EEN GESPREK TUSSCHEN DEN HEER JONES EN DEN BARBIER.

Dit gesprek viel gedeeltelijk voor terwijl Jones in zijn hok zat te

eten, gedeeltelijk terwijl hij op de kamer op den barbier zat te

wachten. En zoodra het afgeloopen was, ging de heer Benjamin, gelijk

wij gezegd hebben, bij hem, en werd zeer vriendelijk verzocht plaats te

nemen. Jones schonk toen de glazen in en dronk op zijn welzijn, hem als

„doctissime tonsorum” aansprekende.

„Ago tibi gratias, domine!” hernam de barbier, en daarop Jones strak

aankijkende, vroeg hij hem zeer ernstig, en schijnbaar met groote

verwondering, alsof hij zich herinnerde zijn gezigt vroeger gezien te

hebben:

„Mijnheer, mag ik zoo vrij wezen, te vragen of gij Jones heet?” Wat de

andere bevestigde.

„Proh deum atque hominum fidem!” riep de barbier; „er gebeuren toch

vreemde dingen in de wereld! Mijnheer Jones, ik ben uw onderdanige

dienaar! Ik zie dat gij mij niet herkent, wat inderdaad, niet vreemd

is, daar ge me slechts eenmaal van uw leven gezien hebt, en dat was in

uwe teederste jeugd! Mag ik vragen, mijnheer, hoe de goede heer

Allworthy het maakt, ille optimus omnium patronus?”

„Naar ik zie,” hernam Jones, „kent gij mij inderdaad; maar ik heb het

geluk niet mij u te herinneren,—”

„Dat verwondert me niet,” riep Benjamin; „maar het verwondert mij toch

dat ik u niet dadelijk herkende; want gij zijt in ’t geheel niet

veranderd. En mag ik, mijnheer, zonder onbescheidenheid, vragen,

waarheen gij dezen kant uit reist?”

„Schenk u maar in, mijnheer de barbier,” hernam Jones, „en doe geene

onbescheidene vragen.”

„Neen, mijnheer,” antwoordde Benjamin, „ik wilde u in geen geval lastig

vallen; en ik hoop dat gij mij niet voor onbescheiden zult houden; want

dat is eene ondeugd, waarvan niemand mij betichten kan;—maar ik vraag u

wel excuus; want als een mijnheer van uw stand zonder zijne knechts

rondtrekt, mogen wij wel veronderstellen, dat hij, gelijk men zegt, in

casu incognito is, en misschien had ik uw naam niet eens moeten

noemen.”

„Ik beken,” zei Jones, „dat ik niet gedacht had in deze streken zoo

goed bekend te zijn als het geval schijnt te wezen;—en, om bijzondere

redenen, zou ik me zeer verpligt rekenen, als ge verder mijn naam, tot

na mijn vertrek, verzwijgen wilt.”

„Pauca verba!” hernam de barbier; „ik wilde dat er niemand hier was dan

ik, die u kende; want sommige menschen kunnen het babbelen niet laten;

maar ik beloof u dat ik een geheim weet te bewaren. Die deugd moeten

mij zelfs mijne vijanden laten.”

„En toch is die volstrekt niet het kenmerk van uw beroep,” hernam

Jones.

„Helaas, mijnheer,” zuchtte Benjamin: „non si male nunc et olim sic

erat. Ik verzeker u, dat ik niet als barbier geboren of groot gebragt

werd. Ik heb veel tijd onder fatsoenlijke lieden gesleten, en al zeg ik

het zelf, ik weet wat fatsoen is. En als gij mij uw vertrouwen even

waardig gekeurd hadt als sommige andere menschen, zou ik u bewezen

hebben dat ik uw geheim beter wist te bewaren;—ik zou uw naam niet in

de keuken van eene herberg door den modder gehaald hebben; want,

wezenlijk, mijnheer, er zijn sommige menschen die u niet goed behandeld

hebben; want, behalve dat zij alle openlijk verkondigd hebben, wat gij

hun verteld hebt van een twist tusschen u en mijnheer Allworthy,

voegden zij er leugens bij van hun eigen,—leugens, die ik als zoodanige

herkende.”

„Dat verwondert me zeer,” riep Jones.

„Op mijn woord, mijnheer,” hernam Benjamin, „ik zeg u meer noch minder

dan de algeheele waarheid;—en ik behoef er niet bij te voegen dat ik

van de waardin spreek. Ik verzeker u dat het me aandeed haar verhaal te

hooren, en ik hoop dat het alles onwaar is; want, ik betuig u dat ik

veel eerbied voor u koester, en dat heb ik steeds gedaan sedert uwe

goedheid ten opzigte van den Zwarten George, wat in het heele

graafschap bekend is, en waarover ik meer dan één brief ontvangen heb.

Inderdaad, dat heeft u algemeen bemind gemaakt. Ge zult het me dus

vergeven, dat ik u uit zuivere belangstelling eenige vragen deed; want

alles wat naar onbeschofte nieuwsgierigheid zweemt, is mij

onbekend;—maar ik houd van goedhartigheid,—en van daar amoris

abundantia erga te.”

Als men ongelukkig is, vindt iedere vriendschapsbetuiging gemakkelijk

ingang;—geen wonder dus, dat Jones, die behalve dat hij zich zeer

ongelukkig gevoelde, bijzonder openhartig was, zeer gereedelijk alle

betuigingen van Benjamin aanhoorde, en hem tot zijn hart nam.

De Latijnsche brokken, sommigen van welke Benjamin niet onaardig te pas

bragt, hoewel ze geene groote geleerdheid deden blijken, schenen toch

iemand te verraden die meer was dan een gewoon barbier;—en dit was

inderdaad het geval met zijne geheele houding. Jones geloofde dus aan

de waarheid van al hetgeen hij gezegd had ten opzigte van zijne

vroegere opvoeding, en na veel smeekens, zeide hij eindelijk:

„Daar gij, vriend, zooveel omtrent mij reeds vernomen hebt, en ge zoo

begeerig schijnt achter de waarheid te komen, als ge wat geduld wilt

hebben, zal ik u alles mededeelen.”

„Geduld!” riep Benjamin. „Ja, en al hadt gij mij nog zoo veel te

vertellen! En ik ben u zeer verpligt voor de eer welke gij mij

bewijst.”

Jones begon nu en vertelde zijne geheele geschiedenis, slechts een paar

omstandigheden overslaande, namelijk alles wat er gebeurd was op dien

dag toen hij met Thwackum gevochten had,—en hij eindigde met zijn

besluit te vermelden om op zee te varen, tot de opstand in Schotland

hem van plan had doen veranderen en hem daarheen gebragt had, waar hij

zich nu bevond.

De kleine Benjamin, die zeer oplettend was geweest, viel hem in het

geheel niet in de rede; maar toen het verhaal uit was, kon hij niet

nalaten op te merken, dat er zeker iets was dat door zijne vijanden

bedacht zijn moest, en dat den heer Allworthy tegen hem ingenomen had,

of dat zulk een goed mensch nooit iemand, dien hij zoo lief had gehad,

op die wijze weggejaagd zou hebben.

Hierop hernam Jones, „dat hij er niet aan twijfelde dat men dergelijke

schandelijke kunsten gebruikt had om hem te grond te rigten.”

En, wezenlijk, het was naauwelijks mogelijk voor wien ook, om niet

dezelfde opmerking te maken als de barbier,—die van Jones geene enkele

omstandigheid had gehoord, waarvoor men hem veroordeelen kon; want

zijne handelingen waren nu niet in het schandelijke licht geplaatst,

waarin ze aan den heer Allworthy voorgesteld werden;—hij kon ook de

valsche beschuldigingen, welke van tijd tot tijd tegen hem ingebragt

werden, niet opsommen;—want zelf had hij er niets van vernomen. Hij

had, gelijk wij gezien hebben, vele belangrijke zaken in zijn verhaal

uitgelaten. Inderdaad, alles scheen voor Jones in zulk een gunstig

licht, dat de kwaadaardigheid zelve moeite zou gehad hebben hem van

iets te betichten.

Niet dat Jones zelf eenig voornemen koesterde om de waarheid te

verbergen of te vermommen. Neen: hij zou liever zelf de schande

gedragen hebben van slecht gehandeld te hebben, dan den heer Allworthy

te hooren berispen omdat hij hem onverdiend gestraft had;—maar toch was

het gebeurd,—en zoo zal het steeds gebeuren,—dat de eerlijkste man, van

zijn eigen gedrag sprekende, in weerwil van zich zelven, zulk een

gunstig verslag zal geven, dat zijne ondeugden gezuiverd over zijne

lippen komen, en als onreine vochten, door de zeef gegoten, al wat vuil

is, achterlaten. Want hoewel de feiten zelve vermeld mogen worden,

zullen de beweegredenen, omstandigheden en gevolgen zoo zeer

verschillen, naarmate een mensch zelf, of zijn vijand ze beschrijft,

dat wij ze naauwelijks herkennen zouden.

Hoewel de barbier met gretige ooren naar het verhaal geluisterd had,

was hij nog niet voldaan. Er was ééne omstandigheid verzwegen, zonder

welke zijne nieuwsgierigheid hoe gering die ook was, niet rusten kon.

Jones had zijne verliefdheid vermeld, en dat hij de mededinger was van

Blifil; maar hij had den naam der dame zorgvuldig verzwegen. Dus, na

eenige aarzeling, smeekte de barbier, zich verontschuldigende dat hij

die vrijheid nam, om den naam te mogen weten van de dame, die de

voornaamste aanleiding scheen te zijn tot al deze rampen. Jones zweeg

een oogenblik en zeide daarop:

„Daar ik u al zoo ver vertrouwd heb, en naar ik vrees, haar naam reeds

nu te veel genoemd is bij deze gelegenheid, zal ik hem voor u niet

verbergen. Zij heet Sophia Western.”

„Proh deum atque hominum fidem! Heeft mijnheer Western al eene

volwassene dochter?”

„Ja,” riep Jones, „en een meisje dat hare weêrga hier op aarde niet

heeft. Nooit heeft het menschelijk oog zoo iets schoons gezien;—maar

dat is hare minste deugd. Haar verstand! Hare goedheid! O ik zou haar

eene eeuwigheid lang kunnen roemen en toch de helft harer deugden

vergeten.”

„Mijnheer Western eene volwassene dochter!” riep weer de barbier; „ik

herinner me den vader nog als jongen! Wel! ’t is waar: Tempus edax

rerum!”

Daar de wijn nu op was, drong de barbier er sterk op aan, om zelf eene

flesch te mogen schenken; maar Jones weigerde dit zeer stellig,

zeggende, „dat hij reeds meer had gedronken, dan hem geleek, en dat hij

nu liefst naar zijne kamer zou gaan, waar hij gaarne het een of ander

boek zou willen hebben.”

„Een boek!” riep Benjamin. „Welk boek? Latijn of Engelsch? Ik heb er

enkele heel mooije in beide talen. Bij voorbeeld, de Colloquia van

Erasmus;—Ovidius, de Tristibus;—de Gradus ad Parnassum en in het

Engelsch heb ik sommige der beste werken, hoewel die wat gehavend zijn.

Zoo heb ik het grootste gedeelte van de Kronijken van Stowe; het zesde

deel van den Homerus van Pope; het derde deel van den Spectator; het

tweede deel van Echard’s Romeinsche geschiedenis, Robinson Crusoe, de

volmaakte Handwerksman, Thomas-à-Kempis,—en twee deelen van de werken

van Thomas Brown.”

„Van die laatsten heb ik nooit iets gelezen,” zei Jones; „wees dus zoo

goed mij een van die deelen te leenen.”

De barbier verzekerde hem dat ze hem zeer vermaken zouden; want hij

hield den schrijver voor een der geestigste menschen, die het Engelsche

volk ooit voortgebragt had. Hij liep daarop naar zijne woning, vlak in

de buurt, en keerde spoedig met het boek terug, waarna hem ten

strengste bevolen werd door Jones alles te verzwijgen, wat hij ook

plegtig zwoer, en de barbier ging naar huis en Jones trok zich op zijne

kamer terug.

Tom Jones · 第 141 / 340 题