niet meer voor gek te spelen,

maar om hem dadelijk te zeggen, wat zijn toestand was.

„Moet ik als vriend of als heelmeester antwoorden?” vroeg Benjamin.

„Als vriend, en zonder gekheid,” zei Jones.

„Dan, op mijn woord,” riep Benjamin, „zou het eene groote inspanning

voor de kunst wezen, om u, na een paar nieuwe verbanden, te beletten

heel wel te blijven, en als gij me wat van mijn zalf wilt laten

gebruiken, sta ik u borg voor den goeden uitslag.”

Jones stemde hierin toe, en de pleister werd op de wond gelegd.

„Daar, mijnheer!” riep Benjamin, „en nu, met uw goedvinden, zal ik

wezen zoo als ik vroeger was; maar de mensch moet eenigen schijn van

deftigheid aannemen bij dergelijke operatiën, of men zou er voor

bedanken zich door hem te laten behandelen. Ge kunt u niet verbeelden,

mijnheer, van hoeveel belang het is dat men in een ernstig karakter ook

een ernstig uiterlijk vertoont. Een barbier moge uwen lachlust

opwekken; maar een heelmeester moest u eerder tot tranen bewegen.”

„Mijnheer de barbier, of mijnheer de chirurgijn, of mijnheer de

barbier-chirurgijn—” begon Jones.

„O, waarde heer,” viel de andere hem in de rede, „Infandum, regina,

jubes renovare dolorem! Gij herinnert mij aan de wreede scheiding der

twee broederschappen, die zoo nadeelig werkte op beide

ligchamen,—gelijk altijd het geval moet wezen,—volgens het oude

spreekwoord „vis unita fortior,”—wat wel een stuk of wat heeren van

beide beroepen niet in staat zouden zijn te vertolken. Maar het was een

zware slag voor mij, die beide beroepen in mijn persoon

vertegenwoordigen kan!”

„Nu, hoe ge u ook verkiest te noemen,” hervatte Jones, „zeker is het,

dat ge een der koddigste, aardigste menschen zijt, die ik ooit gezien

heb, en ge moet wel een zonderlingen levensloop gehad hebben, welken ge

bekennen zult dat ik eenigzins aanspraak heb te vernemen.”

„Dat beken ik gaarne,” hernam Benjamin, „en zal ik u er gaarne mede

bekend maken, als gij den tijd daarvoor vinden kunt; want ik waarschuw

u dat het nog al lang is.”

Jones verzekerde hem dat hij nooit meer leegen tijd zou hebben dan op

dat oogenblik.

„Best!” zei Benjamin; „dan zal ik aan uwe wenschen voldoen. Maar eerst

zal ik de deur sluiten, ten einde wij door niemand gestoord worden.”

Dit deed hij, en daarop Jones op eene plegtige wijze naderende, zeide

hij: „Ik moet beginnen met u te vertellen, mijnheer, dat gij zelf mijn

ergste vijand zijt geweest!”

Jones schrikte eenigzins bij deze verklaring.

„Ik zou uw vijand zijn, mijnheer!” riep hij, terwijl hij zijne

verbazing en verontwaardiging in zijne blikken toonde.

„Maak u maar niet boos op mij, mijnheer,” smeekte Benjamin; „want ik

verzeker u dat ik niet boos op u ben. Gij zijt er geheel en al

onschuldig aan, als gij mij benadeeld hebt; want gij waart toen slechts

een zuigeling; maar ik zal dit raadsel voor u oplossen door u mijn naam

te zeggen. Hebt gij, mijnheer, nooit van zekeren Partridge gehoord, die

de eer had van uw vader te heeten, en die het ongeluk had door die eer

te grond gerigt te worden?”

„Ik heb wel inderdaad Partridge hooren noemen,” zei Jones, „en geloofde

altijd dat ik diens zoon was.”

„Nu, mijnheer,” hernam Benjamin, „die Partridge ben ik; maar hier

spreek ik u plegtig vrij van alle kinderlijke pligten; want ik verzeker

u, dat gij mijn zoon niet zijt.”

„Hoe?” riep Jones, „en zou het mogelijk zijn dat eene verkeerde

verdenking u al de rampen berokkend heeft, die mij zoo goed bekend

zijn?”

„Mogelijk is het,” hernam Benjamin: „want het is geschied; maar hoewel

het tamelijk natuurlijk is in den mensch dat hij zelfs de onschuldige

aanleiding tot zijn ongeluk zou haten, ben ik van anderen aard. Ik heb

steeds van u gehouden sedert ik van uw gedrag hoorde ten opzigte van

den Zwarten George, zoo als ik u reeds gezegd heb en ik ben overtuigd,

door deze wonderbaarlijke ontmoeting, dat gij toch geboren zijt om mij

op den duur alles te vergoeden wat ik om uwentwil geleden heb.

Bovendien, droomde ik, den nacht eer ik u ontmoette, dat ik over eene

bank gevallen was, zonder mij te bezeren, wat een duidelijk blijk was

van iets goeds dat mij wachtte, en gisteren nacht weer droomde ik dat

ik achter u reed op eene melkwitte merrie, wat een uitmuntende droom

is, en veel geluk voorspelt, dat ik besloten heb ook na te jagen,

tenzij gij de wreedheid hebt het mij niet te vergunnen.”

„Ik zou me zeer verheugen, mijnheer Partridge, als het in mijn vermogen

ware, u uw lijden om mijnentwil te vergoeden;” zei Jones; „evenwel zie

ik, voor het oogenblik, daar weinig kans op. Maar ik verzeker u dat ik

u niets zal weigeren, waartoe ik in staat ben.”

„Het is zeker in uw vermogen,” hernam Benjamin, „om mij nu te helpen;

want al wat ik wensch, is om u op dezen togt te mogen vergezellen. Ja,

ik ben daar zoo zeer op gesteld, dat als gij het mij weigert, gij met

één slag een barbier en een heelmeester dooden zult.”

Jones hernam met een glimlach, dat het hem zeer spijten zou het publiek

op die wijze te benadeelen; maar haalde tevens vele wijze redenen aan

om Benjamin (dien wij voortaan Partridge zullen noemen), van zijn

voornemen te doen afzien; maar te vergeefs. Partridge bouwde te veel op

den droom van de melkwitte merrie.

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „ik verzeker u dat ik voor de goede

zaak evenzeer ijver als de beste, en gaan zal ik, of gij mij in uw

gezelschap laat gaan, of niet.”

Jones, die evenzeer met Partridge ingenomen was als deze wel met hem

ingenomen kon zijn, en die niet zijne eigene wenschen, maar het welzijn

van den andere geraadpleegd had, toen hij hem ried om te huis te

blijven, gaf eindelijk zijne toestemming, toen hij zag hoe standvastig

zijn vriend bleef; maar zich bedenkende, zeide hij:

„Misschien verbeeldt gij u, mijnheer Partridge, dat ik u den onderhoud

zal kunnen geven;—maar dat is wezenlijk niet het geval,” en de beurs te

voorschijn halende, telde hij hem negen guinjes voor, welke, zoo als

hij verklaarde, zijn geheel vermogen uitmaakten.

Partridge hernam, „dat hij alleen rekende op zijne gunst in latere

tijden; want hij hield zich verzekerd, dat hij binnen kort genoeg in

handen zou hebben. Thans, mijnheer,” zeide hij, „geloof ik eenigzins de

rijkste van ons beiden te wezen; maar al wat ik heb, staat tot uwe

dienst en beschikking. Ik sta er op dat gij over het geheel beschikt,

en ik vraag alleen om u als dienaar te volgen. „Nil desperandum est

Teucro duce et auspice Teucro.””

Maar Jones wilde zich in het geheel niet onderwerpen aan dit edele

aanbod omtrent het geld.

Zij besloten nu den volgenden morgen te vertrekken, toen zich een

bezwaar voordeed met de bagage; want het valies van den heer Jones was

te groot, om zonder paard vervoerd te worden.

„Als ik het wagen mogt u een raad te geven,” zei Partridge, „zou ik

voorstellen om het valies met alles er in, behalve wat linnen-goed—,

achter te laten. Dat kan ik gemakkelijk voor u dragen en uwe overige

kleêren kunnen veilig geborgen blijven in mijn huis.”

Dit voorstel werd dadelijk aangenomen, en de barbier vertrok om alles

gereed te maken voor den naderenden togt.

Tom Jones · 第 142 / 340 题