EEN ZEER VERSCHRIKKELIJK HOOFDSTUK, DAT WEINIGEN LEZERS GERADEN IS DES
AVONDS TE LEZEN, VOORAL ALS ZIJ ALLEEN ZITTEN.
Jones verslond een groote kom vol kippen-, of liever hanen-soep, met
den meesten eetlust, en zou inderdaad den haan zelven, met een pond
spek er bij, gaarne opgegeten hebben; en daarop bevindende, dat het hem
noch aan gezondheid noch aan moed ontbrak, besloot hij om op te staan
en zijn vijand te gaan zoeken.
Eerst echter zond hij om den sergeant, zijne oudste kennis onder de
militairen. Ongelukkig had die waardige onderofficier wat al te veel
gedronken, en was sedert eenigen tijd naar bed gegaan, waar hij zoo
hard snorkte dat het niet gemakkelijk viel een geluid in zijne ooren
ingang te doen vinden, dat hoorbaarder was dan dat hetwelk uit zijne
neusgaten kwam.
Daar Jones echter volhield, dat hij hem zien moest, gelukte het
eindelijk een hardschreeuwenden knecht om hem te wekken, en hem de
boodschap van Jones over te brengen. Zoodra de sergeant ze begreep,
stond hij op, en daar hij al gekleed was, ging hij dadelijk mede. Jones
achtte het niet raadzaam den sergeant zijn voornemen dadelijk mede te
deelen, hoewel hij dit veilig had kunnen doen, daar de onderofficier
zelf man van eer was en in een tweegevecht zijn man gedood had. Hij zou
dus het geheim trouw bewaard hebben,—of eenig ander geheim, op welks
ontdekking geen belooning uitgeschreven stond. Daar Jones echter, na
zulke korte kennismaking, deze deugden niet kende, was zijne
voorzigtigheid welligt prijzenswaardig en loffelijk.
Hij begon dus met den sergeant te zeggen dat, daar hij nu tot het leger
behoorde, hij zich schaamde het noodzakelijkste werktuig van den
soldaat, namelijk het zwaard, te missen, terwijl hij er bijvoegde, dat
hij hem zeer dankbaar zou wezen, als hij hem er een kon verschaffen.
„Ik zal u er een redelijken prijs voor geven,” zeide hij, „en ik sta er
niet op, dat het gevest van zilver zij, als de kling maar goed is en
het een wapen is waarover een soldaat zich niet behoeft te schamen.”
De sergeant, die wel wist wat er gebeurd was en die gehoord had dat
Jones in een zeer gevaarlijken toestand verkeerde, maakte dadelijk op
uit zijne boodschap, zoo laat in den nacht, en van iemand in dien
staat, dat hij wat ligt in het hoofd was. En daar de sergeant nog al
bij de hand was, nam hij zich voor om zijn voordeel te doen met deze
gril van den zieke.
„Mijnheer,” zeide hij, „ik meen dat ik u helpen kan. Ik heb een
uitmuntend wapen hier. Het gevest is werkelijk niet van zilver, wat,
gelijk gij zegt, een soldaat niet betamen zou; maar het ziet er toch
heel goed uit en de kling is eene der beste in geheel Europa;—’t is
eene kling die,—eene kling;—maar ik zal het zwaard dadelijk halen en
gij kunt het zelf keuren.—Het doet me van harte genoegen te zien dat
mijnheer zoo geheel en al weer genezen is.”
Hierop haalde hij dadelijk den degen en gaf dien aan Jones over, die
hem uit de schede trok, den sergeant vertelde dat die goed was en hem
verzocht den prijs daarvan te noemen.
De sergeant begon nu over de kostbaarheid van het wapen uit te weiden.
Hij zeide (wat hij ook met een eed bekrachtigde), dat de kling op een
Fransch officier van hoogen rang in den slag bij Dettingen veroverd
was. „Ik greep het zelf van hem weg,” betuigde hij, „na hem de hersens
ingeslagen te hebben. Het had toen een goud gevest. Dat verkocht ik aan
een onzer groote heeren, want er zijn er, met uw verlof, die meer prijs
stellen op het gevest dan op de kling.”
Hier viel hem de andere in de rede en verzocht hem maar den prijs te
bepalen. De sergeant, die dacht dat Jones bepaaldelijk ligt in het
hoofd was, en spoedig sterven zou, vreesde zich te benadeelen door te
weinig te vragen. Na een oogenblik geaarzeld te hebben, vroeg hij dan
slechts twintig guinjes, zwerende dat hij het zijn eigen broeder niet
goedkooper laten zou.
„Twintig guinjes!” riep Jones verbaasd. „Ge houdt me zeker voor
krankzinnig, of verbeeldt u dat ik nooit van mijn leven een kling
gezien heb! Twintig guinjes! Wel! Ik dacht niet dat gij trachten zoudt
mij te bedriegen! Hier—neem den degen maar weder mede! Neen! Ik bedenk
me:—ik zal het wapen zelf bewaren en het morgen vroeg den luitenant
laten zien en hem zeggen welken prijs gij er voor gevraagd hebt!”
De sergeant, die, gelijk wij reeds gezegd hebben, zeer bij de hand was,
en nu duidelijk inzag dat Jones niet zoo gek was als hij zich verbeeld
had, veinsde nu evenzeer verwonderd te zijn als de andere en zeide:
„Mijnheer, ik ben overtuigd dat ik u niet te veel gevraagd heb. Gij
moet ook bedenken, dat het de eenige degen is, dien ik bezit, en ik
moet de kans loopen van de ontevredenheid van mijn officier op te
wekken door zelf ongewapend te gaan. Als gij dit alles in aanmerking
neemt, geloof ik waarlijk niet dat twintig shillings te veel is.”
„Twintig shillings!” riep Jones. „Wel! straks vroegt ge me twintig
guinjes!”
„Hoe!” riep de sergeant. „Mijnheer heeft me zeker verkeerd verstaan,—of
ik heb me versproken,—en inderdaad, ik ben nog maar half
wakker;—twintig guinjes! Wel! Geen wonder dat mijnheer zoo driftig
werd! Ik zou twintig guinjes vragen? Neen, neen, ik bedoelde twintig
shillings, dat verzeker ik u. En als mijnheer alles in aanmerking
neemt, hoop ik dat hij dat niet te veel zal vinden. ’t Is wel waar, dat
men een wapen dat er even goed uitziet, voor minder geld kan
krijgen,—maar—”
Hier viel Jones hem in de rede met te zeggen: „Ver van daarover te
kibbelen, zal ik u een shilling meer geven dan gij vraagt.”
Hij betaalde hem daarop een guinje, beval hem weder naar bed te gaan,
en wenschte hem goede reis, er bijvoegende dat hij hoopte hen in te
halen eer zij Worcester bereikt hadden.
De sergeant nam zeer beleefd afscheid van hem, zeer voldaan over zijn
handel, en niet weinig tevreden over de behendigheid, waarmede hij zich
gered had uit de valsche positie, waarin zijne overtuiging van de
zwakheid van hoofd van den zieke hem gebragt had.
Zoodra de sergeant weg was, stond Jones op en kleedde zich geheel aan,
zonder den rok te vergeten, die licht van kleur zijnde, zeer duidelijk
de bloedvlekken vertoonde, welke er op gevallen waren, en daarop, met
het nieuw gekochte wapen in de hand, was hij op het punt van zijne
kamer te verlaten, toen hij zich begon te herinneren, dat hij welligt
op het punt was van binnen weinige minuten een mensch van het leven te
berooven, of om zelf het zijne te verliezen.
„En,” vroeg hij zich zelven af, „in welke zaak waag ik mijn leven? Wel,
in die der eer! En wie is mijn vijand? Een schelm die mij beleedigd en
mishandeld heeft, zonder eenige aanleiding van mijn kant. Maar is de
wraak niet door den Hemel verboden?—Ja; maar ze wordt door de wereld
aanbevolen. Moet ik echter de wereld, tegen de bepaalde voorschriften
van den Hemel, gehoorzamen? Zou ik me den goddelijken toorn op den hals
halen, liever dan me te hooren uitschelden voor—een lafaard,—een
laaghartige?—Bah! Ik wil er niet meer over nadenken;—ik heb mijn
besluit genomen:—hij moet met mij vechten!”
De klok had nu den middernacht aangekondigd en iedereen in huis sliep,
behalve de schildwacht bij Northerton’s deur, toen Jones zachtjes uit
zijne kamer tredende, er op uitging om zijn vijand te zoeken, omtrent
wiens verblijf hij van den knecht de meest voldoende inlichtingen
verkregen had. Men kan zich niet ligt eene schrikwekkender gestalte
voorstellen dan de zijne op dit oogenblik. Hij droeg, gelijk wij
zeiden, een lichtkleurigen jas, met bloed bevlekt. Zijn gezigt, hetwelk
dat bloed miste, en twintig ons op den koop toe, door den heelmeester
afgetapt, was doodsbleek. Rondom zijn hoofd was een groot verband
gewikkeld, dat er als eene soort van tulband uitzag. In de regterhand
voerde hij een sabel; in den linker een blaker. De bebloede
verschijning van Banquo was niets, bij hem vergeleken. Wezenlijk, ik
geloof niet dat er ooit op een kerkhof, of in de verbeelding van eenige
goede menschen, die in Somersetshire bij het Kersvuur bij elkaar
zitten, eene verschrikkelijker verschijning opgeroepen werd.
Toen de schildwacht onzen held uit de verte zag naderen, begon zijn
haar langzamerhand zijn beerenmuts van zijn hoofd op te ligten, en op
hetzelfde oogenblik sloegen zijne knieën tegen elkaar aan. Straks begon
hij over het heele lijf te beven, erger dan in een vlaag van de koorts.
Hij schoot toen zijn geweer af en wierp zich plat op het aangezigt
neder.
Ik neem niet op me te zeggen, of vrees of moed hem vuur deed
geven,—evenmin of hij op den naderende aanlegde. Als hij dat deed,
echter, had hij het geluk om mis te schieten.
Toen Jones den kerel zag vallen, begreep hij de reden van zijn angst,
en kon een glimlach niet bedwingen, terwijl hij volstrekt niet aan het
gevaar dacht, waaraan hij pas ontsnapt was. Hij liep hem toen voorbij,
zonder dat de soldaat zich verroerde en trad de kamer binnen, waar,
gelijk hij vernomen had, Northerton in arrest zat. Dáár, in de meest
volstrekte eenzaamheid, vond hij—eene leêge bierkan op de tafel, waarop
wat vocht gestort was, zoodat het er uitzag, alsof de kamer onlangs
bewoond was geweest; maar voor het oogenblik was ze geheel leeg.
Jones dacht dat ze toegang verschafte tot een ander vertrek; maar toen
hij ze rondzag, ontdekte hij geene andere deur dan die door welke hij
binnen gekomen was, en waar de schildwacht gestaan had. Hij riep nu
Northerton herhaaldelijk bij zijn naam, wat echter tot niets diende dan
om de schildwacht in zijn angst te bevestigen, die nu overtuigd was dat
de vrijwilliger gestorven was aan zijne wonden en dat zijn geest
gekomen was om den moordenaar te halen; hij bleef dus liggen, door den
angst gefolterd, en ik wenschte van ganscher harte, dat eenige van die
tooneelspelers, die de rol van een doodelijk verschrikt mensch te
spelen hebben, hem gezien hadden, ten einde de natuur trouw te kunnen
navolgen, in plaats van allerlei bespottelijke streken en gebaren te
gebruiken, die de toeschouwers in de galerij tot vermaak en vreugde
strekken.
Toen onze held begreep dat de vogel gevlogen was, of ten minste, toen
hij wanhopen moest om hem te vinden, en te regt bevreesd werd, dat het
geheele huis door het schot in rep en roer zou gebragt worden, blies
hij zijne kaars uit, en sloop weder zachtjes naar zijne kamer en naar
zijn bed, wat hem niet gelukt zou zijn zonder ontdekt te worden, als er
iemand anders in dat gedeelte van het huis gelogeerd had dan één
mijnheer, die door de jicht aan zijn bed gekluisterd was; want eer hij
zijne kamer bereikte, was de gang, waar de schildwacht gestaan had,
volgepropt met menschen, sommigen slechts half gekleed, en allen elkaar
met belangstelling vragende, wat er te doen was?
Men vond nu den soldaat in dezelfde positie liggen, waarin wij hem
gelaten hebben. Terwijl eenigen zich moeite gaven om hem weder op de
beenen te helpen, hielden anderen hem voor dood, maar zagen spoedig
hunne vergissing in: want hij worstelde niet slechts tegen diegenen die
hem aanpakten, maar begon ook als een stier te brullen. Hij verbeeldde
zich dan ook werkelijk, dat booze geesten of duivels hem aanpakten;
want zijne verbeelding, vervuld met den schrik voor het spook,
herschiep alles wat hij zag of gevoelde, in geesten en schimmen.
Eindelijk, door de overmagt vermeesterd, werd hij op de beenen gezet,
en toen men licht bragt, en hij een stuk of wat van zijne kameraden
aanwezig zag, bedaarde hij een weinig. Zoodra men hem echter vroeg wat
hem scheelde, antwoordde hij:
„Ik ben er om koud,—dat is zeker! Ik ga dood, daar kunt ge op aan! Ik
kan er niet van opkomen. Ik heb hem gezien!”
„Wien hebt ge gezien, Jaap?” vroeg een der soldaten.
„Wel! den jongen vrijwilliger, die gisteren dood geslagen werd!” En nu,
met eene reeks verschrikkelijke vloeken, hield hij vol met te
verklaren, dat hij den vrijwilliger gezien had, bloedende uit zijne
wonden, vuur spuwende uit den mond en de neusgaten, en dat hij hem
voorbijgegaan was naar de kamer van den heer Northerton, waar hij dien
officier bij de keel vatte en onder een zwaren donderslag met hem
verdwenen was.
Dit verhaal werd met groote graagte door de toehoorders verslonden.
Alle vrouwen die aanwezig waren, hechtten er vast geloof aan, en baden
den hemel haar voor een moord te bewaren. Onder de mannen vond het
verhaal ook geloof; hoewel sommigen er om spotten en een sergeant die
tegenwoordig was, zeer koelbloedig zeide:
„Kereltje, gij zult er nog meer van hooren dat ge op post in slaap valt
en droomt!”
De soldaat hernam: „Gij kunt me natuurlijk straffen, als gij dat
verkiest; maar ik was even wakker als op dit oogenblik, en de duivel
hale mij, even als hij den vaandrig gehaald heeft, als ik den vermoorde
niet zag, zoo als ik u verteld heb, met oogen zoo groot en gloeijende
als fakkels!”
De opperbevelhebber van de troepen en de vrouw van het huis waren
inmiddels beide aangekomen; want de eerste, die wakker was geweest, had
het schot gehoord, en hield het voor pligt om dadelijk op te staan,
hoewel hij geen groot kwaad vermoedde, terwijl de andere grooten angst
uitstond dat hare lepels en vorken, zonder order, op marsch konden
gaan.
De arme schildwacht, die evenzeer schrikte bij het verschijnen van zijn
officier als bij dat van het spook, dat hij pas gezien had, herhaalde
nu weder zijne verschrikkelijke geschiedenis, met bijvoeging van nog
meer bloed en vuur; maar zonder het geluk te hebben geloof te vinden
bij deze beide personen; want de officier, hoewel een godsdienstig
mensch, kende geen bijgeloof van dezen aard, en Jones zoo pas verlaten
hebbende in den toestand die ons bekend is, kon hij ook volstrekt niet
denken dat hij dood was. Wat de waardin betreft, hoewel zij niet zeer
vroom van aard was, gevoelde zij geen afkeer van de leer der spoken;
maar er was ééne omstandigheid in het verhaal, die zij wist dat niet
waar was,—zoo als de lezer straks vernemen zal.
Maar hetzij Northerton te midden van donder en vuur verdwenen was, of
hoe ook, het bleek nu ten duidelijkste dat hij niet meer te vinden was.
En nu maakte de luitenant eene gevolgtrekking, die niet zeer veel
verschilde van die, welke wij pas van den sergeant vermeld hebben, en
beval dadelijk den schildwacht in arrest te zetten. Dus, door eene
wonderlijke ommekeer van zaken (wat echter niet zeer vreemd is in het
militaire leven), werd de bewaker nu de bewaakte.