HOOFDSTUK XIII.

OVER DE GROOTE BEHENDIGHEID VAN DE WAARDIN, DE GROOTE GELEERDHEID VAN

DEN HEELMEESTER, EN DE GROOTE BEDREVENHEID VAN DEN WAARDIGEN LUITENANT

OP HET PUNT VAN GEWETENSVRAGEN.

Zoodra de gekwetste naar bed gebragt was, en al de drukte begon te

bedaren, door dit ongeluk in het huis veroorzaakt, sprak de waardin den

bevelvoerenden officier aldus aan:

„Ik vrees, mijnheer, dat die jongeling zich niet betamelijk gedragen

heeft in het bijzijn der heeren en dat, als men hem doodgeslagen had,

hij slechts zijn verdiend loon gekregen zou hebben; want, als mindere

menschen in het gezelschap van hunne meerderen toegelaten worden,

moesten zij nooit vergeten zich behoorlijk op een afstand te

houden;—maar, zoo als mijn eerste man plagt te zeggen, er zijn er maar

weinigen, die dat weten te doen. Wat mij betreft, ik weet zeker, dat ik

nooit gewild zou hebben, dat zulk een mensch zich bij de heeren

indrong; maar ik dacht dat hij ook officier was, tot de sergeant mij

vertelde dat het slechts een rekruut was.”

„Ge vergist u zeer, vrouwtje, omtrent de heele zaak,” antwoordde de

luitenant. „De jonge heer gedroeg zich uitstekend goed, en is, geloof

ik, een veel fatsoenlijker man dan de vaandrig, die hem tergde. Als de

jongen sterft, zal diegene, die hem den slag toebragt, het zwaar te

verantwoorden hebben;—ons regiment zal een zeer lastigen vent kwijt

worden, die het leger tot schande strekt, en het zal mijne schuld niet

wezen als hij aan de justitie ontsnapt;—dat verzeker ik u, jufvrouw!”

„Wel! Wel! Heere mijn tijd!” riep de waardin, „wie zou zoo iets gedacht

hebben? Ja, ja! Ik wil wel gelooven dat mijnheer zorgen zal dat het

regt zijn loop heeft;—en dat is ook voor iedereen billijk. De groote

heeren moeten ons, arm volk, niet doodslaan zonder het te

verantwoorden. Een arm mensch heeft ook eene ziel, even goed als zijne

meerderen!”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zei de luitenant, „ge doet den vrijwilliger

groot onregt:—ik durf wedden dat hij fatsoenlijker man is dan de

officier.”

„Juist!” hernam de waardin;—„precies! Ziet u, mijn eerste man, dat was

ook een verstandig mensch, en hij plagt te zeggen dat men het innerlijk

niet altijd naar het uiterlijk beoordeelen kan. Ja, en dat was ook hier

welligt gunstig; want ik zag hem in ’t geheel niet tot hij daar in zijn

bloed lag! Wie had zich zoo iets kunnen verbeelden! Welligt een jonge

heer die eene ongelukkige liefde gehad heeft. Goede hemel! Als hij kwam

te sterven, wat zou dat een leed zijn voor zijne ouders! Wel! die hem

zoo mishandeld heeft, moet door den duivel bezeten zijn! Ja, mijnheer

heeft gelijk; hij onteert het leger! De meeste heeren van het leger die

ik ooit gezien heb, zijn ’n heel ander slag van menschen, en zien er

uit als of zij zich schamen zouden een christenmensch te vermoorden;

dat wil zeggen zoo buiten den oorlog, zoo als mijn eerste man plagt te

zeggen. ’t Is waar, als het oorlog is, moet er bloedvergieten

zijn;—maar dat kunnen zij niet helpen. Hoe meer van onze vijanden zij

dan dooden hoe beter, en ik wou maar van ganscher harte dat zij ze

allen dood sloegen, tot den laatsten man toe!”

„Wel, foei, jufvrouw!” zei de luitenant, met een glimlach: „dat is wat

al te bloeddorstig!”

„Volstrekt niet, mijnheer!” hernam zij. „Ik ben volstrekt niet

bloeddorstig, behalve ten opzigte onzer vijanden en dat kan toch geen

kwaad. ’t Is toch maar natuurlijk in een mensch te wenschen dat zijne

vijanden dood waren, en dat er een einde aan den oorlog kome en dat de

belastingen verminderen;—want het is verschrikkelijk zoo als wij nu

betalen moeten! Ja, meer dan veertig shillings voor de ramen en

vensters, ofschoon wij alles digtgemaakt hebben wat we maar missen

konden;—wij hebben wezenlijk het huis half donker gemaakt; en ik zei

tot den taxateur:—Vriend, zei ik, ons moest ge wel iets door de vingers

zien; want wij zijn trouwe aanhangers van het bestuur, dat is waar; en

wij betalen een schat van geld. En toch denk ik dikwerf zoo bij mij

zelve, het gouvernement schijnt niet meer om ons te geven dan om

anderen die geen duit betalen. Ja, ja! zoo gaat het in de wereld!”

Zij was nog in dezen trant aan den gang toen de heelmeester binnen

trad. De luitenant vroeg dadelijk hoe de patient het maakte? Het eenige

bescheid dat hij kreeg, luidde: „Beter, geloof ik, dan hij zich thans

bevinden zou, als men mij niet ingeroepen had, en het zou misschien,

zelfs nu, beter voor hem geweest zijn als men mij vroeger geroepen

had.”

„Ik hoop toch, mijnheer, dat de schedel niet gebroken is?” riep de

luitenant.

„Hm!” hernam de heelmeester. „Breuken zijn niet altijd de gevaarlijkste

zaken. Kneuzingen en gescheurde wonden gaan dikwerf vergezeld van

ergere verschijnselen en nog noodlottiger gevolgen dan breuken.

Menschen, die niets van de zaak begrijpen, verbeelden zich, dat als er

geen beenbreuk is, er ook geen gevaar bestaat; terwijl ik liever eens

menschen schedel geheel stuk geslagen zou zien, dan op sommige wijzen,

zoo als ik gezien heb, gekneusd.”

„Ik vertrouw toch dat er geene verschijnselen van dien aard nu te

duchten zijn?” vroeg de luitenant.

„De verschijnselen,” hernam de heelmeester, „zijn niet altijd

standvastig en geregeld. Ik heb wel eens gezien dat de ongunstigste

verschijnselen ’s morgens dikwerf ’s middags gunstig werden en ’s

avonds weder hoogst ongunstig. Van wonden, inderdaad, zegt men te regt:

„Nemo repente turpissimus fuit.” Ik herinner me eens geroepen te zijn

bij een patient, die lijdende was aan eene geweldige kneuzing van de

tibia, waarbij de cutis aan de oppervlakte gescheurd was, zoodat er

eene ruime bloedontlasting volgde en de inwendige weefselen zoodanig

beleedigd waren dat het os, of het been, zeer duidelijk zigtbaar was

tusschen de lippen van het vulnus, of de wond. Daar er zich tevens eene

koortsachtige aandoening vertoonde,—want de pols was hard en gaf eene

sterke verbloeding te kennen, vreesde ik dat zich onmiddellijk koudvuur

voordoen zou. Om dit te voorkomen, maakte ik dadelijk eene groote

opening in de ader van den linker arm; waaruit ik twintig ons bloed

aftapte, wat ik verwacht had zeer dun en geleiachtig, of liever, geheel

verstijfd te vinden;—hetgeen het geval is bij pleuris en dergelijke

ziekten; maar tot mijne groote verwondering, was het rood en frisch en

de dikte er van verschilde slechts zeer weinig van die van het bloed

van een volmaakt gezond mensch. Ik ging er toe over om eene pap op de

gewonde plaats te leggen, wat zeer aan mijne verwachtingen voldeed en

na de eerste drie of vier verbanden, begon de wond een dikke pus, of

etter te ontlasten, waardoor de cohesie;—maar welligt maak ik me niet

geheel en al verstaanbaar?”

„Neen,” hernam de luitenant, „dat is waar. Ik kan niet zeggen dat ik er

iets van begrijp.”

„Nu, mijnheer, dan zal ik uw geduld niet op de proef stellen. Met een

woord, binnen de zes weken was mijn patient in staat even goed de

beenen te gebruiken als voor dat hij de kneuzing gekregen had.”

„Ik zou u toch willen verzoeken, mijnheer,” zei de luitenant, „de

beleefdheid te hebben mij te zeggen of de wond van dezen jongen heer

doodelijk zal zijn of niet?”

„Mijnheer,” hernam de heelmeester, „het zou dwaze en vermetele

verwaandheid zijn, als men bij het leggen van het eerste verband zeggen

wilde dat eene wond doodelijk zal zijn of niet. Wij zijn allen

sterfelijk, en verschijnselen doen zich soms voor bij eene

geneeskundige behandeling, welke niet voorzien konden worden door de

beroemdste beoefenaren van onze wetenschap.”

„Maar gelooft gij dat hij in gevaar verkeert?” vroeg de andere.

„In gevaar?” herhaalde de heelmeester. „Wel zeker! Wie van ons, die

zelfs de meest volmaakte gezondheid geniet, kan buiten gevaar heeten?

Zou men dan kunnen zeggen dat iemand met zulk eene zware wonde in het

hoofd buiten gevaar is? Het meeste wat ik nu zeggen kan, is, dat het

een geluk is, dat men mij inriep, en dat het welligt beter zou geweest

zijn als men mij vroeger geroepen had. Ik zal hem morgen vroeg weder

bij tijds komen zien, en inmiddels moet men hem heel stil houden en

volop gersten-water laten drinken.”

„Mag hij witten wijn, met melk gekookt, hebben?” vroeg de waardin.

„Ja,—dat wel, als het maar heel slapjes is!” riep de dokter.

„En een weinig kippensoep ook?” voegde zij er bij.

„Ja, ja,” zei de dokter; „kippensoep is best voor hem.”

„Mag ik ook wat gelei voor hem klaar maken?” vroeg de waardin.

„Ja, ja,” hernam de dokter, „gelei is uitmuntend in het geval van

wonden, want ze bevordert de cohesie.”

En werkelijk, het was heel gelukkig dat zij niet van sterke soepen en

pikante sousen sprak, want de dokter zou ja gezegd hebben bij alles,

liever dan hare klandisie te verliezen.

Zoodra de heelmeester weg was, begon de waardin zijn lof aan den

luitenant te verkondigen, die, na hunne korte kennismaking, volstrekt

geene zoo gunstige meening opgevat had van zijne kennis als die welke

de goede vrouw en de geheele buurt van hem had,—en misschien niet

zonder grond,—want, hoewel, naar ik vrees, de dokter meer of minder een

kwast was, kon hij desniettemin toch een uitstekende heelmeester zijn.

De luitenant, uit het geleerde gesprek van den dokter opgemaakt

hebbende dat de heer Jones zich in groot gevaar bevond, gaf bevel dat

men den heer Northerton streng bewaken zou, met het voornemen om hem

den volgenden morgen aan den vrederegter over te leveren, en om het

overbrengen van het transport naar Gloucester toe te vertrouwen aan den

Franschen luitenant, die, hoewel hij geen eene taal goed lezen,

schrijven of spreken kon, toch een uitnemend officier was.

’s Avonds zond onze kommandant ook een boodschap aan den heer Jones, om

hem te doen weten, dat als een bezoek hem niet vermoeijen zou, hij

gaarne zijne opwachting bij hem wilde maken. Deze beleefdheid werd

dankbaar en gaarne door Jones aangenomen, en de luitenant ging dus naar

boven, waar hij den gewonde veel beter vond dan hij gedacht had;—ja,

Jones gaf zelfs zijn vriend te kennen, dat als hij geene stellige

bevelen van den heelmeester ontvangen had om te blijven liggen, hij al

lang geleden opgestaan zou zijn; want hij gevoelde zich volmaakt wel,

en ondervond niets van de wond, dan wat pijn aan dien kant van het

hoofd, waar de slag hem getroffen had.

„Het zal me genoegen doen, als ge wezenlijk zoo wel zijt als ge u

verbeeldt,” zei de luitenant; „want in dat geval, zult ge in staat zijn

om u dadelijk voldoening te verschaffen; want als eene zaak niet meer

bij te leggen is, zoo als een slag, bij voorbeeld, hoe eerder gij dan

met uwe tegenpartij uitgaat hoe beter;—maar, ik vrees dat ge u

verbeeldt beter te zijn dan werkelijk het geval is, en dat zou hem te

veel voordeel op u geven.”

„Ik zal het echter wagen, als het u belieft,” hernam Jones, „als gij

maar zoo goed wilt wezen mij een degen te leenen; want ik heb er zelf

geen bij me.”

„Mijn degen staat u ten dienste, dat verzeker ik u van ganscher harte,

mijn waarde jongen,” riep de luitenant, hem omhelzende; „gij zijt een

brave kerel en uw moed bevalt me; maar ik vrees voor uwe krachten; want

zulk een slag en het bloedverlies moeten u zeer verzwakt hebben, en

hoewel ge geen gemis aan krachten gevoelt zoo lang ge te bed ligt, zou

dat toch wel het geval zijn, als ge met den degen in de vuist moest

staan. Ik kan er niet in toestemmen dat ge heden avond met hem vecht,

maar ik hoop, dat ge in staat zult wezen om ons binnen een paar dagen

in te halen, en ik geef u mijn woord van eer dat ge voldoening zult

hebben, of de man, die u beleedigd heeft, zal ons regiment verlaten.”

„Ik zou toch zoo gaarne de zaak nog voor den nacht uitmaken,” zei

Jones; „nu wij er eenmaal over gepraat hebben, zal ik geen oogenblik

rust hebben.”

„Wel, wel!” hernam de andere, „op een paar dagen komt het niet aan. De

wonden der eer zijn niet als die van het ligchaam. Het doet geen kwaad

dat zij op genezing moeten wachten. Het zal even goed zijn voor u over

eene week voldoening te krijgen als nu.”

„Maar,” zei Jones, „veronderstel eens dat mijn toestand verergerde en

dat ik aan de gevolgen van mijne wond stierf!”

„Dan is uwe eer toch gered,” hernam de luitenant. „Ik zelf zal zorg

dragen, dat men u regt doet en voor de geheele wereld zal ik getuigen,

dat gij u als man zoudt gedragen hebben als gij maar hersteld waart.”

„Dit uitstel,” zei Jones, „bedroeft me toch! Ik durf het u, die soldaat

zijt, haast niet zeggen; maar hoewel ik een zeer ligtzinnig jong mensch

ben geweest, toch blijf ik, in ernstige oogenblikken, in mijn hart een

christen.”

„Dat ben ik ook,” hernam de andere; „zeker, en zoo van ganscher harte,

dat het mij genoegen deed aan tafel u voor de godsdienst partij te zien

trekken, en het spijt me nu eenigzins, jonge heer, dat gij vreezen

zoudt voor wien ook te bekennen, dat gij een geloovige zijt.”

„Maar hoe verschrikkelijk moet het toch zijn voor een waar christen,”

riep Jones, „om wrok te koesteren in zijn hart, tegen het bevel in van

hem die zoo iets bepaaldelijk verboden heeft. Hoe zal ik me kunnen

verantwoorden, zoo lang een dergelijk gevoelen in de diepte van mijn

hart tegen mij pleit?”

„Nu, ik geloof wel dat zoo iets in strijd is met de geboden,” zei de

luitenant; „maar een man van eer kan zich daaraan niet storen. En man

van eer moet ge zijn, als gij bij het leger wilt dienen. Ik herinner me

die vraag eens onder een glas punsch aan onzen veldprediker gedaan te

hebben, en hij bekende dat er nog al bezwaar in was om ze te

beantwoorden; maar hij zeide, dat hij hoopte dat den krijgslieden in

dit geval eene zekere vrijheid gelaten zou worden, en wezenlijk, het is

pligt voor ons dat te hopen; want wie zou eerloos willen leven? Neen,

neen, mijn beste jongen, blijf een goed christen zoo lang ge leeft;

maar blijf ook man van eer, en duld nooit eenige beleediging;—alle

boeken noch alle dominé’s ter wereld kunnen mij daartoe bewegen! Ik

houd veel van mijne godsdienst, maar nog meer van mijne eer. Er moet

eene vergissing zijn in de woorden van den tekst, of in de vertaling,

of in de exegese, of ergens, of iets verkeerds zijn. Maar, hoe dat ook

zij, de mensch moet de kans wagen; want zijne eer moet hem heilig

wezen. Dus neem maar uwe rust heden nacht en ik beloof u de gelegenheid

te verschaffen om voldoening te krijgen.”

Hierop omhelsde hij Jones weder hartelijk, drukte hem de hand en

verliet hem.

Maar hoewel de redenering van den luitenant zeer overtuigend luidde

voor hem zelven, was dit niet het geval met zijn vriend—en Jones, na de

zaak rijpelijk overwogen te hebben, kwam eindelijk tot een besluit, dat

den lezer in het volgende hoofdstuk medegedeeld zal worden.

Tom Jones · 第 129 / 340 题