HET WIJZE GEDRAG VAN DEN HEER WESTERN ALS MAGISTRAAT. EEN WENK VOOR DE
VREDEREGTERS OMTRENT DE VEREISCHTEN VAN EEN GRIFFIER;—MET VERBAZENDE
VOORBEELDEN VAN VADERLIJKE DWAASHEID EN KINDERLIJKE LIEFDE.
De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de
diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was
bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare
kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had,
wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster
„uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de
gevangenis zou.
Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer
ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman
geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had
zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen,
die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar
oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije
wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê
opteschikken, en de drommel zal je halen!”
Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer
verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij
van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour,
noch al het smeeken van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar
overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste
regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te
oefenen.
Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier
van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van
de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat
hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te
zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te
verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand
naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”
In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet
altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen
der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat
zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder
voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te
vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.
Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk
voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar
de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds
tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen
lust om zich eene derde op den hals te halen.
De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na
verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne
zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene
stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide
hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een
heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard,
de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde,
noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor
de wet.”
Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en
dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden
omdat zij hunne heeren beleedigd hadden; waarop zij zekeren vrederegter
te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter
wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of
meesteressen dat verlangden.”
„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen;
maar de wet luidt anders hier buiten.”
Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den
broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons
maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide
partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste
van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus
tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia
zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.
Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden
vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze
heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men
in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets
beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld,
dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als
zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite
waard rekenden het te doen.
Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het
gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste
denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al die airs,
welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare
betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als
men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer
belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt
nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd
zijn.
De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar
zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk
een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk
met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed was,
en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de
algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier
bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke
uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon
voor te bereiden voor haar eigen vertrek.
Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare
tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een
veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar
zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem
zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde,
dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen
in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en
dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat
ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,”
aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.
Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat
de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding
van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het
niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij
zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen
gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt
hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een
der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en
verbazend wezen, de mensch.
De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel
indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar
opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al
de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij
koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo
hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan
hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het
bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening;
want hij kon nooit het genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar
hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.
Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken
zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar
hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo
vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk,
de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als
slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en
pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen
hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd
verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te
verleenen in het bereiken harer doeleinden.
Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige
handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten
daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling
te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat
hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt
niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door
hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te
schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige
hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de
kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten
gestreefd hadden te bewerken.
Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones
terugkeeren.