HOOFDSTUK IX.

HET WIJZE GEDRAG VAN DEN HEER WESTERN ALS MAGISTRAAT. EEN WENK VOOR DE

VREDEREGTERS OMTRENT DE VEREISCHTEN VAN EEN GRIFFIER;—MET VERBAZENDE

VOORBEELDEN VAN VADERLIJKE DWAASHEID EN KINDERLIJKE LIEFDE.

De logici bewijzen soms meer dan zij willen door een argument, en de

diplomaten foppen zich zelven soms door hunne fijne listen. Dit was

bijna het geval geweest met jufvrouw Honour, die in plaats van al hare

kleêren te redden, bijna belet had, dat die welke zij op het lijf had,

wegkwamen; want zoodra de landjonker vernam, dat zij zijne zuster

„uitgescholden had,” zwoer hij, met vele vloeken, dat zij naar de

gevangenis zou.

Mejufvrouw Western was eene zeer goedaardige vrouw en gewoonlijk zeer

ligt te verzoenen. Zij had onlangs de schadevergoeding aan een voerman

geschonken, die haar rijtuig in een sloot gereden had;—ja, zij had

zelfs de wet geschonden door te weigeren een straatroover te vervolgen,

die haar beroofd had niet slechts van haar geld maar ook van een paar

oorbellen, met vele scheldwoorden, terwijl hij zeide: „Zulke bl— mooije

wijven als gij zijt, hebben geene juweelen noodig om zich er meê

opteschikken, en de drommel zal je halen!”

Maar thans, zoo wankelbaar is het menschelijk gemoed, en zoo zeer

verschillen wij van ons zelve op verschillende oogenblikken, wilde zij

van geene genade hooren, en noch al het geveinsde berouw van Honour,

noch al het smeeken van Sophia ten gunste harer kamenier, konden haar

overhalen om haar broeder niet ernstig te verzoeken de strengste

regtvaardigheid (wat hier iets meer dan het regt beteekende) uit te

oefenen.

Maar gelukkig bezat de griffier eene hoedanigheid, welke geen griffier

van een vrederegter missen moest; hij bezat namelijk eenige kennis van

de wetten van het land. Hij fluisterde dus den regter in het oor, dat

hij zijne magt te buiten zou gaan door het meisje naar de gevangenis te

zenden, daar zij niet eens iets gedaan had om de openbare rust te

verstoren. „Ik vrees, mijnheer,” zeide hij, „dat gij niet wettig iemand

naar de gevangenis kunt zenden, alleen wegens gebrek aan beleefdheid.”

In zaken van groot gewigt, vooral in jagtdelicten, lette de regter niet

altijd op deze vermaningen van zijn griffier; want bij het toepassen

der wet in diergelijke gevallen, verbeelden zich vele vrederegters dat

zij eene willekeurige magt bezitten, volgens welke zij, onder

voorwendsel van beslag te leggen op allerlei werktuigen om het wild te

vernielen, dikwerf, zonder schroom, zelve overtredingen—of roof plegen.

Maar dit wanbedrijf was niet zoo ernstig van aard, noch zoo gevaarlijk

voor de geheele maatschappij. De regter geliefde dus te luisteren naar

de wenken van zijn griffier; want, inderdaad, men had hem reeds

tweemaal vermaningen gezonden van eene hoogere regtbank en hij had geen

lust om zich eene derde op den hals te halen.

De landjonker zette dus een heel wijs en deftig gezigt en na

verscheidene malen „hm!” en „ha!” gezegd te hebben, vertelde hij zijne

zuster, dat hij, na rijp overleg, van gevoelen was, „dat daar geene

stoornis van de openbare rust voorgevallen was, zooals de wet,” zeide

hij, „bedoelt door het openbreken eener deur, of door een gat in een

heg te slaan, of in een hoofd, of eenige gewelddadigheid van dien aard,

de zaak eigenlijk niet crimineel was, en geene overtreding daarstelde,

noch schadevergoeding toeliet, en ze dus niet eens strafbaar was voor

de wet.”

Mejufvrouw Western verklaarde beter op de hoogte van de wet te zijn, en

dat zij dikwerf gezien had, dat dienstboden zeer streng gestraft werden

omdat zij hunne heeren beleedigd hadden; waarop zij zekeren vrederegter

te Londen noemde, „die,” gelijk zij zeide, „iederen dienstbode ter

wereld naar de gevangenis zou zenden, zoodra hunne meesters of

meesteressen dat verlangden.”

„Dat is best mogelijk,” riep de landjonker; „dat kan best in Londen;

maar de wet luidt anders hier buiten.”

Hierop volgde er een zeer geleerde redetwist over de wet tusschen den

broeder en zijne zuster, welke wij zeker beschrijven zouden als wij ons

maar verbeelden konden dat de lezer er iets van begrijpen zou. Beide

partijen beriepen zich echter eindelijk op den griffier, die ten gunste

van den vrederegter besliste, en mejufvrouw Western moest zich dus

tevreden stellen met Honour dadelijk te doen wegjagen, waartoe Sophia

zeer gaarne en zeer opgeruimd hare toestemming gaf.

Het noodlot dus, volgens zijne gewoonte, zich met een paar dwaasheden

vermaakt hebbende, beschikte eindelijk alles ten gunste van onze

heldin, die werkelijk verwonderlijk goed slaagde in hare list, als men

in aanmerking neemt, dat het voor de eerste keer was, dat zij zoo iets

beproefde. En, om de waarheid te zeggen, ik heb me dikwerf verbeeld,

dat de eerlijke menschen steeds de schelmen zouden kunnen foppen, als

zij er toe komen konden die schuld op zich te laden, of het de moeite

waard rekenden het te doen.

Honour speelde hare rol volmaakt. Zoodra zij zich bewaard zag voor het

gevaar van de gevangenis,—een woord, dat de verschrikkelijkste

denkbeelden bij haar opgeroepen had,—gaf zij zich weder al die airs,

welke haar angst vroeger wat verminderd had,—en zij legde hare

betrekking neder met evenveel geveinsde tevredenheid en minachting als

men ooit zag vertoonen bij het nederleggen van ambten van veel meer

belang. Met verlof van den lezer, zeggen wij echter dat zij haar ambt

nederlegde,—wat altijd synoniem is geweest, met ontslagen of weggejaagd

zijn.

De heer Western echter beval haar zich te haasten met pakken, daar

zijne zuster verklaard had geen nacht meer onder hetzelfde dak met zulk

een onbeschaamde feeks te willen doorbrengen. Zij ging dus aan het werk

met zoo veel goeden wil, dat alles reeds vroeg in den avond gereed was,

en na haar loon ontvangen te hebben, trok zij met pak en zak op, tot de

algemeene voldoening, maar vooral tot die van Sophia, die haar kamenier

bevolen hebbende op het spookachtige en schrikbarende middernachtelijke

uur haar op zekere plek, digt bij het huis te ontmoeten, zich nu begon

voor te bereiden voor haar eigen vertrek.

Maar eerst moest zij twee pijnlijke gesprekken houden, het een met hare

tante, het andere met haren vader. Mejufvrouw Western zelve nam een

veel meer gebiedenden toon aan dan vroeger; maar haar vader sprak haar

zoo woedend en dolzinnig toe, dat zij, uit angst, veinzen moest hem

zijn zin te willen geven; wat den goeden landjonker zoo zeer behaagde,

dat zijne sombere blikken in glimlagchen veranderden—zijne bedreigingen

in beloften, terwijl hij zwoer dat hij haar als zijn leven lief had en

dat hare toestemming (hij had hare woorden: „Gij weet wel, vader, dat

ik de kracht niet bezit om uwe stellige bevelen tegen te spreken,”

aldus opgevat), hem tot den gelukkigsten der stervelingen maakte.

Voorbeelden van een dergelijk gedrag bij ouders zijn zoo algemeen, dat

de lezer, zonder twijfel, weinig verwonderd zal zijn over de houding

van den heer Western. Als dat echter niet het geval is, beken ik het

niet te kunnen verklaren; daar ik het voor onbetwistbaar houd, dat hij

zijne dochter hartelijk lief had. En dus, hebben ook vele anderen

gehandeld, die op dezelfde wijze hunne kinderen diep ongelukkig gemaakt

hebben,—wat, hoe algemeen ook hij ouders, mij altijd voorgekomen is een

der onverklaarbaarste ongerijmdheden te zijn in dat wonderbaarlijk en

verbazend wezen, de mensch.

De laatst aangenomene houding van den heer Western maakte zooveel

indruk op Sophia’s liefderijk hart, dat het eene gedachte bij haar

opwekte, welke noch de sophismen van hare diplomatieke tante, noch al

de bedreigingen van haar vader, ooit bij haar hadden doen ontstaan. Zij

koesterde zooveel vromen eerbied voor haar vader en beminde hem zoo

hartstogtelijk, dat zij naauwelijks eenig grooter geluk kende, dan

hetgeen ontstond uit het deel hetwelk zij zoo dikwerf had in het

bijdragen tot zijne genoegens—en soms ook tot zijne hoogere voldoening;

want hij kon nooit het genot verbergen, dat hij smaakte als hij haar

hoorde roemen, wat hem bijna elken dag te beurt viel.

Het denkbeeld dus van het oneindige geluk dat zij haren vader schenken

zou, door in dit huwelijk toe te stemmen, maakte grooten indruk op haar

hart. En bovendien werkte de gedachte aan het verdienstelijke van zoo

vele gehoorzaamheid zeer sterk op haar godsdienstig gemoed. Eindelijk,

de overweging van hoeveel zij zelve te lijden zou hebben, door zich als

slagtoffer te stellen, of als martelaresse van kinderlijke liefde en

pligt, deed bij haar eene aangename tinteling van zekeren kleinen

hartstogt ontstaan, die hoewel noch aan godsdienst noch aan deugd

verwant, dikwijls de goedheid heeft om veel bijstand aan beide te

verleenen in het bereiken harer doeleinden.

Sophia was verrukt door de beschouwing van zulk eene heldhaftige

handelwijze, en begon zich met voorbarige vleijerij vele complimenten

daarover te maken, toen Amor, die in hare mof verborgen lag, plotseling

te voorschijn kwam, en even als Polichinel in de poppenkast, alles wat

hem in den weg zat, wegschopte. Inderdaad,—want wij wilden volstrekt

niet den lezer foppen, of het karakter van onze heldin verfraaijen door

hare handelingen aan bovennatuurlijke ingevingen toe te

schrijven,—vernielde de gedachte aan haren beminden Jones, en eenige

hoop (hoe flaauw ook) welke hem vooral aanging, spoedig al wat de

kinderlijke liefde, de vroomheid en de hoogmoed met vereenigde krachten

gestreefd hadden te bewerken.

Maar eer wij Sophia verder vergezellen, moeten wij tot den heer Jones

terugkeeren.

Tom Jones · 第 123 / 340 题