HOOFDSTUK XIV.

EEN ZEER VERSCHRIKKELIJK HOOFDSTUK, DAT WEINIGEN LEZERS GERADEN IS DES

AVONDS TE LEZEN, VOORAL ALS ZIJ ALLEEN ZITTEN.

Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met

den meesten eetlust, en zou inderdaad den haan zelven, met een pond

spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem

noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan

en zijn vijand te gaan zoeken.

Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de

militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel

gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo

hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren

ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne

neusgaten kwam.

Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het

eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de

boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep,

stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones

achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te

deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier

zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou

dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks

ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na

zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne

voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.

Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger

behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den

soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat

hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.

„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er

niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en

het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”

De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat

Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op

uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien

staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al

bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze

gril van den zieke.

„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een

uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat,

gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch

heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is

eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en

gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat

mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”

Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die

hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem

verzocht den prijs daarvan te noemen.

De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden.

Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een

Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd

was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens

ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan

een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs

stellen op het gevest dan op de kling.”

Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te

bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het

hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te

weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan

slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet

goedkooper laten zou.

„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor

krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling

gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt

mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk

me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant

laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”

De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was,

en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld

had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide:

„Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij

moet ook bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik

moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te

wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking

neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintig shillings te veel is.”

„Twintig shillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig

guinjes!”

„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of

ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half

wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig

werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintig

shillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking

neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat

men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan

krijgen,—maar—”

Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te

kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”

Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan,

en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te

halen eer zij Worcester bereikt hadden.

De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn

handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich

gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de

zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.

Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan,

zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk

de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met

het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne

kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt

op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te

berooven, of om zelf het zijne te verliezen.

„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel,

in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en

mishandeld heeft, zonder eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de

wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld

aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften

van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals

halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een

laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn

besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”

De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep,

behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit

zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent

wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen

verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte

voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij

zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk

dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester

afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband

gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand

voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede

verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik

geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige

goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar

zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.

Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn

haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op

hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon

hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts.

Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt

neder.

Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed

geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed,

echter, had hij het geluk om mis te schieten.

Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst,

en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl hij volstrekt niet aan het

gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij,

zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar,

gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest

volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop

wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs

bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.

Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen

hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij

binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu

Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan

om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat

de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest

gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den

angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die

tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te

spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen

navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te

gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde

strekken.

Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen

hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het

geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies

hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar

zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er

iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één

mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij

zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had,

volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar

met belangstelling vragende, wat er te doen was?

Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem

gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de

beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig

hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die

hem aanpakten, maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde

zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten;

want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook,

herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.

Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet,

en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden

aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat

hem scheelde, antwoordde hij:

„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik

kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”

„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.

„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu,

met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te

verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne

wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem

voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien

officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem

verdwenen was.

Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden.

Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden

den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het

verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die

tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:

„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt

en droomt!”

De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat

verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel

hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde

niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende

als fakkels!”

De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren

inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had

het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan,

hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst

uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden

gaan.

De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn

officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde

nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog

meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden

bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig

mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten

hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet

denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer

vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken;

maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet

waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.

Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of

hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was.

En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel

verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en

beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene

wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het

militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.

Tom Jones · 第 130 / 340 题