DE AVONTUREN VAN EENIGE OFFICIEREN.

De luitenant, dien wij in het vorige hoofdstuk vermeldden, en die deze

troep aanvoerde, was nu bijna zestig jaren oud. Hij was zeer jong in

dienst gegaan, en was, als vaandrig, bij den slag bij Tannières

geweest, waar hij twee wonden ontvangen en zich zoodanig onderscheiden

had, dat hij dadelijk naden slag door den Hertog van Marlborough tot

luitenant bevorderd was.

In dezen rang had hij sedert (dat is bijna veertig jaren) gediend,

gedurende welken tijd hij ontelbare menschen had zien bevorderen,

terwijl men hem voorbijging, en hij moest het nu verdragen dat jonge

lieden hem kommandeerden, wier vaderen kinderen waren toen hij in

dienst trad.

Deze tegenspoed in de dienst was niet alleen daaraan toe te schrijven,

dat hij geene invloedrijke vrienden bezat. Hij had het ongeluk daarbij

om den kolonel te mishagen, die vele jaren lang het bevel voerde over

het regiment. Hij had zich den onverzoenlijken haat, welken deze heer

hem toedroeg, niet op den hals gehaald door eenig pligtverzuim als

officier, noch inderdaad door eenige schuld van zijn kant; maar alleen

door de onvoorzigtigheid zijner vrouw, die zeer schoon was, en die,

hoewel zij bijzonder veel van haar man hield, zijne bevordering niet

koopen wildeten koste van zekere gunstbewijzen, welke de kolonel van

haar eischte.

De arme luitenant was des te ongelukkiger, omdat, terwijl hij de

uitwerkselen van de vijandigheid van zijn kolonel ondervond, hij nooit

wist, noch vermoedde, dat die bestond; want hij kon geen onwil

veronderstellen, waartoe hij zich niet bewust was op eenige wijze

aanleiding gegeven te hebben, terwijl zijne vrouw, bevreesd voor

hetgeen haar mans fijn eergevoel, geëischt zou hebben, zich te vreden

stelde met hare deugd te bewaren, zonder op hare overwinning te

pogchen.

Deze ongelukkige officier (want zoo, dunkt me, moet men hem heeten),

bezat vele goede hoedanigheden behalve zijne verdiensten als krijgsman;

want hij was godsdienstig, eerlijk, goedhartig en had zich zoo

voortreffelijk gehouden in de dienst, dat hij hooggeacht en bemind was,

niet slechts door de soldaten zijner eigene kompagnie, maar ook door

het geheele regiment.

De andere officieren die met hem marscheerden waren een Fransche

luitenant, die lang genoeg uit zijn eigen land geweest was om de

Fransche taal te vergeten, maar niet lang genoeg in Engeland om de

landtaal aan te leeren; zoo dat hij eigenlijk geene taal sprak en zelfs

in dagelijksche zaken zich naauwelijks kon doen verstaan. Er waren ook

twee vaandrigs, beide zeer jonge menschen, van wie de eene opgevoed was

door een zaakwaarnemer en de andere de zoon was van de vrouw van den

keldermeester van zekeren edelman.

Na afloop van de tafel, vertelde Jones van de grappen onder de soldaten

op marsch, „en toch,” zeide hij, „in weerwil van al hun geschreeuw,

geloof ik wel dat zij zich vóór den vijand, eerder als Grieken dan als

Trojanen gedragen zullen.”

„Grieken en Trojanen!” riep een der vaandrigs. „Wie drommel zijn dat?

Ik heb wel eens alle troepen in Europa hooren noemen,—maar die nooit!”

„Wend niet voor onwetender te zijn dan werkelijk het geval is, mijnheer

Northerton,” zei de waardige luitenant. „Ge zult toch wel eens van de

Grieken en van Troja gehoord hebben, ofschoon u welligt Pope’s

vertaling van Homerus onbekend is, die, als ik me goed herinner, de

Trojanen op marsch vergelijkt met eene vlugt kakelende ganzen, en de

stilte der Grieken zeer roemt. En, wezenlijk, onze vrijwilliger heeft

groot gelijk.”

„Par Dieu! Ik herinner mij goed,” zei de Fransche luitenant. „Ik heb

gelezen van hen, in de school, dans Madame Dacier! Die Grieken en

Trojanen,—oui, oui,—zij vochten om eene vrouw! Ik heb gelezen dat

alles!”

„Naar de maan, met Homo—of hoe hij heet zeg, ik!” riep Northerton. „Ik

draag nog likteekens van hem—niet juist op mijn rug! Daar hebt ge

Thomas, van ons regiment, die heeft altijd zoo’n Homos op zak.

Verdraaid, als ik er bij kom, als ik hem niet op het vuur smijt! Daar

was ook nog Cordelius, een ander verwenscht duivelskind, die mij menig

pak slagen bezorgd heeft!”

„Dus hebt ge toch school gelegen, mijnheer Northerton?” vroeg de

luitenant.

„Wel, verd....!—Ja zeker!” hernam hij. „De drommel hale den ouden heer,

dat hij mij er ooit heen zond! De oude man wilde een steek van mij

maken; maar, verdraaid! dacht ik bij mij zelven, dat zal ik je wel

afleeren, oude sul! Ge zult mij van je leven niemendal van jou onzin

inprenten! Daar hebt ge ook nog Jaapje Oliver van ons regiment, die ter

naauwernood er aan ontsnapte om steek te worden; de Satan zal mij

halen, als hij niet een der knapste kerels ter wereld is;—maar hij

lapte het den ouden heer beter dan ik;—want Jaapje kan lezen noch

schrijven!”

„Gij roemt uw vriend zeer,” zei de luitenant, „en ik twijfel er niet

aan dat hij het verdient; maar, Northerton, ik bid u, laat die dwaze

gewoonte en vloek niet zoo veel, want ik verzeker u dat ge u vergist

als ge het voor geestig of beleefd houdt. Ik wilde ook dat gij mijn

raad wildet volgen, om niet altijd op de geestelijken te schelden.

Scheldwoorden en minachting van een geheel corps zijn steeds

onvergeefelijk; maar vooral als ze menschen gelden, die een heilig

beroep uitoefenen; en ik laat het aan u over te oordeelen hoe ongerijmd

zulk eene handelwijze is in mannen die juist te velde trekken om de

protestantsche godsdienst te beschermen.”

De heer Adderly, zoo als de andere vaandrig heette, die tot dusver met

de beenen op zijn stoel had zitten te schommelen, schijnbaar zonder

naar het gesprek te luisteren, zeide nu:

„O, Monsieur, on ne parle pas de religion dans la guerre.”

„Heel goed, Jaap!” riep Northerton. „Als het alleen om de religion te

doen was, dan konden de dominé’s voor mijn part zelve te velde

trekken.”

„Ik weet niet hoe gij er over denkt, heeren,” zei Jones; „maar ik

verbeeld me dat niemand eene heiligere zaak kan vinden dan die zijner

godsdienst, en uit de weinige geschiedenis, welke ik gelezen heb, meen

ik opgemerkt te hebben dat geene soldaten zoo dapper gestreden hebben

als die, welke door godsdienstijver bezield zijn geweest;—wat mij

betreft, hoewel, naar ik hoop, niemand vuriger dan ik gehecht is aan

Koning en Vaderland, heeft de protestantsche zaak toch veel er toe

bijgedragen om mij naar de wapenen te doen grijpen.”

Northerton knipoogde nu tegen Adderly en fluisterde hem stilletjes in

het oor: „Wij moeten dien kwast eens uithooren, Adderly!” waarop hij

zich tot Jones wendende, tot hem zeide: „Het doet me genoegen,

mijnheer, dat gij ons regiment uitgezocht hebt om er als vrijwilliger

bij te dienen; want als onze veldprediker soms eens een glaasje te veel

gebruikt, zie ik dat gij hem best zult kunnen vervangen. Ik

veronderstel, mijnheer, dat gij gestudeerd hebt;—mag ik zoo vrij wezen

te vragen, welke akademie gij bezocht hebt?”

„Mijnheer,” hernam Jones, „verre van ooit eene hoogeschool bezocht te

hebben, heb ik niet eens het geluk gehad, zoo als gij, op school te

gaan.”

„Mijne veronderstelling was gegrond op de blijken van uwe groote

geleerdheid,” riep de vaandrig.

„O, mijnheer,” hernam Jones; „het is even goed mogelijk dat men iets

leere zonder op school te gaan, als het mogelijk is op school te gaan

en er niets te leeren.”

„Bravo, jeugdige vrijwilliger!” riep de luitenant. „Op mijn woord,

Northerton, ge zoudt wel doen met hem in rust te laten; want ge zijt

niet tegen hem opgewassen.”

Northerton was zeer vertoornd over de ironie van Jones, maar gevoelde

dat de terging niet groot genoeg was, om hem te regtvaardigen als hij

die wreken wilde met een slag, of een „gemeene vent!” of een „schurk!”

welke de eenige antwoorden waren, die hem invielen. Hij zweeg dus voor

een oogenblik; maar besloot om de eerste gelegenheid waar te nemen om

zich op Jones te wreken.

Deze was nu aan de beurt om een toast in te stellen, en hij kon niet

nalaten den naam zijner beminde Sophia bij die gelegenheid te noemen.

Dit deed hij des te onbeschroomder, daar hij zich niet verbeelden kon,

dat het voor iemand der aanwezigen mogelijk zou zijn te gissen wie hij

daarmede bedoelde.

Maar de luitenant, die aan het hoofd van de tafel zat, was niet

tevreden alleen met den naam van Sophia. Hij zeide ook haar

familie-naam te moeten weten, waarop Jones, na eenige aarzeling,

mejufvrouw Sophia Western noemde. De heer Northerton verklaarde nu dat

dat hij onmogelijk op haar drinken kon, ten zij er iemand was die voor

haar instond:

„Ik heb eene Sophia Western te Bath gekend,” voegde hij er bij, „de

maitresse van de helft der jongeluî daar, en misschien is dit hetzelfde

wijf.”

Jones verzekerde hem zeer plegtig van het tegendeel, bewerende dat de

jonge dame iemand was van hoogen stand en groot vermogen.

„Ja, ja,” riep de vaandrig; „dat is zij ook! Ik wil verd—d zijn als het

niet dezelfde vrouw is! En ik wed een half dozijn flesschen Bourgogne

dat Tom French van ons regiment haar medebrengt in elke kroeg, die wij

verkiezen!”

Daarop ging hij voort met haar uiterlijk zeer naauwkeurig te

beschrijven;—want hij had haar met hare tante gezien,—en eindigde met

te zeggen, „dat haar vader uitgestrekte landerijen bezat in

Somersetshire.”

Een teedere minnaar kan de minste aardigheid over zijne beminde slecht

verdragen. Jones echter, ofschoon hij verliefd en moedig genoeg was,

wreekte dezen laster welligt niet zoo spoedig als hij had moeten doen.

Om de waarheid te zeggen, daar hij slechts weinig geestigheid van dezen

aard gezien had, begreep hij ze ook niet dadelijk en verbeeldde zich

een heelen tijdlang dat er bij den heer Northerton eene verwarring van

denkbeelden bestond omtrent de persoon. Zich echter eindelijk, met een

ernstigen blik tot den vaandrig keerende, zeide hij:

„Ik verzoek u, mijnheer, een ander voorwerp te zoeken voor uwe

geestigheid; want ik verzeker u dat ik geene aardigheden wil aanhooren

omtrent den goeden naam dezer dame.”

„Aardigheden!” riep de andere. „Wel verdraaid! Ik meende het nooit van

mijn leven ernstiger! Tom French van ons regiment, heeft haar en hare

tante, beide, te Bath gehad!”

„En ik zeg u ook, in goeden ernst,” riep Jones, „dat gij een der

grootste schelmen ter wereld zijt!”

Hij had naauwelijks deze woorden er uitgebragt toen de vaandrig, met

een rollend vuur van vloeken, Jones eene flesch naar het hoofd smeet,

die hem iets boven de regter slaap rakende, hem oogenblikkelijk ter

aarde velde.

De overwinnaar zijn vijand aldus bewusteloos uitgestrekt ziende,

terwijl het bloed vrij sterk uit de wond vloeide, begon er nu aan te

denken om het slagveld te verlaten waar geen eer meer voor hem in te

oogsten viel; maar de luitenant belette hem dit door zich voor de deur

te plaatsen en hem den terugtogt af te snijden.

Northerton smeekte den luitenant ernstig hem te laten gaan, hem

herinnerende aan de waarschijnlijk treurige gevolgen als hij bleef,

terwijl hij hem ook vroeg, of hij anders had kunnen handelen dan hij

gedaan had?

„Wat drommel!” riep hij; „het was maar gekheid van mij. Ik heb van mijn

leven geen kwaad van jufvrouw Western gehoord!”

„Zoo!” riep de luitenant. „Dan verdient ge de galg! Evenzeer voor het

maken van zulke grappen als voor het gebruiken van zulke wapenen. Gij

zijt mijn arrestant, mijnheer;—en ge zult hier de deur niet uit tot er

eene behoorlijke wacht is, om u in bewaring te nemen.”

Onze luitenant bezat zulk eene meerderheid over den vaandrig, dat al

die bruischende moed, welke gediend had om onzen armen held neder te

vellen, genoemden vaandrig naauwelijks aangespoord zou hebben het

zwaard tegen den luitenant te trekken, als er een om zijne lendenen

gegord ware geweest; maar alle degens hingen tegen den muur en werden

bij het begin van den twist door den Franschen officier in bezit

genomen. Dus was de heer Northerton gedwongen den afloop der zaak af te

wachten.

Op verzoek van hun bevelhebber, rigtten de Franschman en de heer

Adderly Jones op: daar zij echter weinige of geene teekenen van leven

bespeurden, lieten zij hem weder vallen, terwijl Adderly hem

verwenschte omdat hij zijn vest met bloed bevlekt had, en de Franschman

uitriep:

„Pardie! Ik raak niet meer le mort aan;—men heeft mij verteld dat de

Engelsche wet ophangt den man, die het laatst getoucheerd heeft den

doode!”

Toen de goede luitenant naar de deur vloog, trok hij onderweg aan de

schel, en zoodra de knecht verscheen, zond hij hem om een heelmeester.

Deze boodschap, tegelijk met hetgeen de knecht zelf gezien had, bragt

niet slechts de soldaten op de plek bijeen, maar ook den waard, zijne

vrouw, de dienstboden, en iedereen die te dien tijd in de herberg was.

Het zou mij onmogelijk zijn, al kon ik veertig pennen tegelijk voeren,

om alle bijzonderheden en alle gesprekken op te schrijven die

voorvielen bij het tooneel dat nu volgde. De lezer moet zich dus met

het merkwaardigste te vreden stellen, en zal waarschijnlijk het overige

best kunnen missen.

Het eerste dat gedaan werd, was zich van Northerton te verzekeren, die

onder begeleiding van een korporaal en zes man weggebragt werd van eene

plaats, welke hij gaarne verlaten wilde;—maar ongelukkig, naar eene

plaats, waarheen hij ook zeer ongaarne ging. Ja, zoo grillig zijn de

wenschen der eerzucht, dat op hetzelfde oogenblik dat deze jongeling

zich door bovengemelde eerewacht omgeven zag, hij zich volgaarne

verschuild zou hebben in eenigen uithoek der wereld, waar geen mensch

er ooit iets van had kunnen vernemen.

Het verbaast ons, en misschien den lezer ook, dat de waardige en goede

luitenant zich eerder er op toelegde om zich van den misdadiger te

verzekeren, dan om het leven van den gewonde te redden. Wij merken dit

hier op zonder eenig plan om zulk een vreemd gedrag te willen

verklaren; maar alleen om te beletten dat eenig recensent zich er later

op beroemen zou het zelf ontdekt te hebben. Wij wilden die heeren doen

begrijpen, dat wij zonderlingheden in eens menschen karakter even goed

ontwaren als zij zelven; maar het is alleen onze taak om de feiten naar

waarheid te vermelden, terwijl, als wij dat gedaan hebben, de geleerde

en schrandere lezer het oorspronkelijke boek der natuur moet

raadplegen, waaruit elke bladzijde in ons werk afgeschreven is, zonder

dat wij echter ons telkens verpligt gevoelen de bijzondere bladzijde te

vermelden.

Het gezelschap dat nu bijeen gekomen was, scheen van een geheel ander

gevoelen te zijn. Zij beteugelden hunne nieuwsgierigheid omtrent den

vaandrig, tot zij hem later in eene meer belangwekkende positie zouden

zien. Thans werd hunne belangstelling en oplettendheid alleen geboeid

door het bebloede voorwerp op den grond, dat evenwel, zoodra het op een

stoel gezet werd, eenige teekens begon te geven van leven en beweging.

Zoodra de omstanders dit ontwaarden (want men hield Jones eerst voor

dood), begonnen zij allen tegelijk iets voor te schrijven; want daar er

niemand van de geneeskundige fakulteit aanwezig was, nam iedereen dat

ambt op zich.

Met eenparige stemmen verklaarde men zich voor eene aderlating; maar

ongelukkig was er geen heelmeester bij de hand;—om welke reden iedereen

uitriep: „Zend om den barbier!” zonder echter dat iemand met dat doel

een voet verzette. Op even weinig doelmatige wijze, werd het gebruik

van allerlei drankjes voorgeschreven; tot de waard, eene kan oud bier,

warm, en met een stuk geroosterd brood er in bestelde,—wat hij voor het

beste geneesmiddel hield in het land.

De persoon, die de meeste hulp verleende bij deze gelegenheid, en

inderdaad de eenige die werkelijk eenige dienst scheen te zullen

bewijzen, was de vrouw van den waard, die wat van haar hoofdbaar

afsneed en het op de wond legde om het bloed te stillen, den jongeling

eigenhandig de slapen wreef en met de meeste minachting voor de

voorschriften van haar man, eene der meiden zond om eene flesch

brandewijn uit hare eigene kast, waaruit zij Jones, die pas weder tot

bezinning gekomen was, overhaalde om een flinken slok te gebruiken.

Kort daarop verscheen de heelmeester, die de wond onderzocht, het hoofd

schudde, alles afkeurde wat er al gedaan was en beval den patient

dadelijk naar bed te brengen, waar wij het goed vinden hem een tijdlang

in rust te laten en dus hiermede een einde aan dit hoofdstuk maken.

Tom Jones · 第 128 / 340 题